De wijnfestivals zijn voorbij, Megavino, het grootste wijnevenement van het jaar, zit ondertussen al wat minder vers in het geheugen en de meeste wijnhandelaars hebben hun herfstproeverijen weer achter de rug. Met het eerste sneeuwtapijt leek ook de rust teruggekeerd in wijnminnend België. Of is deze rust misschien slechts een zoveelste stilte voor de storm? De eindejaarsfeesten staan immers voor de deur en dan zijn de bubbels en de feestwijnen – economische crisis of niet – nooit van de lucht. Bubbel nummer één blijft de onklopbare Champagne, maar voor de feestwijn aan tafel is het pleit lang niet meer zo zeker beslecht. 1. Nonkelpastoor en marketingvirtuositeit.
Tot voor een tiental jaar terug was er bij hoge uitzondering slechts één wijn die aanspraak mocht maken op het plaatsje naast de klassieke wildschotel tijdens het kerstdiner. Een fles die steevast uit de goed gevulde kelder kwam van nonkel pastoor. Een wijn die al even steevast afkomstig was uit een streek waarvan de status minstens even sacraal was als de bewaker van voornoemde kelder.
Bordeaux, met zijn vele appellaties en tot de verbeelding sprekende kasteelnamen, was de feestwijn bij uitstek. Wie zijn kerstdis wat van gepaste luister wilde voorzien kon niet omheen de
Angélus,
l’Evangile of
Pétrus.
Natuurlijk kwam die benijdenswaardige positie van
Bordeaux niet zomaar uit de lucht vallen. Wie er wat wijnboeken op naslaat, of eens de kans heeft om met adellijk heerschap uit de streek te keuvelen kan zonder veel moeite wel een handvol redenen bedenken voor het aura van wierook en heiligheid dat deze wijnen omgeeft. Zo is er dat clichématige verhaal van nonkel pastoor die met zijn broeders in de godsvrucht samenaankopen van ettelijke tientallen kisten plaatste rechtstreeks bij de kastelen zelf. Een verhaal dat misschien best met een korreltje zout genoten wordt, maar nog altijd zijn waarde heeft. Achter elk cliché schuilt er immers een waarheid. Er zijn anderzijds nog heel wat andere redenen die
Bordeaux promoveerden tot wijn nummer één aan de plechtige tafel. De vlotte verkrijgbaarheid over de grenzen heen is er daar ongetwijfeld één van. Die dominantie op de internationale markt is in feite niets minder dan de onschatbare erfenis van de vele eeuwen magistrale handelspolitiek die door de Bordelezen gevoerd werd. De classificatie van 1855, die nauw samenhangt met die geweldige marketingvirtuositeit, mag je ook niet onderschatten.
Bordeaux was immers de eerste wijnstreek die de consument van een helder en betrouwbaar – want zogenaamd door onafhankelijke experts opgestelde – kwaliteitsgids voorzag. Zelfs voor de grootste leek was duidelijk welke wijnen tot de absolute top behoorden en welke die top net niet haalden, maar er toch zeer dicht bij in de buurt kwamen.
De mythische status die deze classificatie nog altijd geniet door het historische aura dat ze door de jaren heen verwierf, heeft aan die vermeende betrouwbaarheid alleen nog maar bijgedragen. Bovendien was er ook die, thans voor vele consumenten, onbewuste link die gelegd werd tussen de chateaus, hun adellijke bewoners en een toonaangevende positie. Wanneer je je disgenoten kon tonen dat jij wist wat aan de tafel van de elite gedronken werd, kon je jezelf opvoeren als een echte kenner. Meer nog, wanneer je je gasten ook nog eens kon laten proeven van hetgeen onder de elite als het hoogste goed beschouwd werd, behoorde je zelf ook een stukje tot het kruim van de samenleving.
2. De nostalgie van het vertrouwen.
Pure nostalgie, bedenk ik terwijl ik de bovenstaande paragraaf neerschrijf. Het aura rondom
Bordeaux is er nog wel, maar de nonkelpastoors en de traditionele wildschotels zijn ondertussen ofwel tot stof en as herleid ofwel even veranderlijk geworden als de outfits van
Lady Gaga. Wanneer ik me probeer voor te stellen hoe wijn geapprecieerd werd in die lang vervlogen tijden, verschijnen me zwart-witfoto’s van literaire banketten met de grijze buste van een papaal glimlachende
Walschap of een hypochondrisch fronsende
Roelants voor de geest. Ik hoor terug de verhalen over de bacchantische feestmaaltijden met aan de kop van de tafel de Van den Boeynantsen en de Eyskens van weleer. Of ik grasduin door de melancholische herinneringen aan de
Bordeaux-cru’s die met veel plechtige gebaren werden ontkurkt op de familiefeesten in mijn jeugd. Allemaal vervaagde taferelen uit een verleden tijd en een verdwenen wereld. Alleen de wijn die de feestgangers van toen begeesterde, lijkt de tand des tijds doorstaan te hebben. Niet alleen de zovele flessen uit de jaren ’50 of ’60 die nog steeds weten te verrassen met soms prachtig geëvolueerde wijnen zijn daar het lekkerste bewijs van, maar ook het haast smetteloze blazoen dat Bordeaux nog steeds weet op te houden laat uitschijnen dat er op wijngebied niet erg veel veranderd is.
Of toch? Met de toenemende welvaart in West-Europa en de Angelsaksische wereld werden de topcru’s uit
Bordeaux voor een breder publiek beschikbaar. Ook de gegoede middenklasse kon af en toe genieten van deze vloeibare luxe. Er werd zelfs meer en meer wijn gedronken op regelmatiger basis. Wijnen van een iets bescheidener allooi uit de
Médoc, de
Haut-Médoc of de satelietappellaties van
Saint-Emilion werden voor heel wat wijnliefhebbers min of meer dagelijkse kost, een ‘doordeweeks wijntje’. Tot in de tweede helft van de jaren ’70 de crisis om zich heen greep: de Westerse economie kwakkelde, mensen gingen gemiddeld wat minder verdienen en
Bordeaux-wijnen werden relatief gezien een beetje duurder. Wijndrinkers zochten van de wederomstuit naar wat anders: de gloriedagen van de
Corbières, de
Bergerac en de
Beaujolais waren aangebroken.
Bordeaux werd een dure wijn. Zelfs in de supermarkten, waar er steeds meer wijn gekocht werd, bleven
Bordeaux een diepere duik in de beugel vergen.
Op zich versterkte dat eerst die elitestatus waar de Bordelezen al decennia op konden bogen, maar gaandeweg werd de concurrentie met andere Franse wijnregio’s of andere Europese wijnlanden zoals Italië en Spanje groter. Daar werd in eerste instantie dubbel op gereageerd: voor de wijnen uit het topsegment werd gezocht naar nieuwe markten. De Britse en Europese markt, bleek, volgens de analisten, aan het toenmalige prijspunt immers verzadigd. Een conclusie waarbij misschien de kar wel voor het paard gespannen werd, want, wat was er eerst? De prijsverhoging of de verzadiging van de markt aan het toenmalige prijspunt? Die andere markt werd snel gevonden: de Verenigde Staten bleken, anders dan de traditionele Europese en Britse markt, snel de verhoopte hoeveelheid extra cash te genereren. Bovendien bleek naambekendheid er al voldoende om te verkopen. De marketingbonzen van
Bordeaux vonden ook steun bij de nieuwe, wijdverspreide tijdschriften die de Amerikaanse wijnliefhebber wegwijs wilden maken in de Europese, en in eerste instantie voornamelijk Franse wijnwereld. Na enkele jaren overzeese marketing verrees er zelfs uit het niets een nieuw soort ‘wijnliefhebber’ dat in Europa al enkele decennia bestond: de wijnbelegger die grote cru’s met hele kisten tegelijk opkocht – liefst
en primeur, want ook die Bordelese marketingtruc bleek in de Nieuwe Wereld in goede aarde te vallen – om ze daarna liefst jaren en jaren ongeopend in een donkere kelder weg te bergen, tot de waarde ervan aanzienlijk gestegen was. Beleggen in wijn werd professioneler aangepakt en ook weer begeleid door tijdschriften als
WineAdvocate en
Winespectator. De
Bordeauxverkoop schoot als een raket de hoogte in. Zelfs voor de reeks abominabele millésimes die elkaar in het begin van de jaren ’90 opvolgden was de vraag groter dan het aanbod. Iets wat wijnbeleggers en kasteelheren als muziek in de oren klonk. Stelselmatige prijsverhogingen in het topsegment waren het logische gevolg.
Anderzijds werd er ook gereageerd op de bikkelharde concurrentie in de onderzijde van het wijnaanbod. Hoogtechnologische vernieuwingen in de wijnproductie en het onderhoud van de wijngaard verlaagden de productiekost aanzienlijk, vergemakkelijkten het bekomen van een betrouwbaar eindproduct en maakten het produceren en verhandelen van grotere volumes wijn eenvoudiger. De eerste merkwijnen zagen het licht (denk aan
Mouton-Cadet of
D’Ourthe No. 1) en ook de supermarktcuvées werden gemeengoed. Binnen de generieke appellaties als
Bordeaux en
Bordeaux Supérieur werd het gemakkelijker om tot dan toe ongekende hoeveelheden bulkwijn te produceren. Met de economische vooruitgang van het eind van de jaren ’80 en de daaropvolgende jaren ’90 werd dat dichotome systeem bestendigd: de cru classés werden alsmaar duurder en stilaan onbereikbaar voor de gewone consument. Wilde die
Bordeaux blijven drinken, dan zag die zich gedwongen af te zakken naar de lagere regionen van het assortiment. Zelfs wie een beetje meer kon spenderen liet de
premier en
deuxième cru’s links liggen en zocht zijn heil in
quatrième of
cinquième cru’s die waar voor hun geld boden, of die enkele tweede en derderangskastelen die na enkele decennia wanbeheer ook de rijkdom geroken hadden en naarstig werkten aan het oppoetsen van hun imago. Minder vermogende wijnliefhebbers die het moderne geweld van de Italiaanse en Spaanse nieuwlichters wantrouwden, werden gedwongen de vroegere feestwijnen in te ruilen voor de ‘doordeweekse wijntjes’. De fles voor alle dag werd een kleine
Bordeaux of een
Bordeaux Supérieur, als je niet wilde meesurfen op de opkomende hype van de Nieuwe-Wereldwijnen tenminste.

Na de exorbitante prijsstijgingen van 2000 en 2005 werd die evolutie bestendigd: de cru classés werden de absolute top van het wijnaanbod, de gewone wijnliefhebber moest zich maar tevreden stellen met de generieke wijnen. Elk château dat tussen deze twee stoelen in viel, zag zich genoodzaakt ofwel sterk te investeren in een
image revamp en een betere zichtbaarheid op de markt, ofwel overstag te gaan voor de productie van goedkope bulkwijn. Als je de wijnrekken in de supermarkt of het aanbod van een doorsnee wijnimporteur bekijkt, is deze evolutie duidelijk merkbaar: onbekende châteaunamen aan prijzen tussen de € 8 à € 15 vind je wel, maar het is een minderheid in het aanbod. Blijkbaar ligt dit type wijnen niet echt goed in de markt. Daar komt nog eens bij dat het verjongde wijndrinkende publiek andere smaakeisen stelt aan de wijn die in het glas komt op party’s, kotfeestjes of weekenduitstapjes. Die wijn moet jong en fruitig (dikwijls zelfs wat zoetig) zijn. De kruidige, soms zelfs ronduit vegetale en droge wijnen uit
Bordeaux blijken geen waardige kandidaten voor partywijnen. En ook de generatie dertigers die hen opvolgt, kiest eerder voor een toegankelijke, fruitige wijn die geen pijn doet in de portemonnee: Spaanse, Italiaanse, Zuid-Franse of Nieuwe-Wereldwijnen zijn de eerste keuze. Bordeaux staat voor deze jonge wijndrinkers gelijk aan te dure wijn, voor kenners, voor beleggers of ‘voor mensen met teveel geld’. Je mag dan nog steeds aanzien worden als de absolute top van de wijnwereld, maar als je je een imago van onbereikbaarheid aanmeet voor de jonge, verkennende consument, prijs je jezelf op lange termijn natuurlijk compleet uit de markt.
Het lijkt wel alsof dat blindelingse vertrouwen in
Bordeaux pure nostalgie geworden is, een verhaal uit een vergeten, verleden tijd.
3. Het verguldsel om de pil.Natuurlijk zijn de Bordelezen daar ook al lang achter en wordt er dus het een en ander ondernomen om dat imago bij de jonge consument of het grote wijndrinkende publiek te veranderen. Dat gaat van initiatieven als het restylen van het klassieke Bordelese etiket voor basiswijnen, over het promoten van wijncocktails, met als basiswijn steeds een
Bordeaux, tot het opvijzelen van de
Cru Bourgeois-status in de
Médoc. Waar de laatste twee waarschijnlijk wel wat vrucht zullen afwerpen – alhoewel ik vermoed dat de impact ervan klein zal zijn – kan men zich afvragen of het restylen van het etiket een wijn beter gaat doen verkopen, laat staan dat het de bodemklassewijnen van een bestaande appellatie zal weten op te waarderen. Ik moet nog altijd terugdenken aan het standje dat vorig jaar naast ons stond op
Megavino: een Portugees die zijn
‘Sexy Wines’ aanprees, want zo heette het overeikte en overrijpe goedje dat in een slank flesje met daarop een knalroze etiket aan de man werd gebracht. Er werd eerder mee gelachen dan dat het interesse opwekte. Niet meteen een sterke zet dus. Het heruitvinden van het etiket op zich is duidelijk niet genoeg, het heruitvinden van de wijn heeft misschien wel meer effect, of trap ik daarmee een open deur in? Nee toch ... .
Een ander initiatief is het grootschalig opzetten van promotiecampagnes die moeten aantonen dat er in
Bordeaux nog wel wat anders te verkrijgen is dan de peperdure cru classés. Eén van die campagnes is het pas door het
CIVB (Comité Interprofessionel des Vins Bordeaux) in verschillende Europese deelstaten gelanceerde ‘Bordeaux Coup de Coeurs’, een initiatief dat past binnen ‘
Bordeaux Even Anders’ of ‘
Bordeaux Autrement’. In elk land wordt aan
Bordeaux-importeurs gevraagd om de volgens hen beste wijnen tussen de 4 en de 15 euro te selecteren en op te sturen naar een professionele vakjury. Deze vakjury kiest dan uit de ingezonden wijnen de beste 100 wijnen. Deze worden met de hulp van het
CIVB in de kijker gezet: de importeurs krijgen promotiemateriaal, er worden kleine catalogusjes verspreid en, niet te vergeten, er worden persproeverijen georganiseerd, zodat ook langs dit kanaal deze 100 bemerkenswaardige wijnen kunnen gepromoot worden.
Ook wij, de
Vlaamse Wijnbloggers, kregen kort geleden de kans deze geselecteerde wijnen te proeven. Wij deden dat in het goede gezelschap van
Sibylle – Mrs. WineWise – Troubleyn,
Karlien Honoré en
Kristof Van Hecke, beiden docent sommelier aan de Syntra-avondscholen. Er werden panels van 3 proevers gevormd die telkens 33 wijnen proefden, zowel crémants, witte, rosé, rode als zoete witte wijnen uit de
Bordeaux-streek. Elk panel stelde zijn top 5 samen. Die wijnen werden achteraf dan nog eens door iedereen geproefd om zo de beste wijnen te selecteren. Een heel geregel om 100 wijnen op een betrouwbare manier te evalueren.
Wij proefden ons op anderhalf uur tijd door de eerste reeks van 33 wijnen, waarna we samen met de nodige discussie de beste wijnen uit het assortiment selecteerden. Geen al te moeilijke klus zo bleek: er waren er enkele die duidelijk met kop en schouders boven de rest uitstaken. 5 wijnen van de 100 behaalden de eindmeet: 1 witte, 4 rode, geen crémant, geen rosé en geen zoete witte. 5 van de 100? Waren we te streng geweest? Of zei dat meer over de selectie? Als ik mijn proefnota’s er op na sla, dan lees ik regelmatig: ‘mist fraîcheur’, ‘waar is het fruit?’, ‘onevenwichtig’, ‘duf’ (bij wit), ‘vuil hout’, ‘geen structuur’ (vooral bij de rosés dan), ... toch allemaal duidelijk tekenen van minder geslaagde wijnen, niet? Wij vroegen ons af hoe dat kon. Als je wijnen laat selecteren door een professionele jury – en dat was qua samenstelling zeker niet de minste – dan verwacht je toch dat er betere wijnen op de proeftafel verschijnen? Of, dan verwacht je minstens dat je verder komt dan 5% wijnen die je elke dag aan het hart wil drukken (en liefst nog opdrinken ook). Toch? Dat was hier niet meteen het geval. Waar lag dat dan aan? Niet de jury dus. Aan de gemiddeld lage kwaliteit van de ingezonden wijnen dan? Dat moet wel, maar je gaat me toch niet vertellen dat de Belg die naast zijn baksteen ook een wijnfles in de maag draagt, niet liever een betere
Bordeaux proeft, drinkt en dus ook verkoopt dan de vloot die net over onze smaakpapillen passeerde.

Het probleem lijkt hem dus eerder dichter aan de basis te liggen: de grote massa
Bordeaux-wijn die onder de € 15 op de markt gebracht wordt, haalt de gemiddelde kwaliteitseisen simpelweg niet. Er is dus iets grondig mis binnen deze prijscategorie. Kort samengevat: te lage kwaliteit voor teveel geld, want zeg nu zelf, voor 5 à 6 euro koop je al wat degelijks uit de Nieuwe Wereld en voor een tiental euro meer heb je dikwijls bijzonder lekkere wijnen uit andere Franse wijnstreken op tafel staan. Met wat zoeken vind je voor € 15 zelfs flessen uit de subtop in streken als de
Loire, de
Rhône of de
Languedoc. Het is dringend tijd dat de Bordelezen die les willen leren en daar ook de juiste conclusies uit willen trekken. Het volstaat niet meer wat te zaniken over oneerlijke concurrentie, vroegere tijden en naambekendheid. Zeker dat laatste werkt niet meer: de naam
Bordeaux fungeert niet langer als het verguldsel om de bittere pil. Laat staan dat het aura van de topcru’s nog als kwaliteitsgarantie voor de hele wijnstreek gepercipieerd wordt. Het is hoogdringend tijd dat de basis van de
Bordeaux-appellatie nieuw leven ingeblazen wordt, zodat dit marktsegment opnieuw levensvatbaar wordt en terug vast voet aan de grond krijgt bij de moderne consument, want het is zo’n sterke basis immers die de onnavolgbare status en hegemonie van de
Bordeaux-wijnen wereldwijd zal bestendigen. Misschien is dat ook net de positieve zijde van een initiatief als deze Coup de Coeurs: er wordt terug aandacht besteed aan de fundamenten van
Bordeaux en men realiseert zich eindelijk terug het belang van die onmisbare basis. Dat er binnen deze basis alvast hard gewerkt wordt en er echt mooie kwaliteit te vinden is, bewijzen de volgende 5 wijnen:
Benjamin de Chantegrive, Graves 2009De enige witte in de reeks die ons criticasters wist te overtuigen: fris geelgroen van kleur met een rechte, strakke neus van passievrucht en witte bloemen. Een mespuntje rokerigheid in de neus en een heel klein beetje vanille in de mond doen vatrijping vermoeden. Eerder soepele aanzet met appel en weer wat rokerigheid in de mond. Mooie zuren houden deze witte
Graves lekker sappig.
Geef hem wat tijd in een karaf (daarmee verdwijnt dat fletse vanilledipje) en zet hem naast gepocheerde vis met een lichte saus.
(Geïmporteerd door
Colruyt, tussen € 7 en € 10)
Château Perayne, Bordeaux 2006Frisse, heel levendig purperrode kleur met een dieppaarse weerschijn. Het lijkt wel alsof deze wijn nog piepjong is en elk moment zo uit het glas kan stuiven. Ook op de neus is hij lekker spannend: een lactische toets wordt snel vervangen door wat vers gebrande koffie, gedroogde ham en daarna koele cassisbessen, zoals ze alleen kunnen ruiken op een warme zomeravond achter in de tuin. Zet soepel en sappig aan in de mond, met veel spankracht en rijp besfruit. Alles blijft ondanks die rijpheid toch subtiel geschakeerd en fris tot in de afdronk die bijna als vanzelfsprekend bij deze wijn hoort. Verfijnde, beschaafde tannines.
Een glas dat het ideale midden houden tussen eerder klassiek aandoende fraîcheur en moderne fruitigheid.
(Geïmporteerd door
Sommelier, tussen € 10 en € 15)
Château La Mauriane, Puisseguin-Saint-Emilion 2007Dieprode wijn met donkere kern en een typische
merlot-neus van zeer rijpe bosbessen, wat blauwe pruimen en geroosterde kruiden. Ik houd absoluut niet van merkbare houttoetsen in wijnen, maar dit was wel één van die weinige voorbeelden, waarvan ik dacht ‘jammer misschien, maar geslaagd’.Boven het fruit was er heel subtiel wat zoete ceder te bekennen gemengd met diezelfde kruidigheid uit de neus. Lange, fruitige afdronk onderbouwd door stevige, grippige tannine.
Kan nog wat mee, maar vraagt nu eigenlijk al om een sappig stuk gebraad. Denk aan hertengebraad zonder een al te zoete en vette saus of iets dergelijks.
(Geïmporteerd door
Henri Petré, tussen € 10 en € 15)
Château Anthonic, Médoc 2007Een klassieke crowd-pleaser is deze kersenrode vaste waarde uit de Médoc. Zuivere neus van vers klein rood fruit. Frisse, puntige aanzet met krokante zuren blijven deze ronde wijn net spannend genoeg houden. Ikzelf vind het vleugje vanille dat de hele wijn omspeelt een beetje melig – het maakt de wijn een beetje te sappel – maar ik kan me heel goed voorstellen dat dit bij heel wat wijndrinkers een gelukzalige glimlach op het gezicht tovert.
Nu drinken.
(Geïmporteerd door
Delhaize, tussen € 10 en € 15)
Château de Lestiac, 1éres Côtes de Bordeaux 2008Dit was voor mij de feestwijn van de dag. Krachtig, maar gedistingeerd, geconcentreerd, maar elegant, kruidig, maar subtiel. Van in de neus tot in de laatste seconde van de afdronk blijft alles perfect in balans en lijkt elk deeltje perfect op zijn plaats te zitten. Ik noteerde een heel frisse neus, met veel cassissap, boombast, grafiet en vleeskruiden. Vlezig in de aanzet, met krachtige tannine en geconcentreerd sap.
Deze wijn heeft zonder twijfel nog wat tijd nodig vooraleer je hem naast een sappige entrecôte aan tafel zet.
(Geïmporteerd door
Cora, tussen € 7 en € 10)