Bordeaux Coup de Coeurs 2010 - Geen verguldsel meer om de bittere pil.
donderdag, 16 december 2010 18:40
Amaronese
De wijnfestivals zijn voorbij, Megavino, het grootste wijnevenement van het jaar, zit ondertussen al wat minder vers in het geheugen en de meeste wijnhandelaars hebben hun herfstproeverijen weer achter de rug. Met het eerste sneeuwtapijt leek ook de rust teruggekeerd in wijnminnend België. Of is deze rust misschien slechts een zoveelste stilte voor de storm? De eindejaarsfeesten staan immers voor de deur en dan zijn de bubbels en de feestwijnen – economische crisis of niet – nooit van de lucht. Bubbel nummer één blijft de onklopbare Champagne, maar voor de feestwijn aan tafel is het pleit lang niet meer zo zeker beslecht.
1. Nonkelpastoor en marketingvirtuositeit. Tot voor een tiental jaar terug was er bij hoge uitzondering slechts één wijn die aanspraak mocht maken op het plaatsje naast de klassieke wildschotel tijdens het kerstdiner. Een fles die steevast uit de goed gevulde kelder kwam van nonkel pastoor. Een wijn die al even steevast afkomstig was uit een streek waarvan de status minstens even sacraal was als de bewaker van voornoemde kelder. Bordeaux, met zijn vele appellaties en tot de verbeelding sprekende kasteelnamen, was de feestwijn bij uitstek. Wie zijn kerstdis wat van gepaste luister wilde voorzien kon niet omheen de Angélus, l’Evangile of Pétrus. Natuurlijk kwam die benijdenswaardige positie van Bordeaux niet zomaar uit de lucht vallen. Wie er wat wijnboeken op naslaat, of eens de kans heeft om met adellijk heerschap uit de streek te keuvelen kan zonder veel moeite wel een handvol redenen bedenken voor het aura van wierook en heiligheid dat deze wijnen omgeeft. Zo is er dat clichématige verhaal van nonkel pastoor die met zijn broeders in de godsvrucht samenaankopen van ettelijke tientallen kisten plaatste rechtstreeks bij de kastelen zelf. Een verhaal dat misschien best met een korreltje zout genoten wordt, maar nog altijd zijn waarde heeft. Achter elk cliché schuilt er immers een waarheid. Er zijn anderzijds nog heel wat andere redenen die Bordeaux promoveerden tot wijn nummer één aan de plechtige tafel. De vlotte verkrijgbaarheid over de grenzen heen is er daar ongetwijfeld één van. Die dominantie op de internationale markt is in feite niets minder dan de onschatbare erfenis van de vele eeuwen magistrale handelspolitiek die door de Bordelezen gevoerd werd. De classificatie van 1855, die nauw samenhangt met die geweldige marketingvirtuositeit, mag je ook niet onderschatten. Bordeaux was immers de eerste wijnstreek die de consument van een helder en betrouwbaar – want zogenaamd door onafhankelijke experts opgestelde – kwaliteitsgids voorzag. Zelfs voor de grootste leek was duidelijk welke wijnen tot de absolute top behoorden en welke die top net niet haalden, maar er toch zeer dicht bij in de buurt kwamen. De mythische status die deze classificatie nog altijd geniet door het historische aura dat ze door de jaren heen verwierf, heeft aan die vermeende betrouwbaarheid alleen nog maar bijgedragen. Bovendien was er ook die, thans voor vele consumenten, onbewuste link die gelegd werd tussen de chateaus, hun adellijke bewoners en een toonaangevende positie. Wanneer je je disgenoten kon tonen dat jij wist wat aan de tafel van de elite gedronken werd, kon je jezelf opvoeren als een echte kenner. Meer nog, wanneer je je gasten ook nog eens kon laten proeven van hetgeen onder de elite als het hoogste goed beschouwd werd, behoorde je zelf ook een stukje tot het kruim van de samenleving.
2. De nostalgie van het vertrouwen. Pure nostalgie, bedenk ik terwijl ik de bovenstaande paragraaf neerschrijf. Het aura rondom Bordeaux is er nog wel, maar de nonkelpastoors en de traditionele wildschotels zijn ondertussen ofwel tot stof en as herleid ofwel even veranderlijk geworden als de outfits van Lady Gaga. Wanneer ik me probeer voor te stellen hoe wijn geapprecieerd werd in die lang vervlogen tijden, verschijnen me zwart-witfoto’s van literaire banketten met de grijze buste van een papaal glimlachende Walschap of een hypochondrisch fronsende Roelants voor de geest. Ik hoor terug de verhalen over de bacchantische feestmaaltijden met aan de kop van de tafel de Van den Boeynantsen en de Eyskens van weleer. Of ik grasduin door de melancholische herinneringen aan de Bordeaux-cru’s die met veel plechtige gebaren werden ontkurkt op de familiefeesten in mijn jeugd. Allemaal vervaagde taferelen uit een verleden tijd en een verdwenen wereld. Alleen de wijn die de feestgangers van toen begeesterde, lijkt de tand des tijds doorstaan te hebben. Niet alleen de zovele flessen uit de jaren ’50 of ’60 die nog steeds weten te verrassen met soms prachtig geëvolueerde wijnen zijn daar het lekkerste bewijs van, maar ook het haast smetteloze blazoen dat Bordeaux nog steeds weet op te houden laat uitschijnen dat er op wijngebied niet erg veel veranderd is. Of toch? Met de toenemende welvaart in West-Europa en de Angelsaksische wereld werden de topcru’s uit Bordeaux voor een breder publiek beschikbaar. Ook de gegoede middenklasse kon af en toe genieten van deze vloeibare luxe. Er werd zelfs meer en meer wijn gedronken op regelmatiger basis. Wijnen van een iets bescheidener allooi uit de Médoc, de Haut-Médoc of de satelietappellaties van Saint-Emilion werden voor heel wat wijnliefhebbers min of meer dagelijkse kost, een ‘doordeweeks wijntje’. Tot in de tweede helft van de jaren ’70 de crisis om zich heen greep: de Westerse economie kwakkelde, mensen gingen gemiddeld wat minder verdienen en Bordeaux-wijnen werden relatief gezien een beetje duurder. Wijndrinkers zochten van de wederomstuit naar wat anders: de gloriedagen van de Corbières, de Bergerac en de Beaujolais waren aangebroken. Bordeaux werd een dure wijn. Zelfs in de supermarkten, waar er steeds meer wijn gekocht werd, bleven Bordeaux een diepere duik in de beugel vergen. Op zich versterkte dat eerst die elitestatus waar de Bordelezen al decennia op konden bogen, maar gaandeweg werd de concurrentie met andere Franse wijnregio’s of andere Europese wijnlanden zoals Italië en Spanje groter. Daar werd in eerste instantie dubbel op gereageerd: voor de wijnen uit het topsegment werd gezocht naar nieuwe markten. De Britse en Europese markt, bleek, volgens de analisten, aan het toenmalige prijspunt immers verzadigd. Een conclusie waarbij misschien de kar wel voor het paard gespannen werd, want, wat was er eerst? De prijsverhoging of de verzadiging van de markt aan het toenmalige prijspunt? Die andere markt werd snel gevonden: de Verenigde Staten bleken, anders dan de traditionele Europese en Britse markt, snel de verhoopte hoeveelheid extra cash te genereren. Bovendien bleek naambekendheid er al voldoende om te verkopen. De marketingbonzen van Bordeaux vonden ook steun bij de nieuwe, wijdverspreide tijdschriften die de Amerikaanse wijnliefhebber wegwijs wilden maken in de Europese, en in eerste instantie voornamelijk Franse wijnwereld. Na enkele jaren overzeese marketing verrees er zelfs uit het niets een nieuw soort ‘wijnliefhebber’ dat in Europa al enkele decennia bestond: de wijnbelegger die grote cru’s met hele kisten tegelijk opkocht – liefst en primeur, want ook die Bordelese marketingtruc bleek in de Nieuwe Wereld in goede aarde te vallen – om ze daarna liefst jaren en jaren ongeopend in een donkere kelder weg te bergen, tot de waarde ervan aanzienlijk gestegen was. Beleggen in wijn werd professioneler aangepakt en ook weer begeleid door tijdschriften als WineAdvocate en Winespectator. De Bordeauxverkoop schoot als een raket de hoogte in. Zelfs voor de reeks abominabele millésimes die elkaar in het begin van de jaren ’90 opvolgden was de vraag groter dan het aanbod. Iets wat wijnbeleggers en kasteelheren als muziek in de oren klonk. Stelselmatige prijsverhogingen in het topsegment waren het logische gevolg. Anderzijds werd er ook gereageerd op de bikkelharde concurrentie in de onderzijde van het wijnaanbod. Hoogtechnologische vernieuwingen in de wijnproductie en het onderhoud van de wijngaard verlaagden de productiekost aanzienlijk, vergemakkelijkten het bekomen van een betrouwbaar eindproduct en maakten het produceren en verhandelen van grotere volumes wijn eenvoudiger. De eerste merkwijnen zagen het licht (denk aan Mouton-Cadet of D’Ourthe No. 1) en ook de supermarktcuvées werden gemeengoed. Binnen de generieke appellaties als Bordeaux en Bordeaux Supérieur werd het gemakkelijker om tot dan toe ongekende hoeveelheden bulkwijn te produceren. Met de economische vooruitgang van het eind van de jaren ’80 en de daaropvolgende jaren ’90 werd dat dichotome systeem bestendigd: de cru classés werden alsmaar duurder en stilaan onbereikbaar voor de gewone consument. Wilde die Bordeaux blijven drinken, dan zag die zich gedwongen af te zakken naar de lagere regionen van het assortiment. Zelfs wie een beetje meer kon spenderen liet de premier en deuxième cru’s links liggen en zocht zijn heil in quatrième of cinquième cru’s die waar voor hun geld boden, of die enkele tweede en derderangskastelen die na enkele decennia wanbeheer ook de rijkdom geroken hadden en naarstig werkten aan het oppoetsen van hun imago. Minder vermogende wijnliefhebbers die het moderne geweld van de Italiaanse en Spaanse nieuwlichters wantrouwden, werden gedwongen de vroegere feestwijnen in te ruilen voor de ‘doordeweekse wijntjes’. De fles voor alle dag werd een kleine Bordeaux of een Bordeaux Supérieur, als je niet wilde meesurfen op de opkomende hype van de Nieuwe-Wereldwijnen tenminste. Na de exorbitante prijsstijgingen van 2000 en 2005 werd die evolutie bestendigd: de cru classés werden de absolute top van het wijnaanbod, de gewone wijnliefhebber moest zich maar tevreden stellen met de generieke wijnen. Elk château dat tussen deze twee stoelen in viel, zag zich genoodzaakt ofwel sterk te investeren in een image revamp en een betere zichtbaarheid op de markt, ofwel overstag te gaan voor de productie van goedkope bulkwijn. Als je de wijnrekken in de supermarkt of het aanbod van een doorsnee wijnimporteur bekijkt, is deze evolutie duidelijk merkbaar: onbekende châteaunamen aan prijzen tussen de € 8 à € 15 vind je wel, maar het is een minderheid in het aanbod. Blijkbaar ligt dit type wijnen niet echt goed in de markt. Daar komt nog eens bij dat het verjongde wijndrinkende publiek andere smaakeisen stelt aan de wijn die in het glas komt op party’s, kotfeestjes of weekenduitstapjes. Die wijn moet jong en fruitig (dikwijls zelfs wat zoetig) zijn. De kruidige, soms zelfs ronduit vegetale en droge wijnen uit Bordeaux blijken geen waardige kandidaten voor partywijnen. En ook de generatie dertigers die hen opvolgt, kiest eerder voor een toegankelijke, fruitige wijn die geen pijn doet in de portemonnee: Spaanse, Italiaanse, Zuid-Franse of Nieuwe-Wereldwijnen zijn de eerste keuze. Bordeaux staat voor deze jonge wijndrinkers gelijk aan te dure wijn, voor kenners, voor beleggers of ‘voor mensen met teveel geld’. Je mag dan nog steeds aanzien worden als de absolute top van de wijnwereld, maar als je je een imago van onbereikbaarheid aanmeet voor de jonge, verkennende consument, prijs je jezelf op lange termijn natuurlijk compleet uit de markt. Het lijkt wel alsof dat blindelingse vertrouwen in Bordeaux pure nostalgie geworden is, een verhaal uit een vergeten, verleden tijd.
3. Het verguldsel om de pil. Natuurlijk zijn de Bordelezen daar ook al lang achter en wordt er dus het een en ander ondernomen om dat imago bij de jonge consument of het grote wijndrinkende publiek te veranderen. Dat gaat van initiatieven als het restylen van het klassieke Bordelese etiket voor basiswijnen, over het promoten van wijncocktails, met als basiswijn steeds een Bordeaux, tot het opvijzelen van de Cru Bourgeois-status in de Médoc. Waar de laatste twee waarschijnlijk wel wat vrucht zullen afwerpen – alhoewel ik vermoed dat de impact ervan klein zal zijn – kan men zich afvragen of het restylen van het etiket een wijn beter gaat doen verkopen, laat staan dat het de bodemklassewijnen van een bestaande appellatie zal weten op te waarderen. Ik moet nog altijd terugdenken aan het standje dat vorig jaar naast ons stond op Megavino: een Portugees die zijn ‘Sexy Wines’ aanprees, want zo heette het overeikte en overrijpe goedje dat in een slank flesje met daarop een knalroze etiket aan de man werd gebracht. Er werd eerder mee gelachen dan dat het interesse opwekte. Niet meteen een sterke zet dus. Het heruitvinden van het etiket op zich is duidelijk niet genoeg, het heruitvinden van de wijn heeft misschien wel meer effect, of trap ik daarmee een open deur in? Nee toch ... . Een ander initiatief is het grootschalig opzetten van promotiecampagnes die moeten aantonen dat er in Bordeaux nog wel wat anders te verkrijgen is dan de peperdure cru classés. Eén van die campagnes is het pas door het CIVB (Comité Interprofessionel des Vins Bordeaux) in verschillende Europese deelstaten gelanceerde ‘Bordeaux Coup de Coeurs’, een initiatief dat past binnen ‘Bordeaux Even Anders’ of ‘Bordeaux Autrement’. In elk land wordt aan Bordeaux-importeurs gevraagd om de volgens hen beste wijnen tussen de 4 en de 15 euro te selecteren en op te sturen naar een professionele vakjury. Deze vakjury kiest dan uit de ingezonden wijnen de beste 100 wijnen. Deze worden met de hulp van het CIVB in de kijker gezet: de importeurs krijgen promotiemateriaal, er worden kleine catalogusjes verspreid en, niet te vergeten, er worden persproeverijen georganiseerd, zodat ook langs dit kanaal deze 100 bemerkenswaardige wijnen kunnen gepromoot worden. Ook wij, de Vlaamse Wijnbloggers, kregen kort geleden de kans deze geselecteerde wijnen te proeven. Wij deden dat in het goede gezelschap van Sibylle – Mrs. WineWise – Troubleyn, Karlien Honoré en Kristof Van Hecke, beiden docent sommelier aan de Syntra-avondscholen. Er werden panels van 3 proevers gevormd die telkens 33 wijnen proefden, zowel crémants, witte, rosé, rode als zoete witte wijnen uit de Bordeaux-streek. Elk panel stelde zijn top 5 samen. Die wijnen werden achteraf dan nog eens door iedereen geproefd om zo de beste wijnen te selecteren. Een heel geregel om 100 wijnen op een betrouwbare manier te evalueren. Wij proefden ons op anderhalf uur tijd door de eerste reeks van 33 wijnen, waarna we samen met de nodige discussie de beste wijnen uit het assortiment selecteerden. Geen al te moeilijke klus zo bleek: er waren er enkele die duidelijk met kop en schouders boven de rest uitstaken. 5 wijnen van de 100 behaalden de eindmeet: 1 witte, 4 rode, geen crémant, geen rosé en geen zoete witte. 5 van de 100? Waren we te streng geweest? Of zei dat meer over de selectie? Als ik mijn proefnota’s er op na sla, dan lees ik regelmatig: ‘mist fraîcheur’, ‘waar is het fruit?’, ‘onevenwichtig’, ‘duf’ (bij wit), ‘vuil hout’, ‘geen structuur’ (vooral bij de rosés dan), ... toch allemaal duidelijk tekenen van minder geslaagde wijnen, niet? Wij vroegen ons af hoe dat kon. Als je wijnen laat selecteren door een professionele jury – en dat was qua samenstelling zeker niet de minste – dan verwacht je toch dat er betere wijnen op de proeftafel verschijnen? Of, dan verwacht je minstens dat je verder komt dan 5% wijnen die je elke dag aan het hart wil drukken (en liefst nog opdrinken ook). Toch? Dat was hier niet meteen het geval. Waar lag dat dan aan? Niet de jury dus. Aan de gemiddeld lage kwaliteit van de ingezonden wijnen dan? Dat moet wel, maar je gaat me toch niet vertellen dat de Belg die naast zijn baksteen ook een wijnfles in de maag draagt, niet liever een betere Bordeaux proeft, drinkt en dus ook verkoopt dan de vloot die net over onze smaakpapillen passeerde. Het probleem lijkt hem dus eerder dichter aan de basis te liggen: de grote massa Bordeaux-wijn die onder de € 15 op de markt gebracht wordt, haalt de gemiddelde kwaliteitseisen simpelweg niet. Er is dus iets grondig mis binnen deze prijscategorie. Kort samengevat: te lage kwaliteit voor teveel geld, want zeg nu zelf, voor 5 à 6 euro koop je al wat degelijks uit de Nieuwe Wereld en voor een tiental euro meer heb je dikwijls bijzonder lekkere wijnen uit andere Franse wijnstreken op tafel staan. Met wat zoeken vind je voor € 15 zelfs flessen uit de subtop in streken als de Loire, de Rhône of de Languedoc. Het is dringend tijd dat de Bordelezen die les willen leren en daar ook de juiste conclusies uit willen trekken. Het volstaat niet meer wat te zaniken over oneerlijke concurrentie, vroegere tijden en naambekendheid. Zeker dat laatste werkt niet meer: de naam Bordeaux fungeert niet langer als het verguldsel om de bittere pil. Laat staan dat het aura van de topcru’s nog als kwaliteitsgarantie voor de hele wijnstreek gepercipieerd wordt. Het is hoogdringend tijd dat de basis van de Bordeaux-appellatie nieuw leven ingeblazen wordt, zodat dit marktsegment opnieuw levensvatbaar wordt en terug vast voet aan de grond krijgt bij de moderne consument, want het is zo’n sterke basis immers die de onnavolgbare status en hegemonie van de Bordeaux-wijnen wereldwijd zal bestendigen. Misschien is dat ook net de positieve zijde van een initiatief als deze Coup de Coeurs: er wordt terug aandacht besteed aan de fundamenten van Bordeaux en men realiseert zich eindelijk terug het belang van die onmisbare basis. Dat er binnen deze basis alvast hard gewerkt wordt en er echt mooie kwaliteit te vinden is, bewijzen de volgende 5 wijnen:
Benjamin de Chantegrive, Graves 2009 De enige witte in de reeks die ons criticasters wist te overtuigen: fris geelgroen van kleur met een rechte, strakke neus van passievrucht en witte bloemen. Een mespuntje rokerigheid in de neus en een heel klein beetje vanille in de mond doen vatrijping vermoeden. Eerder soepele aanzet met appel en weer wat rokerigheid in de mond. Mooie zuren houden deze witte Graves lekker sappig. Geef hem wat tijd in een karaf (daarmee verdwijnt dat fletse vanilledipje) en zet hem naast gepocheerde vis met een lichte saus. (Geïmporteerd door Colruyt, tussen € 7 en € 10)
Château Perayne, Bordeaux 2006 Frisse, heel levendig purperrode kleur met een dieppaarse weerschijn. Het lijkt wel alsof deze wijn nog piepjong is en elk moment zo uit het glas kan stuiven. Ook op de neus is hij lekker spannend: een lactische toets wordt snel vervangen door wat vers gebrande koffie, gedroogde ham en daarna koele cassisbessen, zoals ze alleen kunnen ruiken op een warme zomeravond achter in de tuin. Zet soepel en sappig aan in de mond, met veel spankracht en rijp besfruit. Alles blijft ondanks die rijpheid toch subtiel geschakeerd en fris tot in de afdronk die bijna als vanzelfsprekend bij deze wijn hoort. Verfijnde, beschaafde tannines. Een glas dat het ideale midden houden tussen eerder klassiek aandoende fraîcheur en moderne fruitigheid. (Geïmporteerd door Sommelier, tussen € 10 en € 15) Château La Mauriane, Puisseguin-Saint-Emilion 2007 Dieprode wijn met donkere kern en een typische merlot-neus van zeer rijpe bosbessen, wat blauwe pruimen en geroosterde kruiden. Ik houd absoluut niet van merkbare houttoetsen in wijnen, maar dit was wel één van die weinige voorbeelden, waarvan ik dacht ‘jammer misschien, maar geslaagd’.Boven het fruit was er heel subtiel wat zoete ceder te bekennen gemengd met diezelfde kruidigheid uit de neus. Lange, fruitige afdronk onderbouwd door stevige, grippige tannine. Kan nog wat mee, maar vraagt nu eigenlijk al om een sappig stuk gebraad. Denk aan hertengebraad zonder een al te zoete en vette saus of iets dergelijks. (Geïmporteerd door Henri Petré, tussen € 10 en € 15)
Château Anthonic, Médoc 2007 Een klassieke crowd-pleaser is deze kersenrode vaste waarde uit de Médoc. Zuivere neus van vers klein rood fruit. Frisse, puntige aanzet met krokante zuren blijven deze ronde wijn net spannend genoeg houden. Ikzelf vind het vleugje vanille dat de hele wijn omspeelt een beetje melig – het maakt de wijn een beetje te sappel – maar ik kan me heel goed voorstellen dat dit bij heel wat wijndrinkers een gelukzalige glimlach op het gezicht tovert. Nu drinken. (Geïmporteerd door Delhaize, tussen € 10 en € 15)
Château de Lestiac, 1éres Côtes de Bordeaux 2008 Dit was voor mij de feestwijn van de dag. Krachtig, maar gedistingeerd, geconcentreerd, maar elegant, kruidig, maar subtiel. Van in de neus tot in de laatste seconde van de afdronk blijft alles perfect in balans en lijkt elk deeltje perfect op zijn plaats te zitten. Ik noteerde een heel frisse neus, met veel cassissap, boombast, grafiet en vleeskruiden. Vlezig in de aanzet, met krachtige tannine en geconcentreerd sap. Deze wijn heeft zonder twijfel nog wat tijd nodig vooraleer je hem naast een sappige entrecôte aan tafel zet. (Geïmporteerd door Cora, tussen € 7 en € 10)
Buikgriep en sinusitis, het zijn vermoedelijk de ergste kwalen die een hedonist op zijn levensweg kan tegenkomen: geen trek hebben, niets ruiken, niets proeven, een aanhoudend hol gevoel in de maag, ... . Een vloek voor iedereen die zijn grauwe bestaan zo graag opvrolijkt met het beste dat natuur en cultuur ooit samen voortgebracht hebben: een goed bord, een goed glas, een gezellige tafel. Ik mocht dan enkele dagen geleden nog maar net als uit de doden herrezen voelen, het eerste wat me terug op de been bracht was een uitnodiging om buitenhuis bij te schuiven aan een bijzonder goede tafel.
1. Walking diner rev. Zo nu en dan moet Mr. Winejockey toegeven aan die onweerstaanbare drang zijn casserollen in te duiken. Omdat dat niet zonder de nodige gevolgen is, nodigt hij daarbij meestal enkele toevallige voorbijgangers uit om samen de geleden schade netjes op te kuisen. Dat is geen gemakkelijke klus, zeker niet met een aperitief en een zestal gangen voor de boeg. Je krijgt er zelfs onzettende dorst van, dus bracht elke passant ook maar meteen enkele lekkere flesjes mee. Een mens moet toch iets hebben om naar uit te kijken, niet? Altijd klaar om een helpende hand te bieden, waren Cabernette en ikzelf natuurlijk van de partij. Ga nu alsjeblieft niet over en weer kuieren voor Mr. Winejockey's voordeur: zo toevallig waren de voorbijgangers niet. Ze werden handmatig door de gastvrouw uit een meute peripatheten geselecteerd. Rond de tafel zat een handjevol halfgare foodfreaks (foodies vind ik maar een nuffig woord) dat de krokante garnaalkroketten (het visitekaartje van Winejockey’s keuken), een lekker smeuïg pompoensoepje, poedelig gekruld Hongaars varken of de sappige stukjes iets minder poedelig everzwijn zeker naar waarde kon schatten. Niet alleen de selectie van de ingrediënten was onberispelijk, maar natuurlijk ook – God verhoedde dat ik dit woord ooit neerschreef – de cuisson van de gerechten was perfect. Het kan misschien een beetje veel lof lijken, maar ik doe er toch nog graag een schepje bovenop. Ik voelde me immers een beetje de mislukte tovenaarsleerling die maar wat staat te klungelen in de werkplaats van de meesterkol. Een gevoel dat me wel meer bekruipt op zulke momenten. Het heeft op mij hetzelfde effect als het lezen van een artikel van één van de coryfeeën uit de literatuurstudie of de literatuurtheorie (mijn vakgebied): in plaats van me er wat aan op te trekken, word ik er een moedeloos van. Als ik mijn denkwerk, mijn schrijf- of kookkunsten vergelijk, vind ik mezelf steeds maar wat knullig aanmodderen. Hier was het de kruiding van de gerechten die het deed: subtiel en ondersteunend, maar toch net merkbaar. Juist genoeg om het hele gerecht op te tillen tot een hoger niveau, zonder daarbij gevoel voor nuance en het totale smaakbeeld uit het oog te verliezen. Er werd een paar keer gezegd: “Als je weet dat het erin zit, dan proef je het, maar anders niet.” Dat moeilijke evenwicht mis ik in veel keukens. Zelfs de chefs van heel wat toprestaurants blijken wel eens wat te zwaar of te licht te kruiden. Misschien is het zelfs wel één van de moeilijkste aspecten van het koken. Teveel van dit, te weinig van dat ... . Het moet enorm veel oefening en ervaring vereisen, maar ongetwijfeld ook aangeboren fingerspitzengefühl, om telkens opnieuw een mooi evenwicht te bekomen.
Ik had u graag wat laten watertanden met enkele foto’s van de gerechten en van de wijnen die we erbij proefden, maar ik vergat spijtig genoeg mijn camera (een goede reden om dit nog eens over te doen!). Hopelijk geeft een menu en een lijstje van de geproefde wijnen toch een beeld van een diner waarmee je de doden uit hun graf deed opstaan.
-paté van everzwijn, paté van hinde, paté van hert, Poilâne-brood, confit van ui, confit van witloof - pompoensoep, koriander - krulvarken, groene kool, paddestoelen, walnoten - everzwijnworst, witloof, aardappelpuree - ribstuk van everzwijn, knolselderpuree, gebakken pastinaak, fruitchutney - mangosorbet, gegrilde ananas, gerilde gember - baba au rhum, crème patissière, opgeklopte room
Onze – d.i. Cabernettes en mijn – favoriet was het stukje krulvarken. Dat was zo perfect gebakken dat ik er de tranen van in m’n ogen kreeg; “lame!”. Nee, het was gewoon het sappigste en smakelijkste stukje zwijn dat ik ooit at. De groene kool, paddestoelen en de walnoten, zeer sec bereid, gaven het herfstige karakter van deze gang meer breedte, terwijl het eerder lichte (toch voor vaken) Mangalitza-vlees voor het sap in het gerecht zorgde. Alleen al de heerlijke sensatie van dat mooi egaal aangebraden, wat veerkrachtige vlees dat bij elke beet gutsend sap vrijgeeft, deed me verlangen naar meer.
2. Hersenloos zuipen. Daarbij gingen de volgende wijnen in het glas. (Nee, er werd niet gezocht naar mariages: er werd gewoon hersenloos gezopen)
- Jacques Lassaigne, Brut Deze Champagne is ondertussen uitgegroeid tot een klassieker in ons midden: we leerden hem kennen in Bistrot de la Poste en waren meteen verknocht aan de ragfijne pareling, de sierlijke elegantie en de zeer heldere aroma’s. Van deze cuvée stonden twee flessen op de aperitieftafel: één uit 2007 en één uit 2009, waarvan, verbazingwekkend misschien, 2009 wat frisheid miste in vergelijking met 2007. De afdronk hield het meer op broodkruim dan op de sappige appels die je opwachtten na de brioche en citruszeste in de aanzet. Ik ben zelf niet de grootste Champagne-liefhebber, maar voor deze Lassaigne, een Fallet-Prévostat of een Bollinger (ja, traditioneel, maar verdomd goed), zal ik niet snel afslaan.
- Clemens Bush, Riesling Spätlese Trocken ** 7/16 2006 Een eerste fles van de drie die ikzelf meebracht. Tot mijn grote verbazing was ze haar zuren blijkbaar kwijt wat de natuurlijk de fraîcheur niet meteen ten goede kwam. In de neus was ze daarentegen niet mis met vooral gekonfijte agrumes, amandelpasta en een fijn vleugje pétrolé, maar in de mond nogal vlak en vermoeid met een alcoholbitter op het eind. Gelukkig redde de gastvrouw mijn gezicht door de fles met veel smaak praktisch op haar eentje te legen.
- Frank Cornelissen, Munjibela, 2009 Zoals alle wijnen die avond proefden we ook deze fles blind, maar niemand kon raden welke druivenrassen of welke streek we in het glas hadden. Het leek nog het meest een chenin blanc uit de Loire. Een misser van zo ongeveer 4000 km, want deze wijn werd op de Etna gemaakt met lokale witte druivenrassen. Dat we deze wijn dan toch situeerden in de Loire spreekt boekdelen. Voor een wijn die zo’n zuidelijke wortels heeft, had deze Munjibela een onwaarschijnlijke frisheid en sappigheid die ik spontaan nooit zou associëren met een Siciliaan (van COS heb ik zoiets bijvoorbeeld nog nooit geproefd). Lichtjes volatiel op de neus, met weelderig exotisch fruit, maar tegelijkertijd ook groene appel en een vreemde kruidigheid die ik moeilijk kan thuisbrengen. Ze doet me om de één of andere reden altijd denken aan sleedoorn of zelfs het lichtjes wrange van jeneverbes. Cabernette greep – hoewel ze Bobette was – toch een paar keer terug naar deze fles, een gebaar dat meer zegt dan een hele proefnota.
Na het pompoensoepje zetten we in met een flight van vijf gamays: - Francuska Vinarija, ‘Zelja’ 2008 Dit domein was voor mij de ontdekking op Megavino van dit jaar – een beurs waarop ik toch eigenlijk nooit de hoop koester wat nieuws te ontdekken: Servisch, maar opgestart door twee Bourgondiërs (Estelle en Cyrille) die het geluk – en de onbedorven wijngaarden – elders gingen zoeken. Ik zocht al een tijdje een frisse zomerwijn en met deze gamay leek ik hem gevonden te hebben: een sappige clairet gemaakt van 100% gamay Manchot à petit grain (dank je, D.!). Een fles waarvan ik mordicus zeker was dat ze zou overtuigen. Maar ook deze fles liet me compleet in de steek: zoetig, rond, géén zuren, echt géén. Het was precies of er een totaal andere wijn in de fles zat. Ik kon bijna onder tafel kruipen, al was het maar omdat ik hem met iets teveel tromgeroffel en trompetgeschal had aangekondigd. Moest ik al vrezen voor de volgende fles? - Sunier, Morgon 2009 Een ontdekking van Winejockey. Ik had er de rosé al van geproefd (zalig, een tikkeltje restzoet, ochtendbries, bloemig) die belachelijk goed was voor zijn prijs aan het domein. Ook deze Morgon, die natuurlijk veel krachtiger en geconcentreerder was dan zijn kleine broertje, was een schot in de roos: geconcentreerd fruit (maar natuurlijk geconcentreerd, of course!), met wat peperigheid en kruiden. Fantastische spankracht over de hele lengte en zo van die zuren waarop je zou willen surfen. Damn, die gast kan een stukje wijn maken. Ongelooflijk lekker. Een dozijn flessen zou in mijn kelder nog geen maand overleven. - Marcel Lapierre, Morgon 2009 Tja, die mocht vanzelfsprekend niet ontbreken. Winejockey en ikzelf hadden een dikke week ervoor de kans gekregen er wat van in te slaan, en die kans hadden we dan ook maar netjes aangegrepen (zeg nu zelf ...). Heel gesloten, nogal zwart voor een gamay zelfs en ook in de mond bien serré. Geconcentreerd ook weer (blijkbaar een kenmerk voor 2009 in de Beaujolais waar de één beter mee wist om te gaan dan de ander) en heel strak gestructureerd (gelukkig), maar veel te jong. Als Morgon de bewaarwijn van de Beaujolais is, dan is dit een typevoorbeeld, denk ik. 12 flessen, hoe moeilijk zou het zijn hier wat van te laten liggen ... ? Onmenselijk moeilijk. - Jean Foillard, π 3,14, 2007 De ‘top’cuvée van Foillard – niet dat ik geloof in topcuvées, maar bon – ook een Morgon, een Côte de Py voor wie het niet begrepen had, of voor wie het wil weten. Nukkige neus met veel volatiele aciditeit. Kwam wel rond na wat staan in het glas, maar bleef toch nogal aan de lactische, bitsige kant. Moeilijk de vinger op te leggen wat er scheelde: geen fout of onevenwicht, gewoon een fles die zich niet liet drinken. Lekker, maar niet op z’n best die avond, zoveel was wel duidelijk. - Hervé Souhaut, La Souteronne, Ardèche 2008 Gamay uit de Ardèche: er zullen er ondertussen wel zijn die denken dat ik moeite moest doen om rechtop te blijven zitten naarmate de maaltijd verder vorderde. Toch niet, inderdaad een gamay uit de Ardèche. Het schijnt dan nog wel dat die gamay de beste wijn is van Hervé. En dat wil ik echt wel geloven – ondanks het feit dat ik geen enkele van zijn andere wijnen geproefd heb – want dit was verdomd lekker. Niet echt charmant in het begin, het leek wel net of er plots een varken onder de tafel zat (rustiek!), maar dat kwam wel goed na wat geduld oefenen. Naar het eind van de avond werd hij voor sommige peripatheten zelfs de beste wijn van de avond: kruidig, haarfijn afgelijnd fruit, zuren die constant de spanning erin houden. Hell of a good wine.
Er was ondertussen al wat zwijnerij op tafel verschenen. Met de Hongaarse poedel achter de kiezen en tot worst gedraaid everzwijn voor de neus begonnen we aan een tweede flight wijnen. Allemaal verschillende druivenrassen deze keer en bovendien ook nog eens heel verschillende wijnen: - Domaine Peyra Weer zoiets waarmee St Etienne op de proppen kwam. Ik weet niets meer over deze wijn te vertellen dan dat hij verdeeld wordt door Jean-Marc Brignot. Waar hij vandaan kwam weet ik niet meer, van welke druivenrassen hij gemaakt werd wisten we toen al niet, ... enfin, een wijn voor de vergeetput bijna, ware het niet dat hij gewoon echt lekker wegzoop: pretentieloos lekker, en dan nog eens voor geen geld (hoeveel was het nu weer? 3 euri, 4 euri/fles? Ook vergeten). Iets wat je altijd wel in huis wil: simpel rood fruit, simpel wat kruiden erop, een beetje zuur erin, en klaar die handel, een lekkere fles. Gimme more. Om jezelf de eeuwige vergetelheid in te drinken. - Gérard Schueller, LN12, Pinot Noir, Vin d’Alsace 2008 Een oude bekende ondertussen, de LN12 van Bruno. Schuellers pinot noir is wat mij betreft het enige bewijs dat je in de Elzas wel goede wijn vindt gemaakt van pinot noir. Vergeleken met het traditionele kleffe goedje, dat meestal verexcuserend rosé genoemd wordt, is Schuellers pinot een krachtpatser uit de zwaargewichtcategorie. Maar soms, ... soms loopt het mis. Winejockey en ik hadden het al eens bij een andere fles gemerkt en deze fles had het ook weer, zij het in veel mindere mate : een vreemd, storend duf havermoutaroma. Bij die andere fles was de wijn praktisch ondrinkbaar geworden, bij deze fles stoorde het maar lichtjes, maar het versluierde wel de fraîcheur en het pittige karakter van klein rood fruit en veenbessen. - Domaine Viret, Emergence, Côtes-du-Rhône 1999 Ze mogen misschien wel compleet dolgedraaid zijn, maar de gebroeders Viret maken toch verdomd mooie wijn. Ook deze meer dan 10 jaar oude Emergence toonde dat nog maar een feilloos aan. Hij werd niet door iedereen gesmaakt, maar ik vond ‘m met zijn tertiaire aroma’s heel mooi samengaan bij het ribstuk van everzwijn. - Francuska Vinarija, ‘Tajna’ 2008 De derde wijn die ik meebracht die avond en de derde waarmee ik mijn gezicht verloor. Ook deze wijn is afkomstig van het Servische domein dat ik ontdekte op Megavino. Hij kwam toen enorm sterk uit de hoek : mineralig, sappig (natuurlijk), mooi, rijp fruit en géén hout. Eén van de weinige cabernet sauvignons (er zit eigenlijk ook 5% franc in) die ik lekker vind. Ik schonk hem uit, rook en ... vanille, aaaaaargh. Vanille, hoe kan dat nu? Het was precies of er een vanillestokje in de wijn zat. En te weten dat Cyrille en Estelle geen, maar dan ook geen één nieuw vat gebruiken. Ik werd er mottig van en stil en apologetisch. Tja, kan iedereen overkomen was het antwoord. Geloof ik best, maar damn, ik begon aan mezelf te twijfelen: proef ik niet fatsoenlijk meer of wat? Of heb ik zoveel brol gezopen de afgelopen maanden dat ik het verschil niet meer proef? En toch, nee, lag het aan de wijnen dan? Ik heb ze niet alleen geproefd, toch? Ik was toch niet de enige die deze wijnen, toen we ze eerst proefden, ontzettend lekker vond? Ik vond het achteraf bekeken ook heel vreemd dat alledrie de wijnen die ik meebracht het lieten afweten. Zoiets kan moeilijk aan de wijnen zelf liggen. Kwam het door de lange rit in het stormweer? Wie zal het zeggen.
Na de beide desserts – zalige baba – kon ik het persoonlijk falen gelukkig verdrinken in een glas vin jaune meets Champagne: - Fallet-Prévostat, Brut 1974 De récemment dégorgées van Fallet-Prévostat blijven voor mij wijnen die me over de streep haalden voor Champagne: blijkbaar bestonden er echt wel interessante wijnen in Champagne. Ze zijn voor mij de eerste aanzet geweest om Champagne wat meer te verkennen. Deze had misschien als minpunt dat hij praktisch geen bulle meer had, maar voor mij was dat geen minpunt, integendeel zelfs: dit was gewoon ontzettend boeiende stille wijn geworden, met een heel complex aroma van noten, koninginnewas, gedroogde citrusvruchten, enz. Een glas waarnaar je verlangt na zo’n avond: om te overklassen wat ervoor geproefd werd, om te vergeten wat voor rommel je zelf meebracht.
Absolute winners van de avond waren voor mij duidelijk de Sunier en de Fallet 1974, met de Sunier op kop. Suniers Morgon was zo’n zeldzame wijn waarover je eigenlijk niet veel kan zeggen net omdat hij zo af is. Vergelijkingen met minder of meer gaan niet op, deden niet ter zake. De fles stond op zich: het toonbeeld van evenwicht, mooie zuren die van in de aanzet tot de allerlaatste caudalie van de afdronk het pure gamay-sap structuur geven. Om intraveneus de rest van je leven van te genieten. Enkele dagen later kreeg ik van de gastheer een mailtje in de bus met een paar woorden van dank voor de fijne avond. Alsof hij ons moest bedanken. Nee, jongeman, de eer was geheel de onze. Winjeockey vond dat we het nog eens moesten overdoen: ik kan al niet wachten tot ik nog eens toevallig voorbij loop. En ik zal niet de enige zijn. Hopelijk breng ik dan ook maar wat flessen mee die het die volgende keer beter doen ... .
Hersentjes met Turbiana - Deel III: de draad van Ariadne door het trebbiano-labyrint
vrijdag, 08 oktober 2010 00:00
Amaronese
Waar waren we gebleven? Een beestig zware fles, juist ja. In die beestig zware fles zat dus een allerminst alledaagse wijn: vol, rijk, krachtig, ... . Zoals ik al zei: niet meteen het beeld dat we voor ogen krijgen bij het zien van het woordje trebbiano op een fles. Is dat niet het platte, weinig tot de verbeelding sprekende slobberwijntje dat je bij de Italiaan om de hoek bij je pizza Bolognese krijgt, wanneer je een half litertje wit van het huis bestelt? Niet meteen om over naar huis te schrijven. In het beste geval is het een eenvoudige dorstlesser, maar zelfs op die roem kunnen de meeste exemplaren niet bogen.
1. Trebbiano di Minos? Eerlijk gezegd, toen ik deze fles van Teresa cadeau kreeg, dacht ik: “ai, een trebbianoen dan nog wel in zo’n monsterlijke fles, daar gaat het mens vast en zeker veel teveel van haar geliefde lires aan neergeteld hebben (Teresa kon het niet laten van nog steeds met vele duizenden te tellen).” Nu ja, ik had beter kunnen weten. Dit was niet zomaar een trebbiano d’abruzzo, de klassieke trebbiano die je tot vervelens toe steeds weer in de karaf gegoten krijgt. Het leek wel alsof er een heel andere druif gebruikt was. Wanneer ik het aroma en het mondgevoel trachtte te vergelijken met druivenrassen waar ik wat beter mee bekend was, kwam ik niet veel verder dan een chardonnay die vreemdging met een pinot blanc. Een nogal knullige vergelijking vond ik zelf, dus kamde ik mijn wijngeheugen verder uit naar wat beters. De enige trebbiano die ik me nog herinnerde was een trebbiano spoletino van het Umbrische Perticaia: een heel nerveuze, vinnige wijn, met een prachtige mineraliteit en koele zuren. Het tegenovergestelde van deze wijn dus. Wat mij betreft was een Verdicchio dei Castelli di Jesi Riserva – denk maar aan de Pier delle Vigne van Zaccagnini – zowat de enige Italiaanse witte die een beetje in de buurt kwam, alhoewel daar de aroma’s van exotisch fruit altijd minder duidelijk op aanwezig zijn. Nu ja, het kon in dit geval ook de nogal frappante houtlagering zijn die me deed denken aan een Verdicchio Riserva. Met wat gegoogel kwam ik erachter dat de blend waaruit deze Filo di Arianna gemaakt was, zoals ik eerst dacht, geen chardonnay bevatte, wat die geslaagde respons op houtlagering wel meteen verklaard had, maar voor 100% uit trebbiano di lugana bestond. Ha, nog een andere trebbiano ... want er zijn er maar –tig verschillende trebbiano’s in Italië! Als je het lijstje erop naslaat, lijkt zowat elke streek, of misschien zelfs elk dorp een patent te hebben op zijn eigen type trebbiano. Trebbiano di soave, trebbiano d’abruzzo, trebbiano toscano, trebbiano di spagna, trebbiano romagnolo, ... en zo kan ik nog wel een paragraaf of wat verder gaan. Volgens de gevestigde waarden in de wijnschrijverij is het allemaal één pot nat. Het zijn alleen die chauvinistische Italianen die tegen heug en meug in volhouden dat die trebbiano van hun dorp toch anders – versta: beter – is dan die van buur- en overbuurlief. Tja, dat zijn alleen dingen die je als rasechte Italiaanse wijnboer kan begrijpen. 2. DNA, mysterieuze Etrusken en Sevillaans etymologees. Ik ben dan wel geen wijnboer, en al helemaal geen Italiaan, maar als ik zulke dingen lees, dan begint er wat te jeuken achter mijn voorhoofd. Het kan toch niet dat er zoveel verschillende types trebbiano bestaan en er nog nooit iemand op het idee gekomen is die eens deftig te vergelijken om eens en voorgoed te bewijzen dat het allemaal één en hetzelfde banale druivenras is? Op de site van Tenuta Roveglia werd ik over die trebbiano di lugana niet veel wijzer. Wat graven in de wijnboekenberg boven op zolder levert ook niet veel op. Zelfs het evangelie van Galet weet me deze keer niet echt te overtuigen. Er rest ons nog maar één optie: gaan grasduinen in de elektronische databases van gespecialiseerde literatuur. Met twee kliks is het al bingo: een artikeltje uit het tijdschrift Vitisvan een team Milanese biologen en bio-ingenieurs1 waarin verslag wordt gedaan van een genetisch onderzoek naar trebbiano en andere verwante druivenrassen of -variëteiten. Gegoochel met DNA, AFLPs, dNTPs, PCRs, PTC, SSRs, ... het staat, zoals zoveel van die gespecialiseerde artikelen bol van de obscure afkortingen, maar gelukkig is het besluit van het onderzoek zo klaar als een glas platgefilterde Muscadet: de zogenaamde trebbiano di lugana waarvan de Lugana-wijnen gemaakt worden, is helemaal geen trebbiano ofte ugni blanc. Meer nog, de hele reeks trebbiano's van hier en ginderachter zijn niet eens zo nauw verwant. Pardon? Even herlezen: "The high degree of variability among the cultivars of Trebbiano [...] indicates that they are of various origin", zo concludeert Dottore Labra2 samen met zijn team. Het staat er echt. Laten we eerst eens even kijken naar de etymologie van de naam trebbiano, want het is net die etymologie die door onze geliefde wijnschrijvers nog steeds op z'n Isidorus van Sevilla's gebruikt wordt om te verklaren waar een druif vandaan komt en met welke andere druivenrassen ze synoniem is. Niet meteen een betrouwbare bewijspiste als je 't mij vraagt. Zeker niet als we het over trebbiano hebben, want daar blijkt het etymologische gezwam meer droesem dan klare wijn in het glas op te leveren. De eerste vermelding van trebbiano, zo wil de etymologische traditie, is terug te vinden in het alom bekende Naturalis Historia van ene meneer Plinius, Plinius de Oudere wel te verstaan. U weet wel, de koene wetenschapper die de uitbarsting van de Vesuvius, zoals dat hoort, door nauwgezette observatie wilde bestuderen, maar er jammer genoeg gelijk zijn kees bij inschoot. Hij ging letterlijk en figuurlijk in rook op, die Plinius. Plinius sprak over vinum trebulanum3, een gerenommeerde wijn uit de Oudheid, afkomstig uit Campania. U hoort het al trebulanum, trebbiano, de klik is gauw gemaakt ... . Niet dus. Wat later is er een andere wetenschapper die het vanzelfsprekend beter weet: ene meneer Bacci, die in 1596 een boek publiceert met de plechtige titelDe naturali vinorum historia waarin hij laat blijken dat die goede oude Plinius de bal missloeg. De naam trebbiano zou afkomstig zijn van een Etruskische stad niet ver van Luni in Italië. Volgens Bacci waren het blijkbaar die mysterieuze Etrusken die de uitvinding van de Italiaanse slobberwijn op hun geweten hadden. Toch niet, zegt nog een andere: trebbiano is afkomstig van de oevers van de rivier Trebbia, vandaar de naam trebbiano, weet u wel. En zo kunnen we nog wel even verder breien aan een kluwen van gelijkenissen en koosnaampjes allerhande.
3. Turbiana. De klassieke morfologische studie waarbij men vormelijke karakteristieken van rassen en variëteiten met elkaar gaat vergelijken om zo synonieme en verwante druivenrassen op te sporen, blijkt al evenmin een grote hulp. Sommige trebbiano's trekken op elkaar als twee druppels zwalpwijn, andere lijken in de verste verte niets, maar dan ook niets met elkaar gemeen te hebben. Of toch? Er werd immers al langer gedacht dat de druiven waarmee Lugana traditioneel gemaakt werd, dezelfde waren als de trebbiano di soave, zogenaamd één van de betere onderrassen van de trebbiano, die - u raadt het al - voornamelijk in Soave gebruikt wordt samen met pinot blanc en chardonnay als blendpartner voor garganega, de hoofddruif van Soave. Nu wil de ironie dat die trebbiano di soave eveneens helemaal geen trebbiano is. Trebbiano di soave blijkt volgens het genetisch onderzoek van meneer Labra en zijn team identiek aan verdicchio: "A dendrogram of the results shows that Trebbiano di Soave and Trebbiano di Lugana were almost identical, sharing 97% of bands. Interestingly, cv. Verdicchio is almost identical with Trebbiano di Soave (99% band sharing)."4 De zurige, frisse witte druif met haar appel- en perzikachtige aroma's die de basis vormt voor de potentieel knappe witte wijnen uit Le Marche (Verdicchio dei castelli di Jesi en Verdicchio di Matelica) blijkt dus wijder verspreid te zijn over Italië. Net als zijn synonieme Noordervariant blijkt verdicchio ook heel mooi te reageren op een voorzichtige houtlagering. Aroma's van gedroogd fruit, balsem, honing, stro, met wat camille of zelfs iets licht anijsachtig zijn geen uitzondering. Dat klinkt allemaal nogal bekend in de oren, want zoiets zat wel in die beestig zware fles. Trebbiano di lugana blijkt bij benadering dus ongeveer hetzelfde druivenras te zijn als verdicchio. Bij benadering zeg ik wel, al laten we over die 97% maar niet te moeilijk doen: met wat minieme variatie gaat het toch om één en dezelfde druif. Alhoewel ... , dat is buiten de trots van de Italiaanse wijnboer gerekend. Die 2% afwijking is genoeg - zo lijkt het wel - om toch te claimen dat zij hier, de wijnboeren van Lugana, een ander druivenras in de kuip hebben. Een uniek druivenras, dat nergens anders ter wereld, en al zeker niet in Italië, geteeld wordt. En zo'n uniek druivenras moet natuurlijk een eigen naam hebben. Dat werd 'turbiana'. Geen trebbiano di lugana meer, laat staan verdicchio, maar 'turbiana', u hebt het goed begrepen. Ga nu alstublieft niet gaan beweren in de één of andere Luganese wijnkelder dat turbiana gewoon verdicchio is. Er zijn er al voor minder verzopen in een gistingsvat. Mocht u toch de onweerstaanbare drang voelen om op te scheppen met uw pas opgedane wijnkennis, vernoem dan mijn naam liever niet. Teresa wil ik liever niet op m'n dak. Ik dank u.
4. Sterke slobberscheut. Er blijft echter nog één vraag onbeantwoord. Waarom noemen die Italianen dan zowat elke druif waarvan men witte wijn kan puren trebbiano? Is trebbiano dan ooit ergens een synoniem voor kwaliteitswijn geweest? Pikten andere wijnbouwers elders in het land ook graag wat van de hype mee en noemden ze hun eigens druivensappig goedje dan ook maar trebbiano? Nee, niets van dat alles. De reden waarom deze naam zo wijd verspreid is, blijkt toch in de etymologie van de naam terug te vinden. Praktisch al deze rassen of cultivars blijken vigoureuze groeiers te zijn die niet malen om een trosje meer of minder. Je moet ze heel sterk terugsnoeien, want anders krijg je ... slobberwijn, juist ja. Nu heeft de naam trebbiano wel niets met het werkwoord 'slobberen' te maken. Dat ware te mooi geweest. Trebbiano zou daarentegen (volgens een zekere mevr. Hohnerlein-Buchinger5) afgeleid zijn van het Frankische 'draibio' wat niets anders betekent dan 'sterke scheut', een sterke groeier dus. En vermits al die druivenrassen zo sterk groeiden, noemde men ze dan maar allemaal hetzelfde. Efficiënt, niet? Spijtig genoeg maakte men er dan ook overal dezelfde wijn van: slobberwijn, pizza mit würstel-wijn, toeristenwijn, terrasjeswijn, ... bij Jupiter, what's in a name?
1 Labra, M. et al., "Genetic studies on Trebbiano and morphologically related varieties by SSR and AFPL markers", in: Vitis. 40 (2001), 4: 187-190. 2 Ibidem, 189-190. 3 Plinius de Oudere vermeldt nergens letterlijk de frase 'vinum trebulanum' in zijn tekst. Hij vernoemt [Boek 14, Hfdst. 6; we volgen hier de overzetting van Mayhoff 1906 online hier te vinden] de wijnen van Trebula samen met de andere wijnen van Campania als wijnen die recentelijk aan geloofdwaardigheid hebben gewonnen door "omzichtige teeltwijze of andere voorspoedige omstandigheden" (sive cura sive casu), alhoewel zij toch "dikwijls van het alledaagse soort zijn" (semper inter plebeia). In zijn context luidt dat: "Campania nuper excitavit novis nominibus auctoritatem sive cura sive casu ad quartum a Neapoli lapidem Trebellicis, iuxta Capuam Caulinis et in suo agro Trebulanis, alioqui semper inter plebeia et Trifolinis gloriata." Het lijkt er dus wel op alsof de frase 'vinum trebulanum' van latere origine is. Vermoedelijk stamt ze uit een mij niet bekende 16de eeuwse commentaar op Plinius' Naturalis Historia en is ze in de latere wijnliteratuur tot op de dag van vandaag een eigen leven gaan lijden. Een reden te meer om zulke etymologische verklaringen te mijden of toch minstens kritisch te benaderen. 4 Labra, M. et al., "Genetic studies on Trebbiano and morphologically related varieties by SSR and AFPL markers", in: Vitis. 40 (2001), 4: 189. 5 Hohnerbein-Buchinger, T., Per un sublessico vitivinicolo: La stora materile e linguistica di alcuni nomi diviti e vini italiani. Tübingen: Max Niemeyer, 1996. 247 p.