Door toeval nog eens op een vrijdagavond thuis, dat gebeurt praktisch nooit. Normaal gezien stress ik elke vrijdagavond op een overvolle trein en een heen en weer zwierende bus richting repetitie om me daarna enkele uren als bezeten zot te concentreren op wat verkreukelde vodden die wemelen van de muzieknoten ... . Daarna: een welverdiend schuimend glas bier en wat gezellig zeveren met kameraden. Een uitbolavond aan het eind van de week. Ik besluit dan maar ook wat lethargisch in een zetel te gaan hangen en maar wat voor me uit te zitten mijmeren.
Ik blijf hangen bij het gesprek dat ik enkele uren geleden had met zo één van de weinige geestesverwanten die je tegenkomt tijdens je eenzame dwaalwegen op deze aardkloot. We spraken af voor lunch bij Oreste - ja, Per Tutti, ik moet er nog altijd eens wat over schrijven - zo stilaan een vaste stek en niet zonder reden. Een glas Prosecco, caudastelle gevuld met kikker en ricotta in die onwezenlijke tomatensaus van hem, tournedos met wufte porcini en knapperige dooierzwammen, een keiharde ristretto. Een koppel of wat glazen wijn en een gesprek dat rustig voortkabbelde zonder richting, zonder doel, soms beiden de draad kwijt en toch weten waar we heen willen. Ideeën over wat een wijnblog zou moeten zijn, wat wij niet zijn, waarin we dan verschillend zijn. Wat meewarig gepraat over de benepen Vlaamse wijnpers. Wat wereldverbeteraarsgeneuzel. Wat gejank over onze eigen generaties die toch wat anders waren dan die van nu. Nog zelden te tijd zo weten voorbijglijden. Het kan verkeren.
Later zat ik nog wat uren te kantoorslijten. Lezen over psychomachie - don't ask, doesn't matter - in Mulish' romans, een best wel boeiend boek. Dan maar door van pek glimmende stromen mensen gewaad richting trein en een half uur of wat gedachtevlechten als papierslierten uit m'n neus zitten pieren, recht voor me uit, zonder gêne. "Wat moet wijn zijn om mij te kunnen boeien? Wat is wijn voor mij?", vraag ik me af. Want, of ik dat nu wil of niet, wijn moeten ergens aan beantwoorden om me te kunnen plezieren. Gelukkig geen setje regels, geen evenwicht zus en tannines zo. Geen eindeloze kolom kenmerken met vakjes ervoor die ik kan aanvinken. Nee, wijn moet mij iets kunnen vertellen. Een griezelsprookje, een jeugdzonde die hij beschaamd opbiecht, een prille kus waar slechts twee lippen vluchtig over elkaar vleien. Hij mag de wereld willen veranderen, angstig zijn om te leven en tegelijkertijd in absurde frivoliteit uitbarsten ... . Zoveel te vertellen. Zoveel om naar te luisteren. Ik moet geen wijnen die in blokjes op te delen zijn, blokjes die we netjes kunnen herkennen en opeenstapelen. Dat is veilig, we weten wat eraan hebben, maar het is evenzeer saai en verdovend. Ik wil wijn drinken die kan groeien in mijn hand, wijn die soms nog stinkt naar het slijk waaraan hij zich ontworstelt, langzaam opstaat en verlegen fezelt of net geluidsloos de mond opendoet, zacht begint te neuriën en aanzwelt tot een oorverdovend krijsen. Ik heb geen zin meer in wijnen die 'af' zijn. Ik wil wijnen die groeien, wijnen die weerbarstig zijn, nukkig in het glas gaan zitten schommelen en er niet uit willen. Ik wil geen wijnen als stationsromannetjes, glossies of kookboeken, maar volle glazen die mij hun verhaal vertellen als een gedicht, een roman, een essay dat ik met volle teugen kan drinken, bij stil kan staan, van gechoqueerd kan zijn, opnieuw moet lezen, opnieuw moet ontdekken, waarin ik meerdere stemmen door elkaar hoor, wrang klinkende dissonanten die de spanning opdrijven, enz.
Misschien mogen wijnen voor mij wel wat zijn als de muziek van Efterklang, een Deense experimentele rockgroep opgericht in 2000. Hun fantastische eerste album,Tripper, liet mij een paar weken als maar bij half bewustzijn rondlopen. Een heel eigen aanpak - polyfone zang, complexe ritmestructuren en heel strakke formele opbouw -, iets ongehoord in heel het post-rocklandschap. Alle elementen van dat laatste genre zijn er, maar ze worden stuk voor stuk tot hun uiterste gedreven. Invloeden van de industrial scene, meer bepaald van Einsturzende Neubauten, en de trip-hop zijn ook nooit ver weg. Elke song lijkt ook steeds weer te ontstijgen aan de ruis, groeit als uit zichzelf in het proces van het performen en waaiert steeds verder open in versiering en versterking tot hij uiteindelijk weer wegzakt in de ruis. Efterklang is schitterend in de studio, maar nog beter on stage. Ze spelen nooit, maar dan ook nooit hetzelfde. Heel wat songs krijgen maar vorm door ze uit te voeren en steeds nieuwe impro's op te nemen en uit te werken vooraleer de studio ingetrokken wordt. Het resultaat is telkens weer ontzettend doorleefde muziek die uitdaagt en koppig haar eigen leven gaat leiden. Muziek waar je eindeloos naar kan blijven luisteren.
Ik blijf hangen bij het gesprek dat ik enkele uren geleden had met zo één van de weinige geestesverwanten die je tegenkomt tijdens je eenzame dwaalwegen op deze aardkloot. We spraken af voor lunch bij Oreste - ja, Per Tutti, ik moet er nog altijd eens wat over schrijven - zo stilaan een vaste stek en niet zonder reden. Een glas Prosecco, caudastelle gevuld met kikker en ricotta in die onwezenlijke tomatensaus van hem, tournedos met wufte porcini en knapperige dooierzwammen, een keiharde ristretto. Een koppel of wat glazen wijn en een gesprek dat rustig voortkabbelde zonder richting, zonder doel, soms beiden de draad kwijt en toch weten waar we heen willen. Ideeën over wat een wijnblog zou moeten zijn, wat wij niet zijn, waarin we dan verschillend zijn. Wat meewarig gepraat over de benepen Vlaamse wijnpers. Wat wereldverbeteraarsgeneuzel. Wat gejank over onze eigen generaties die toch wat anders waren dan die van nu. Nog zelden te tijd zo weten voorbijglijden. Het kan verkeren.Later zat ik nog wat uren te kantoorslijten. Lezen over psychomachie - don't ask, doesn't matter - in Mulish' romans, een best wel boeiend boek. Dan maar door van pek glimmende stromen mensen gewaad richting trein en een half uur of wat gedachtevlechten als papierslierten uit m'n neus zitten pieren, recht voor me uit, zonder gêne. "Wat moet wijn zijn om mij te kunnen boeien? Wat is wijn voor mij?", vraag ik me af. Want, of ik dat nu wil of niet, wijn moeten ergens aan beantwoorden om me te kunnen plezieren. Gelukkig geen setje regels, geen evenwicht zus en tannines zo. Geen eindeloze kolom kenmerken met vakjes ervoor die ik kan aanvinken. Nee, wijn moet mij iets kunnen vertellen. Een griezelsprookje, een jeugdzonde die hij beschaamd opbiecht, een prille kus waar slechts twee lippen vluchtig over elkaar vleien. Hij mag de wereld willen veranderen, angstig zijn om te leven en tegelijkertijd in absurde frivoliteit uitbarsten ... . Zoveel te vertellen. Zoveel om naar te luisteren. Ik moet geen wijnen die in blokjes op te delen zijn, blokjes die we netjes kunnen herkennen en opeenstapelen. Dat is veilig, we weten wat eraan hebben, maar het is evenzeer saai en verdovend. Ik wil wijn drinken die kan groeien in mijn hand, wijn die soms nog stinkt naar het slijk waaraan hij zich ontworstelt, langzaam opstaat en verlegen fezelt of net geluidsloos de mond opendoet, zacht begint te neuriën en aanzwelt tot een oorverdovend krijsen. Ik heb geen zin meer in wijnen die 'af' zijn. Ik wil wijnen die groeien, wijnen die weerbarstig zijn, nukkig in het glas gaan zitten schommelen en er niet uit willen. Ik wil geen wijnen als stationsromannetjes, glossies of kookboeken, maar volle glazen die mij hun verhaal vertellen als een gedicht, een roman, een essay dat ik met volle teugen kan drinken, bij stil kan staan, van gechoqueerd kan zijn, opnieuw moet lezen, opnieuw moet ontdekken, waarin ik meerdere stemmen door elkaar hoor, wrang klinkende dissonanten die de spanning opdrijven, enz.
Misschien mogen wijnen voor mij wel wat zijn als de muziek van Efterklang, een Deense experimentele rockgroep opgericht in 2000. Hun fantastische eerste album,Tripper, liet mij een paar weken als maar bij half bewustzijn rondlopen. Een heel eigen aanpak - polyfone zang, complexe ritmestructuren en heel strakke formele opbouw -, iets ongehoord in heel het post-rocklandschap. Alle elementen van dat laatste genre zijn er, maar ze worden stuk voor stuk tot hun uiterste gedreven. Invloeden van de industrial scene, meer bepaald van Einsturzende Neubauten, en de trip-hop zijn ook nooit ver weg. Elke song lijkt ook steeds weer te ontstijgen aan de ruis, groeit als uit zichzelf in het proces van het performen en waaiert steeds verder open in versiering en versterking tot hij uiteindelijk weer wegzakt in de ruis. Efterklang is schitterend in de studio, maar nog beter on stage. Ze spelen nooit, maar dan ook nooit hetzelfde. Heel wat songs krijgen maar vorm door ze uit te voeren en steeds nieuwe impro's op te nemen en uit te werken vooraleer de studio ingetrokken wordt. Het resultaat is telkens weer ontzettend doorleefde muziek die uitdaagt en koppig haar eigen leven gaat leiden. Muziek waar je eindeloos naar kan blijven luisteren.
Twee voorbeelden (minstens beluisteren met koptelefoon, niet op van die speelgoedcomputerboxen):
Studio-opname van Doppelganger uit Tripper.
Chapter 6, ook uit Tripper, full throttle voor de Deense TV.
Ik drink er een glas Vin de Pays de Vaucluse bij van Elodie Balme, een blend van Merlot, Carignan en Grenache. Puur, rechttoe-rechtaan op het eerste gezicht, een beetje een lolbroek, tot er plots in de afdronk een mes hevige zwarte peper wordt ingezet en er van de hitte geschroeide kruiden, lavendel, stoffige greppels en zwarte olijven opduiken. Hij staat al een dag open en heeft nu weer heel wat meer te vertellen als gisteren. Elodie moet een ongecompliceerde jonge vrouw zijn (van mijn leeftijd?), geen opvallende schoonheid, vermoed ik, wel een aanhalig karakter met een open gezicht en daarachter, voor wie het weten wil, een felle overtuiging. Heerlijk lekker, ik kan mijn glas met moeite neerzetten. Ik wil er telkens opnieuw aan nippen, want had ik daar weer niet wat gemist?
De wijnen van Elodie zijn het verkrijgen bij Luc Van Innis' ViniPure in Leuven.
De wijnen van Elodie zijn het verkrijgen bij Luc Van Innis' ViniPure in Leuven.





