| Verjaag de winter, maak het warm in en om je heen |
| Carm. I,9 Je ziet hoe de witte Soracte ligt onder de hoge sneeuw, hoe de zwoegende bossen de last niet meer kunnen verdragen, hoe de rivieren gestopt zijn door de hevige vorst. Verjaag de koude door rijkelijk brandhout telkens opnieuw op de haard te leggen en haal nogal welwillend wijn van 4 jaar oud uit een tweeorige Sabijnse kruik, o Thaliarchus. Laat de rest over aan de goden zodra ze de zwoelige winden hebben doen neerliggen op de kolkende zee, worden noch de oude cipressen, noch de oude essen bewogen. Zoek alsjeblieft niet wat de dag van morgen zal zijn en reken bij de winst al wat van de dagen het Lot zal geven, minacht de zoete liefdes niet zolang je nog jong bent, en niet de reidansen zolang als de mopperende ouderdom afwezig is bij jou zolang je jong bent. Nu moeten opgezocht worden en het veld en de pleinen en het licht gefluister in de schemering op een afgesproken uur. En nu moet worden opgezocht het gegiechel van het verborgen meisje als een verklikker, diep vanuit een hoekje en de onderpand ontrukt aan de bovenarm of aan de vinger, die zich slecht verweerd. |





