Hersentjes met Turbiana - Deel III: de draad van Ariadne door het trebbiano-labyrint
vrijdag, 08 oktober 2010 00:00
Amaronese
Waar waren we gebleven? Een beestig zware fles, juist ja. In die beestig zware fles zat dus een allerminst alledaagse wijn: vol, rijk, krachtig, ... . Zoals ik al zei: niet meteen het beeld dat we voor ogen krijgen bij het zien van het woordje trebbiano op een fles. Is dat niet het platte, weinig tot de verbeelding sprekende slobberwijntje dat je bij de Italiaan om de hoek bij je pizza Bolognese krijgt, wanneer je een half litertje wit van het huis bestelt? Niet meteen om over naar huis te schrijven. In het beste geval is het een eenvoudige dorstlesser, maar zelfs op die roem kunnen de meeste exemplaren niet bogen.
1. Trebbiano di Minos? Eerlijk gezegd, toen ik deze fles van Teresa cadeau kreeg, dacht ik: “ai, een trebbianoen dan nog wel in zo’n monsterlijke fles, daar gaat het mens vast en zeker veel teveel van haar geliefde lires aan neergeteld hebben (Teresa kon het niet laten van nog steeds met vele duizenden te tellen).” Nu ja, ik had beter kunnen weten. Dit was niet zomaar een trebbiano d’abruzzo, de klassieke trebbiano die je tot vervelens toe steeds weer in de karaf gegoten krijgt. Het leek wel alsof er een heel andere druif gebruikt was. Wanneer ik het aroma en het mondgevoel trachtte te vergelijken met druivenrassen waar ik wat beter mee bekend was, kwam ik niet veel verder dan een chardonnay die vreemdging met een pinot blanc. Een nogal knullige vergelijking vond ik zelf, dus kamde ik mijn wijngeheugen verder uit naar wat beters. De enige trebbiano die ik me nog herinnerde was een trebbiano spoletino van het Umbrische Perticaia: een heel nerveuze, vinnige wijn, met een prachtige mineraliteit en koele zuren. Het tegenovergestelde van deze wijn dus. Wat mij betreft was een Verdicchio dei Castelli di Jesi Riserva – denk maar aan de Pier delle Vigne van Zaccagnini – zowat de enige Italiaanse witte die een beetje in de buurt kwam, alhoewel daar de aroma’s van exotisch fruit altijd minder duidelijk op aanwezig zijn. Nu ja, het kon in dit geval ook de nogal frappante houtlagering zijn die me deed denken aan een Verdicchio Riserva. Met wat gegoogel kwam ik erachter dat de blend waaruit deze Filo di Arianna gemaakt was, zoals ik eerst dacht, geen chardonnay bevatte, wat die geslaagde respons op houtlagering wel meteen verklaard had, maar voor 100% uit trebbiano di lugana bestond. Ha, nog een andere trebbiano ... want er zijn er maar –tig verschillende trebbiano’s in Italië! Als je het lijstje erop naslaat, lijkt zowat elke streek, of misschien zelfs elk dorp een patent te hebben op zijn eigen type trebbiano. Trebbiano di soave, trebbiano d’abruzzo, trebbiano toscano, trebbiano di spagna, trebbiano romagnolo, ... en zo kan ik nog wel een paragraaf of wat verder gaan. Volgens de gevestigde waarden in de wijnschrijverij is het allemaal één pot nat. Het zijn alleen die chauvinistische Italianen die tegen heug en meug in volhouden dat die trebbiano van hun dorp toch anders – versta: beter – is dan die van buur- en overbuurlief. Tja, dat zijn alleen dingen die je als rasechte Italiaanse wijnboer kan begrijpen. 2. DNA, mysterieuze Etrusken en Sevillaans etymologees. Ik ben dan wel geen wijnboer, en al helemaal geen Italiaan, maar als ik zulke dingen lees, dan begint er wat te jeuken achter mijn voorhoofd. Het kan toch niet dat er zoveel verschillende types trebbiano bestaan en er nog nooit iemand op het idee gekomen is die eens deftig te vergelijken om eens en voorgoed te bewijzen dat het allemaal één en hetzelfde banale druivenras is? Op de site van Tenuta Roveglia werd ik over die trebbiano di lugana niet veel wijzer. Wat graven in de wijnboekenberg boven op zolder levert ook niet veel op. Zelfs het evangelie van Galet weet me deze keer niet echt te overtuigen. Er rest ons nog maar één optie: gaan grasduinen in de elektronische databases van gespecialiseerde literatuur. Met twee kliks is het al bingo: een artikeltje uit het tijdschrift Vitisvan een team Milanese biologen en bio-ingenieurs1 waarin verslag wordt gedaan van een genetisch onderzoek naar trebbiano en andere verwante druivenrassen of -variëteiten. Gegoochel met DNA, AFLPs, dNTPs, PCRs, PTC, SSRs, ... het staat, zoals zoveel van die gespecialiseerde artikelen bol van de obscure afkortingen, maar gelukkig is het besluit van het onderzoek zo klaar als een glas platgefilterde Muscadet: de zogenaamde trebbiano di lugana waarvan de Lugana-wijnen gemaakt worden, is helemaal geen trebbiano ofte ugni blanc. Meer nog, de hele reeks trebbiano's van hier en ginderachter zijn niet eens zo nauw verwant. Pardon? Even herlezen: "The high degree of variability among the cultivars of Trebbiano [...] indicates that they are of various origin", zo concludeert Dottore Labra2 samen met zijn team. Het staat er echt. Laten we eerst eens even kijken naar de etymologie van de naam trebbiano, want het is net die etymologie die door onze geliefde wijnschrijvers nog steeds op z'n Isidorus van Sevilla's gebruikt wordt om te verklaren waar een druif vandaan komt en met welke andere druivenrassen ze synoniem is. Niet meteen een betrouwbare bewijspiste als je 't mij vraagt. Zeker niet als we het over trebbiano hebben, want daar blijkt het etymologische gezwam meer droesem dan klare wijn in het glas op te leveren. De eerste vermelding van trebbiano, zo wil de etymologische traditie, is terug te vinden in het alom bekende Naturalis Historia van ene meneer Plinius, Plinius de Oudere wel te verstaan. U weet wel, de koene wetenschapper die de uitbarsting van de Vesuvius, zoals dat hoort, door nauwgezette observatie wilde bestuderen, maar er jammer genoeg gelijk zijn kees bij inschoot. Hij ging letterlijk en figuurlijk in rook op, die Plinius. Plinius sprak over vinum trebulanum3, een gerenommeerde wijn uit de Oudheid, afkomstig uit Campania. U hoort het al trebulanum, trebbiano, de klik is gauw gemaakt ... . Niet dus. Wat later is er een andere wetenschapper die het vanzelfsprekend beter weet: ene meneer Bacci, die in 1596 een boek publiceert met de plechtige titelDe naturali vinorum historia waarin hij laat blijken dat die goede oude Plinius de bal missloeg. De naam trebbiano zou afkomstig zijn van een Etruskische stad niet ver van Luni in Italië. Volgens Bacci waren het blijkbaar die mysterieuze Etrusken die de uitvinding van de Italiaanse slobberwijn op hun geweten hadden. Toch niet, zegt nog een andere: trebbiano is afkomstig van de oevers van de rivier Trebbia, vandaar de naam trebbiano, weet u wel. En zo kunnen we nog wel even verder breien aan een kluwen van gelijkenissen en koosnaampjes allerhande.
3. Turbiana. De klassieke morfologische studie waarbij men vormelijke karakteristieken van rassen en variëteiten met elkaar gaat vergelijken om zo synonieme en verwante druivenrassen op te sporen, blijkt al evenmin een grote hulp. Sommige trebbiano's trekken op elkaar als twee druppels zwalpwijn, andere lijken in de verste verte niets, maar dan ook niets met elkaar gemeen te hebben. Of toch? Er werd immers al langer gedacht dat de druiven waarmee Lugana traditioneel gemaakt werd, dezelfde waren als de trebbiano di soave, zogenaamd één van de betere onderrassen van de trebbiano, die - u raadt het al - voornamelijk in Soave gebruikt wordt samen met pinot blanc en chardonnay als blendpartner voor garganega, de hoofddruif van Soave. Nu wil de ironie dat die trebbiano di soave eveneens helemaal geen trebbiano is. Trebbiano di soave blijkt volgens het genetisch onderzoek van meneer Labra en zijn team identiek aan verdicchio: "A dendrogram of the results shows that Trebbiano di Soave and Trebbiano di Lugana were almost identical, sharing 97% of bands. Interestingly, cv. Verdicchio is almost identical with Trebbiano di Soave (99% band sharing)."4 De zurige, frisse witte druif met haar appel- en perzikachtige aroma's die de basis vormt voor de potentieel knappe witte wijnen uit Le Marche (Verdicchio dei castelli di Jesi en Verdicchio di Matelica) blijkt dus wijder verspreid te zijn over Italië. Net als zijn synonieme Noordervariant blijkt verdicchio ook heel mooi te reageren op een voorzichtige houtlagering. Aroma's van gedroogd fruit, balsem, honing, stro, met wat camille of zelfs iets licht anijsachtig zijn geen uitzondering. Dat klinkt allemaal nogal bekend in de oren, want zoiets zat wel in die beestig zware fles. Trebbiano di lugana blijkt bij benadering dus ongeveer hetzelfde druivenras te zijn als verdicchio. Bij benadering zeg ik wel, al laten we over die 97% maar niet te moeilijk doen: met wat minieme variatie gaat het toch om één en dezelfde druif. Alhoewel ... , dat is buiten de trots van de Italiaanse wijnboer gerekend. Die 2% afwijking is genoeg - zo lijkt het wel - om toch te claimen dat zij hier, de wijnboeren van Lugana, een ander druivenras in de kuip hebben. Een uniek druivenras, dat nergens anders ter wereld, en al zeker niet in Italië, geteeld wordt. En zo'n uniek druivenras moet natuurlijk een eigen naam hebben. Dat werd 'turbiana'. Geen trebbiano di lugana meer, laat staan verdicchio, maar 'turbiana', u hebt het goed begrepen. Ga nu alstublieft niet gaan beweren in de één of andere Luganese wijnkelder dat turbiana gewoon verdicchio is. Er zijn er al voor minder verzopen in een gistingsvat. Mocht u toch de onweerstaanbare drang voelen om op te scheppen met uw pas opgedane wijnkennis, vernoem dan mijn naam liever niet. Teresa wil ik liever niet op m'n dak. Ik dank u.
4. Sterke slobberscheut. Er blijft echter nog één vraag onbeantwoord. Waarom noemen die Italianen dan zowat elke druif waarvan men witte wijn kan puren trebbiano? Is trebbiano dan ooit ergens een synoniem voor kwaliteitswijn geweest? Pikten andere wijnbouwers elders in het land ook graag wat van de hype mee en noemden ze hun eigens druivensappig goedje dan ook maar trebbiano? Nee, niets van dat alles. De reden waarom deze naam zo wijd verspreid is, blijkt toch in de etymologie van de naam terug te vinden. Praktisch al deze rassen of cultivars blijken vigoureuze groeiers te zijn die niet malen om een trosje meer of minder. Je moet ze heel sterk terugsnoeien, want anders krijg je ... slobberwijn, juist ja. Nu heeft de naam trebbiano wel niets met het werkwoord 'slobberen' te maken. Dat ware te mooi geweest. Trebbiano zou daarentegen (volgens een zekere mevr. Hohnerlein-Buchinger5) afgeleid zijn van het Frankische 'draibio' wat niets anders betekent dan 'sterke scheut', een sterke groeier dus. En vermits al die druivenrassen zo sterk groeiden, noemde men ze dan maar allemaal hetzelfde. Efficiënt, niet? Spijtig genoeg maakte men er dan ook overal dezelfde wijn van: slobberwijn, pizza mit würstel-wijn, toeristenwijn, terrasjeswijn, ... bij Jupiter, what's in a name?
1 Labra, M. et al., "Genetic studies on Trebbiano and morphologically related varieties by SSR and AFPL markers", in: Vitis. 40 (2001), 4: 187-190. 2 Ibidem, 189-190. 3 Plinius de Oudere vermeldt nergens letterlijk de frase 'vinum trebulanum' in zijn tekst. Hij vernoemt [Boek 14, Hfdst. 6; we volgen hier de overzetting van Mayhoff 1906 online hier te vinden] de wijnen van Trebula samen met de andere wijnen van Campania als wijnen die recentelijk aan geloofdwaardigheid hebben gewonnen door "omzichtige teeltwijze of andere voorspoedige omstandigheden" (sive cura sive casu), alhoewel zij toch "dikwijls van het alledaagse soort zijn" (semper inter plebeia). In zijn context luidt dat: "Campania nuper excitavit novis nominibus auctoritatem sive cura sive casu ad quartum a Neapoli lapidem Trebellicis, iuxta Capuam Caulinis et in suo agro Trebulanis, alioqui semper inter plebeia et Trifolinis gloriata." Het lijkt er dus wel op alsof de frase 'vinum trebulanum' van latere origine is. Vermoedelijk stamt ze uit een mij niet bekende 16de eeuwse commentaar op Plinius' Naturalis Historia en is ze in de latere wijnliteratuur tot op de dag van vandaag een eigen leven gaan lijden. Een reden te meer om zulke etymologische verklaringen te mijden of toch minstens kritisch te benaderen. 4 Labra, M. et al., "Genetic studies on Trebbiano and morphologically related varieties by SSR and AFPL markers", in: Vitis. 40 (2001), 4: 189. 5 Hohnerbein-Buchinger, T., Per un sublessico vitivinicolo: La stora materile e linguistica di alcuni nomi diviti e vini italiani. Tübingen: Max Niemeyer, 1996. 247 p.
Hersentjes met Turbiana - Deel II: I'll eat your brains out and I'd really love a glass of wine with it ...
donderdag, 23 september 2010 00:00
Amaronese
Kort geleden ... kort geleden? 3 maanden? Ik heb u wel ontzettend lang laten wachten op het vervolg van dit verhaal. Waarom, daar komt u nog wel achter. Laten we maar eens even verdergaan met dat laatste bericht. Even kijken ... we hadden het over lillend en bloederig vlees, met liefde gepaneerd en met gevoel gebakken in frituurvet: lamshersentjes met een zelfgemaakte tartaar. 1. Some wine, Clarice? Er een wijn bij paren was een hersenpeinigende hoofdbreker: die lieftallige breintjes zijn namelijk nogal vet (en dat is een understatement), je paneert ze en je bakt ze dan ook nog eens in frituurvet. Een zalig resultaat: het krokante korstje en de smeuïge bijna zelf naar buiten sijpelende massa die openbarst in je mond ... een echte sensatie qua textuur. Vet, zeker, geen aanrader voor cholesterolfreaks, maar de smaak en het mondgevoel doet me die zorgen snel vergeten. Paul Krendler kon het niet overtuigender verwoorden in Hannibal: "That smells great". "Wat zou dr. Lecter erbij geserveerd hebben?", vraag ik me dan af. Een volle wijn, ja, maar hij moet ook genoeg zuren hebben en deftig aromatisch zijn, want hij moet tegen de tartaar opkunnen. Een riesling? Daar lijkt het wel op, wanneer de wijn, waar Clarice om vraagt in beeld komt: een hock-fles, de smalle, hoge fles voor Duitse wijnen of wijnen uit de Elzas. En toch, ik had de laatste dagen al heel wat riesling achter de kiezen en wilde even iets anders. Mijn lodderig oog viel op een fles die ik ooit meebracht uit de streek rond de Zuidelijke Garda-oevers: een Lugana Superiore van Tenuta Roveglia, varend onder de ronkende naam Filo di Arianna.
De cruciale scène in Hannibal waarin zelfs het haar van de meest doorwinterde horrorfreaks recht overeind gaat staan.
Gebotteld in een waanzinnig dikke en zware fles lijkt dit echt wel zo het soort cuvée waarvan je denkt:"Ai, hier is wat te verbergen achter al die opzichtigheid". Ze was ook nog eens gemaakt van 100% trebbiano di Lugana, niet meteen een kwaliteitsdruif zo op het eerste gezicht. Is trebbiano immers niet die platte, weinig zeggende druif waarvan al even platte, weinig zeggende wijnen gemaakt worden in zowat heel Italië? Je kent ze wel, van die slobberwijntjes die je in elk hotel aan het Garda-meer in een karafje geserveerd krijgt bij pizza met würstel ... . En toch, ik wist dat dat niet zo kon zijn, want ik kreeg de fles van een de uitbaatster van één van de meest charmante Noord-Italiaanse hotelletjes waar we ooit verbleven. Teresa wist dat ik een wijnliefhebber was en dat ik in meer geïnteresseerd was dan de typische toeristenwijntjes of de klassieke internationale blockbusters waar ze je in zowat elke enoteca rondom het Garda-meer mee om de oren slaan. 's Avonds, terwijl we sigaren lieten verdampen op hun terrasje onder de geurende kamperfoelie, filosofeerden haar man - een echte capitano met een Nietzsche-snor - , mijn vader (ook met snor) en ik (voorlopig nog steeds zonder snor, want ik ben geen Spanjaard!) over wat er zo allemaal mis gegaan was in de Italiaanse wijnwereld. Echte wereldverbeteraars onder elkaar, die mekaar zelfs verstonden in het gebroken Italiaans dat mijn vader en ik er maar op los broebelden. Tja, er zomaar wat op los klagen en lekker nostalgisch worden - gedrieën meestal met toch een stukje in onze voeten - dat heeft ook zo zijn charmes, zeker wanneer er plots flessen oude, en nog steeds verrassend frisse freisa, grignolino of ruché (spreek uit roekéh, thx Mr. Haveanicewinetoday!) - enkele totaal vergeten druivensoorten uit Piemonte en Lombardia - op het gietijzeren tafeltje tussen het mist puffende gezelschap verschenen.
2. De kelder van Teresa. Ik kreeg van Teresa drie mooie flessen mee bij ons vertrek: de eerste was een Cascina Colombara (Martinoel) Riviera del Garda Bresciano Rosso, zo een vergeten appellatie waarin wel eens prachtige bewaarwijnen van sangiovese en Barbera kunnen gemaakt worden; een fles uit 1990, die nog geschonken werd op een buffet waarop George Mitterand aanwezig was, wist Teresa me te vertellen. Ik heb ze nog niet opengetrokken, want ik vrees er wat voor ... . Ze zal waarschijnlijk net als haar befaamde referentie, dood en passé zijn. Een tweede was een fles Giacomo Conterno Monfortino 1964. Ik mocht het niet vertellen aan haar besnorde kapitein (il mio marito), drukte ze me op het hart. Nee, dat geloofde ik best: ik wilde ze eerst zelfs niet aannemen. Er zouden er minder de echtscheiding voor aangevraagd hebben. Maar ja, tegen de wil van een echte Italiaanse mamma is niet veel in te brengen, dus stak ik ze maar goed in zilverpapier gewikkeld snel weg. De laatste fles was de Filo di Arianna. Die dronk ze zelf graag en het was een recente ontdekking van haar man. Met wat schaamrood op de kaken stapte ik in de auto en stopte mijn drie flessen netjes weg. Teresa stond ons uit te wuiven ... . Ik ben er sindsdien niet meer geweest. Een schande eigenlijk, want als er iemand weer een bezoek verdient, dan is het Teresa wel. Teresa had het wel weer bij het rechte eind: dit was een verduiveld goede fles. Ze was niet alleen goed, maar ook nog eens buitengewoon interessant. Een zeer visceuze, zware en rijke wijn zat in dat beestig zware glazen monster. De houtlagering was onmiskenbaar aanwezig, maar het was toch niet die houtlagering die garant stond voor het rijke aroma dat verwees naar supersappige nectarines, mango en gedroogd fruit. Het noterige karakter, de rondeur, dat was het hout, zeker. Maar er zat toch weer genoeg zuur onder om dat allemaal te dragen tot helemaal op het eind. Sappige frisheid miste ik misschien wel wat, maar toch ... dit was gewoon een knappe fles, al was het alleen al voor dat puntje springerige anijs in de afdronk. Meer nog, ik had zoiets nog nooit gedronken. Toch zeker niet van trebbiano. Dat moest ik toch maar eens uitvlooien ... .
Vlaamse Wijnblogdagen X - Over afvallers en blijvers - Deel II: What are the roots that clutch, what branches grow / Out of this stony rubbish?
donderdag, 10 september 2009 20:56
Amaronese
Eindeloze types wijndruiven brachten mens en natuur in hun intense wisselwerking gedurende een eeuwenlange wijngeschiedenis voort. De natuur bood de mogelijkheden, de mens maakte zijn onverbiddellijke keuzes. Tijd deed de rest. Het resultaat: een cornucopia aan druivenrassen, duizenden bladzijden tellende ampelografische encyclopedieën en een formidabele verscheidenheid aan smaken en stijlen. Over de oorsprong van de formidabele verscheidenheid aan druivenrassen die onze wijncultuur rijk is, schreven we vorig weekend al. Deze keer hebben we het over de populaire sterren en de lelijke eendjes van de wijngaard.
1.Voor elk wat wils. Maar willen we elk wel wat anders? Nee, natuurlijk willen we niet elk wat anders ... . De doorsnee mens is immers een gewoontedier dat zachtjes aan voortschuifelt over een al ontelbare malen voor hem platgetreden pad, de blik vast op de voeten gericht en met beide handen op de balustrades die het pad omzomen. Doodsbang om te struikelen of, veel erger nog, te vallen. Het gebaande pad, de zekerheid, de gewoonte, de traditie, de routine, ... daar houden we ons graag aan. Het is dus misschien niet echt wonderbaarlijk dat in Bordeaux bijvoorbeeld, toch wel de ster onder de wijnen die zoveel zekerheid en herkenning bieden, steeds weer en zelfs tot vervelens toe gealludeerd wordt op de oeroude traditie, de door de zucht der tijd gelouterde eeuwenoude gebruiken, de in de stoffige kelders van de wijngeschiedenis gewortelde know-how. Wie een beetje de geschiedenis van Bordeaux kent, weet echter dat die eindeloos herhaalde claim belachelijk is, tot op het absurde af. Zeker wanneer we het hebben over de nu zo beroemde grote Médocains.Tot voor de 12de eeuw was er slechts sprake van een serieuze aanplant van wijngaarden in de tegenwoordig dikwijls verfoeide Entre-Deux-Mers en wat later ook in de Graves. St-Emilion komt pas volop op het voorplan na de 13de eeuw. Alhoewel de toen verbouwde wijnen toen al afzetmarkten vonden in Groot-Brittanië en Nederland, ging het toch nog vooral om een productie die haar basisafzet voornamelijk in de lokale consumptie vond. Pas in de 17de eeuw wordt er werk gemaakt van de drooglegging van de Médoc en vanaf dan gaat de wijnproductie stijl omhoog. Bordeaux zoals we hem nu kennen is zelfs nog maar een goede 120 jaar oud. De verwoestingen die Phylloxera vastatrixaanrichtte in haast alle Europese wijngaarden kwam de Bordelese traditie niet te boven. Het Bordelese terroir bleek namelijk een uitermate geschikte habitat voor de druifluis te bieden. Traditie werd aangepast en hertaald naargelang de mogelijkheden om de wijnholocaust te overwinnen en natuurlijk ook naargelang de economische voorwaarden waarin de Bordelezen hun wijn kwijt moesten geraken (en dat is nu nog niet veel veranderd: doorblader de foldertjes van de supermarktwijnfestivals voor 2009 maar eens). Want, als Bordelezen ergens een traditie in hebben, dan zijn het wel sluwe handelspraktijken. Of zoals Edmund Penning-Rowsell fijntjes opmerkt in zijn standaard-Bordeauxboek: "Bordeaux certainly looked after its own and had a reputation for commercial shrewdness which it has by no means lost today". De hedendaagse Bordeaux trekt in nog slechts weinig op de Bordeaux van voor de tweede helft van de 19de eeuw. De dominerende druivenrassen waren toen (in volgorde), Malbec, Petit Verdot, Grand Verdot, Cabernet Franc en Carmenère. Merlot en Cabernet Sauvignon arriveerden pas laat: slechts vanaf het tweede kwart van de 19de eeuw werden ze stilaan (meer) aangeplant. Malbec, Petit Verdot, Grand Verdot en Carmenère vielen bijna af. Carmenère verdween zelfs praktisch helemaal (ze werd ook het zwaarst getroffen door Phylloxera). Cabernet Franc moest in haar areaal serieus inboeten ten opzichte van de nieuwlichters Merlot en vooral Cabernet Sauvignon. Niet zo rechtlijnig als men graag gelooft dus in Bordeaux, die traditie ... .
2. You cannot say, or guess, for you know only / A heap of broken images*. Wat ik wilde illustreren met deze tackle op Bordeaux is dat druivenrassen dikwijls een heel belangrijke, maar ook totaal afhankelijke rol spelen in de geschiedenis, the making of een wijn. Een ras dat eens geprezen werd en haast tot aan het eind van de wereld aangeplant leek, kan als in een vingerknip plots praktisch volledig verdwijnen, in de vergetelheid sukkelen. Dat heeft niet altijd te maken met de veronderstelde kwaliteit van het ras. Integendeel zelfs. Denken we maar aan Gamay. Een ras dat in de afgelopen decennia niet bepaald aan populariteit won (tot De bende zonder zwavel van zich liet horen?) en zelfs enkele eeuwen terug het ook al moest ontgelden omwille van haar vermeende slechte kwaliteit. Filips de Stoute liet de "Gaamez déloyal" in 1395 zelfs verbannen in Bourgondië omdat ze, volgens hem, grotendeels wijn "de très grande er horrible dureté" voortbracht. Toch verdween ze niet: ze was te sterk en te zeker in opbrengst om haar zomaar te laten vallen. Er hoeven echter niet altijd economische factoren in het spel te zijn voor het wel of niet vergeten van een druif. Landbouwher- vormingspolitiek kan een reden zijn. Of fysiologische en ecologische redenen liggen soms ook aan de basis van de plotse verdwijning van een druivenras. Een prachtige illustratie daarvan is het geval van Casavecchia, een vermeend uitgestorven druivenras, een tiental jaar geleden teruggevonden nadat het al een tweetal eeuwen undercover aanwezig was in de (wel degelijk) duizenden jaren oude wijngaarden van Campania in het Zuiden van Italië. Het verhaal gaat dat dit druivenras rond 1800 ontdekt werd door een boer tijdens zijn siësta. Na een voormiddag werken onder brandende zomerzon in zijn wijngaarden, besloot hij even verderop voor een middagdutje de schaduw op te zoeken in een oude ruïne: vier muren, zonder dak, een compleet bouwvallige rest van wat eens een boerderijtje was, niet ver van Pontelatone. Daar aangekomen werd zijn aandacht meteen getrokken door een letterlijk reusachtige wijnstok, die daar schijnbaar al ontzettend lang tegen de binnenzijde van een muur stond. Niet alleen het feit dat de wijnstok zou oud was (de doormeter van de stam bedroeg ca. 40 cm!), trok zijn aandacht, maar ook de plaats waar hij stond: de binnenzijde van een huismuur. Die was daar dus niet geplant en achtergelaten, maar was waarschijnlijk zelf uit een ontkiemd zaadje gegroeid, wat absoluut uitzonderlijk is voor cultuurdruiven. Dat het om cultuurdruiven ging was voor zijn ontdekker echter wel duidelijk: zowel de vorm van de trossen, de bladeren als de groeiwijze deden dat sterk vermoeden. Hij besloot er een loot van mee te nemen en die - zoals dat in het pre-phylloxera tijdperk nog de gewoonte was - in de grond te stoppen. De stok reageerde zo goed, dat hij enkele van zijn kameraad-boeren in de omtrek ook aanraadde een kijkje te gaan nemen. Het herontdekte ras werd Casavecchia genoemd, naar zijn vindplaats. In de loop van de 19de eeuw raakte de stok echter in vergetelheid. Meer nog, men was er zelfs van overtuigd dat hij de gruwelijke druifluisplaag niet overleefd had, tot eind jaren tachtig een zekere Peppe Mancini de brui gaf aan zijn advocatencarrière en besloot de rest van zijn leven te wijden aan de wijnbouw, zoals zijn vader, zijn vaders vader, enz. vele generaties voor hem hadden gedaan. Om zich wat in te werken in een beroep dat niet meteen het zijne was, besloot hij in de eerste plaats de familiegeschiedenis wat nader te bestuderen. In wat documenten van rond het begin van de 19de eeuw werd door één van zijn bedovergrootvaders melding gemaakt van het aanplanten van een curieuze wijnstok die wat verderop in een dorpje was aangetroffen. Peppe was meteen gefascineerd door het verhaal en liet omliggende wijngaarden ampelografisch onderzoeken. Het was al gauw raak: men trof er een rood druivenras aan dat duidelijk geen Aglianico of Piedirosso was, maar naar alle waarschijnlijkheid de roemruchte, maar voordien uitgestorven gewaande Casavecchia kon zijn. Samen met Peppe onderzocht de wijnfaculteit van de universiteit van Napels de druif en in 1989 werd ze voor het eerst wetenschappelijk beschreven als Casavecchia. En, alsof deze ondertussen met een rijke geschiedenis beladen naam nog niet genoeg was, ontdekte men ook nog dat dit druivenras misschien wel hetzelfde ras is als hetgene dat door Plinius de Oudere (23-79 n.C.) in zijn Historia Naturalis werd beschreven als Trebulanum, één van de beste wijnen van het Italiaanse vasteland. Het zou dus wel eens goed kunnen dat dit oeroude druivenras de vreselijke uitbarsting van de Vesuvius in augustus 79 die Pompeij, Herculaneum, Oplontis en Stabia compleet in de as legde, mysterieus genoeg overleefde. Wij proefden een paar maanden terug Peppe's formidabele ontdekking in zijn Centomoggia een 100% Casavecchia-cru van zijn eigen domein, Terre del Principe. Een zwartpaarse, fluwelig aanvoelende mondvol wijn met rokerige aroma's van zwarte bessen, hopbitters en balsamicocrème. Gelijkend op Aglianico, maar met een lagere zuurtegraad en wat vriendelijker van karakter: een warme, duizendjarige reus die met milde wijsheid de jachtige wijnwereld aan zich voorbij laat gaan.
Dit artikel werd geschreven in het kader van de Vlaamse Wijnblogdagen. Dit is de 10de editie. Andere vergeten ontdekkingen kan je terugvinden op:
Wine Jockey over een viertaal lievelingetjes die de tand des tijds minder goed doorstonden.
En dan natuurlijk tot slot een blik op Stephanes weergaloze kelder die alleen maar vergeten druivenrassen bevat !
*De titel van deze post en de subtitel van paragraaf 2 zijn citaten uit The Waste Land van T.S.Eliot, een icoon uit de modernistische wereldliteratuur. Ik vond zowel de teneur, als de motieven in The Waste Land wel van toepassing op de plaats van druivenrassen in de hedendaagse wijnwereld. Hier vind je een volledig geannoteerde elektronische editie van dit formidabele gedicht.
Vlaamse Wijnblogdagen X - Over afvallers en blijvers - Deel I: The origin of 'races'
vrijdag, 04 september 2009 23:24
Amaronese
Had u ook dat gevoel toen u voor het eerst enkele flessen Italiaanse wijn naast elkaar zag staan? U weet wel: dat gevoel van complete radeloosheid. Niet zozeer het radeloze en extatische gevoel van dankbaarheid aan een hedonistisch opperwezen dat u wel eens overvalt na het lustig legen van alle flessen, maar wel het gevoel van compleet verloren, zelfs verdwaald te zijn in een Minoïsch labyrinth van cryptische namen en codes op het griezelig volgekribbeld etiket. Zelfs als je met de nodige kennis van het Italiaans erachter gekomen bent waaraan je de naam van de producent of de appellatie kan herkennen, blijven er nog steeds enkele bevreemdende, dikwijls onuitspreekbare woorden over waarvoor zelfs je zakwoordenboekje geen uitkomst biedt. Het zijn vast eigennamen, want ze prijken doorgaans met hoofdletter op het buik- of rugetiket: Pecorino (is dat geen kaas?), Marzemino, Teroldego, Cortese, Freisa, Piedirosso, Durello, Tazzelenghe, Croatina, ... . Een waslijst wartaal, of de rode draad die ons uit de doolhof van de Italiaanse wijn leidt?
1. Een Chardonnay graag. Ja, die appelblauwzeegroene van vorige keer! Nu ja, waar maken we ons nu zorgen over? Om te weten te komen waar al dat geheimschrift voor staat, moeten we gelukkig niet meer de confrontatie aangaan met een rochelende, gebochelde bibliothecaris, uren en uren bladeren door zuur stinkende fichebakken tot onze vingertoppen zwart kleuren als pek, zuchtend en steunend ronddwalen door eindeloze rijen boekenrekken, ... , nee, niets van dat alles. Een beetje Googelen en het antwoord is enkele luttele muisklikken verder pasklaar opgediept. Deze vreemde eigennamen blijken al gauw niets anders te zijn dan de namen van druiven die gebruikt worden om wijn van te maken, de ene al bekender dan de andere. Merlot kennen we wel, Cabernet Sauvignon ook, Chardonnay zeker en Pinot Blanc ook. Je weet wel: de ene houdt van een rode Chardonnay, de andere van een witte en een enkeling vindt die rosé eigenlijk nog beter. Of toch maar niet? Als u nu fronst komt het allemaal wel goed; Nee, een rode Chardonnay en zelfs een rosé Chardonnay bestaan niet. Chardonnay is immers eeuwig en altijd een witte druif. Punt. Geen discussie mogelijk. En toch gaan sommige druivennamen een eigen leven leiden. Neem nu Chardonnay. Rood, wit of rosé, voor heel wat mensen maakt het niet uit, want die Chardonnay is gewoon de lekkerste. Zelfs als hij paars, indigo of appelblauwzeegroen was geweest, was hij gewoon de beste: Chardonnay is bijna een merknaam geworden. Een merk, dat alleen de lekkerste wijn maakt. Een beetje zoals 'cola': vragen we een cola, dan willen we in 99% van de gevallen een Coca-Cola. Krijgen we een Pepsi-, River- of Mecca-Cola voor de neus, dan voelen we ons afgezet: dat is niet de echte, niet de lekkerste. Roept men in Nederland de ober na voor een 'Sjardonneitje', dan verwacht men dat die met een verduiveld lekkere witte wijn komt aandraven. Niets meer, maar zeker niets minder. De realiteit zit evenwel wat anders in elkaar. Chardonnay is helemaal geen merknaam, verre van zelfs. De Chardonnay is maar één van de ontelbaar vele druiven die gebruikt worden om wijn van te maken. Lekkere wijn in heel wat gevallen, maar ook vieze wijn in minstens evenveel gevallen. De Chardonnay-druif is tussen die ontelbaar vele druiven wel een heel populaire druif. Ze werd zowat overal ter wereld - net niet voorbij de poolcirkel - aangeplant en wordt door de kenners geprezen als de bron van zowat de beste witte wijnen ter wereld: witte Bourgognes, en dan vooral van die peperdure, zeldzame cru's uit deze wijnstreek, à la Montrachet en co. Samen met de cru's die de druif voortbracht werd zij een wereldster. De topwijnen die zij voortbrengen kan, gelden voor een reusachtige schare wijnliefhebbers als dé toetssteen voor wat een uitstekende witte wijn zou moeten zijn. Geen wonder dat Chardonnay dus overal aangeplant werd: overal hoopt men een graantje mee te pikken van de onwrikbare reputatie die de druif door deze enkele uitzonderlijke cru's verwierf. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de naam van deze druif haast tot merknaam werd. Zoals de reclame van Coca-Cola haast op elke cafégevel prijkt, is zij opgetild tot het boegbeeld van de wittewijnkaart.
2. Doe maar van 't zelfde. Maar, hoe zit dat nu met die reusachtige waslijst aan Italiaanse druiven die zo trots op elk Italiaans wijnetiket vermeld worden? Wordt niet elke Italiaanse wijn gemaakt van Sangiovese, Nebbiolo, Barbera of Trebbiano? Helemaal niet. Gelukkig niet, zou ik zelfs durven zeggen. Naast de incontournables heeft zowat elke Italiaanse subregio zijn eigen legertje aan typische druiven die gebruikt worden om wijn van te maken. Italië spant zelfs - op de voet gevolgd door Duitsland en Turkije - de kroon qua hoeveelheid eigen wijndruiven. Je komt handen en voeten te kort om ze allemaal op een rijtje te zetten. Het zijn er zelfs zoveel (men schat minstens een 400-tal) dat zelfs doorwinterde Italiëkenners geregeld nieuwe ontdekkingen doen. Je kan je evenwel terecht afvragen waarom er zoveel verschillende wijndruiven nodig zijn. Waarom planten we niet gewoon allemaal Chardonnay aan voor wit (die overleeft toch overal) en Cabernet Sauvignon voor rood? Degelijk en oersterk zijn ze. Bovendien genieten ze nog eens een ijzersterke reputatie op de markt, dus verkopen loopt gegarandeerd van een leien dakje ... . De geschiedenis besliste er evenwel anders over. Archeologische vondtsen wijzen immers uit dat zeker de Romeinen en waarschijnlijk daarvoor zelfs de Etrusken al experimenteerden met het uitselecteren van druiven en druivenstokken die het best presteerden en de beste (of de grootste hoeveelheid) wijn opleverden binnen de gegeven omstandigheden (vnl. klimaat en bodem, maar ook de regionale smaak). Alleen met die wijnstokken werd verder gekweekt. Loten werden afgelegd (een manier van enten door een lange scheut tegen de grond te houden en opnieuw te doen wortelen) en de beste stokken werden vermenigvuldigd. Er werd met andere woorden aan kunstmatige selectie gedaan. Later - vanaf de late Middeleeuwen - werd ook geprobeerd goede kwaliteiten van verschillende wijnstokken te verenigen door ze met elkaar te kruisen. Lukte dat, dan verkreeg men een wijnstok die nog beter presteerde dan zijn twee voorouders. Soorten die sterker en betrouwbaarder bleken wonnen het dan logischerwijze van hun zwakkere neefjes en nichtjes. Heel wat streken in Europa bouwden op die manier langzaam maar zeker een traditie op in het kweken van bepaalde types wijndruiven. Elke streek had met andere woorden eigen wijntypes en wijnsoorten, lang voor er sprake was van appellaties of originebenamingen. Het duurde echter tot in de late 18de eeuw eer daar wat systematiek in gebracht werd. De natuurlijke historie - de voorloper van de huidige natuurwetenschappen, vnl. biologie, plantkunde en zoölogie - die zich gedurende 17de en 18de eeuw stilaan ontwikkelde, hield zich in haar studie voor een groot gedeelte immers bezig met het klasseren en groeperen van levende wezens op basis van kenmerken die zij gemeenschappelijk zouden hebben. De verschillende types wijndruiven en hun onderlinge verschillen en gelijkenissen bleken daarin natuurlijk een uitermate interessant, maar moeilijk studieobject. Een eerste doorbraak werd geforceerd door Carl Linnaeus, een Zweedse natuurvorser, die in feite de basis legde voor de huidige taxonomie - de tak van de biologie die de verwantschappen tussen verschillende levende wezens bestudeert - met iets ogenschijnlijk doodeenvoudige als de door hem in 1735 geïntroduceerde binominale nomenclatuur, een manier van naamgeven waarbij elke levend wezen benoemd werd met twee Latijnse of verlatijnste woorden. De eerste naam, de genusnaam of de geslachtsnaam duidt aan tot welk familiaal geslacht een levend wezen behoort. De tweede naam, de soortnaam of de speciesnaam, duidt aan om welke soort het binnen dat geslacht gaat. Linnaeus noemde de wijnstok Vitis en groepeerde alle verschillende gekweekte wijndruiftypes onder één en dezelfde soortnaam: vinifera, de druifdragende wijnstok met andere woorden. Ondanks de verschillen behoorden ze volgens Linnaeus tot één en dezelfde druivensoort en dat had hij best goed gezien. Later werden er nog andere Vitis-soorten benoemd, zoals Vitis rugosa, Vitis labrusca, Vitis rupestris, enz. Geen van die andere soorten bleek echter geschikt voor de druivenkweek, laat staan voor wijndruivenkweek.
3. Eugenetica in de wijnwereld. Chardonnay, Pinot Noir, Muscat d'Alexandrie, Ortega of Plavac mali, het maakt niet uit, ze behoren allemaal tot dezelfde soort. Ja, dezelde soort. Niks verschil, noppes, nada, ... . Enfin, tot op zekere hoogte toch, want, niemand zal het ontkennen: een Chardonnay is geen Zinfandel en omgekeerd. Dat wisten natuurvorsers in de 19de eeuw natuurlijk ook wel. De langzame en aanhoudende selectie gedurende honderden jaren had er immers voor gezorgd dat verschillende types wijndruiven erg van elkaar waren gaan verschillen en dus moeilijk zomaar met elkaar konden gelijkgesteld worden. Anderzijds kon men ook moeilijk gaan beweren dat elk type wijndruif een aparte soortnaam behoefde. Maar, wat lag nu aan de basis van die onmiskenbare gelijkenissen en tegelijkertijd ook die kleine verschillen die de ene druif blauw deden kleuren en de andere groen of de ene druif beter op arme zandgrond deden vrucht dragen en de andere eerder op vochtige kiezelgrond? En, hoe kwam het dat na slechts eeuwenlange selectie of na ontelbare kruisingen er pas een type druif ontstond dat wel goed tierde in de gegeven omstandigheden? Onafhankelijk van elkaar en vanuit een totaal andere invalshoek ontdekten Gregor Mendel en Charles Darwin het antwoord op die vraag. Gregor Mendel, een Silezische monnik die wat graag met reukerwten experimenteerde, ontdekte dat de kenmerken van een plant blijkbaar van de ene op de andere generatie doorgegeven werden door een specifiek soort dragers. De kenmerken (allelen) op die dragers (genen) bleken mekaar te versterken of net mekaar weg te concurreren. Als je twee planten met rode bloemetjes in plaats van de gebruikelijke witte elkaar liet bestuiven dan was afhankelijk van de sterkte van de kenmerken (de dominantie) de uitkomst verschillend. Was de rode kleur dominant, dan werd het merendeel van de nakomelingen rood, in het andere geval was het merendeel witbloemig. Door gericht te kweken konden zo bepaalde kenmerken in een bepaalde kweeklijn behouden en zelfs uitvergroot worden. Men kon zelfs verschillende kenmerken met elkaar combineren op dezelfde drager door juist te selecteren en juist te kruisen (bv. roodbloemige én ruwbladige plantjes). Aan de andere kant van de aardbol, zwalpend over de Pacifische Oceaan dacht Charles Darwin na over de tientallen vinken die hij op de Galapagoseilanden observeerde. Ze leken allemaal bijzonder sterk op elkaar, maar de ene soort had een dikke kegelvormige bek, de andere een smalle, pincetvormige bek, nog een andere soort had een gekruiste bek, enz. Op zulk een kleine oppervalkte, zo een groot aantal verschillende soorten, dat was toch maar al te eigenaardig. Darwin ontdekte evenwel snel waaraan dat lag: de vorm van de bek stelde de vinkjes in staat aan specifieke plantzaden te geraken. Waar de ene vink bij kon, kon de andere niet aan. Meer nog: op sommige eilandjes kwam maar één vinkensoort voor. Slechts één soort bleek in staat te overleven op die eilandjes. Darwin kwam tot de vaststelling dat de onderlinge concurrentie tussen de vinkjes en het feit dat bepaalde kenmerken die van de ene op de andere generatie werden doorgegeven lichtjes konden veranderen, aan de basis lagen voor die eigenaardige diversiteit. Die enkele vinkjes die in staat bleken andere zaden te bemachtigen als het gros van de soort waartoe ze behoorden, verhoogden immers hun overlevingskans omdat ze simpelweg gemakkelijker aan voedsel geraakten waar de anderen niet bij konden. Naast de reeds bestaande vinkensoort ontwikkelde zich zo - door succesvolle voortplanting en verdere ontwikkeling van dat afwijkende kenmerk - langzaam maar zeker een andere vinkensoort. Met wijnstokken is het niet anders. Zelfs de Romeinen - die met de technische achtergrond van natuurlijke selectie en de hedendaagse genetica nog lang niet bekend waren - merkten dat sommige planten sterker en beter bleken dan andere van dezelfde soort. Men ging steeds opnieuw de sterke planten uitselecteren en vooral met hun (afgelegde) nakomelingen verderwerken. Later ging men planten met specifieke kenmerken kruisen om zo hopelijk nakomelingen met net die twee kenmerken samen te bekomen. De mens speelde met andere woorden in op de kleine metamorfoses die van de ene tot de andere wijnstok voortkwamen en hielp daarmee schijnbaar de natuurlijke selectie een stapje vooruit. Het uiteindelijke resultaat is de enorme hoeveelheid aan verschillende types druivenstokken die we vandaag overal ter wereld tot zelfs in de meeste extreme levensomstandigheden aantreffen. Elk zijn ze een unieke verzameling van kenmerken die hen net in staat stelt op die specifieke plaats, in die streek het beste van zichzelf te geven. De mens bedreef met andere woorden een soort van kunstmatige selectie, een vroege vorm van eugenetica, gedurende de oudste geschiedenis van de wijnbouw. Het resultaat van die vele onophoudelijke selecties zijn druivenrassen, duizenden specifieke types zoals Chardonnay, Tazzelenghe, Frühburgunder, Grüner Veltliner, Ögözgulu, Pinotage, enz., die tot één en dezelfde druivensoort, Vitis vinifera behoren.
Vlaamse Wijnblogdagen VII - Same grape, same vine, same wine? To yeast or not to yeast, that's the question.
zaterdag, 07 februari 2009 00:00
Amaronese
Syrah versus Shiraz, Calicab versus Pauillac, Cahors versus Argentijnse Malbec, ... het zijn de typische paartjes die altijd als een optelsommetje afgerammeld worden wanneer er gevraagd wordt de zo gigantische verschillen tussen Nieuwe en Oude Wereld aan te halen. Steeds als antagonismen opgevoerd - de één als voorbeeld zus, de ander als voorbeeld zo - zijn het zo vaak tegengestelden met tussen hen in het grijsgedraaide, uitvlakkend praatje à la "wij doen het anders, maar toch hetzelfde" of netjes andersom: "wij doen hetzelfde, maar toch anders". Natuurlijk, we zijn maar mensen en houden ervan alles mooi in een nauw omlijnd, herkenbaar hokje te doen passen. Handig, comfortabel en vooral geruststellend is dat. Ieder het zijn, maar de één toch wat meer dan de andere, want tegengestelden zijn er nooit zonder een al te manicheïstisch, verholen waardeoordeel ... . Daar houden wij - de angry young tasters van de Orbis - niet van, dus laten we de clichés ditmaal maar voor wat ze zijn.
1. Cabernet Sauvignon!? Wat is dat? Hoe gaat dat wanneer je wijn leert drinken? Eerst drink je graag witte en liefst nog die fruitige witte. Niet die zoete hoor, maar toch die fruitige (die eigenlijk wel wat restzoet heeft, maar dat hoor je niemand zeggen). Die gaat lekker binnen op café en het staat nog sjiek ook. Wat later komen er flessen witte wijn in huis ... . Tof, in de lente 's avonds in de zetel voor de tv met een glaasje wijn. Lekker relaxen ... . Het wordt zomer, je probeert eens een roseetje. Ook niet slecht, dat kan al bij de barbecue zo hier en daar. Plezant! Al wit en rosé in huis. Tja, en dan staat daar ineens de winter voor de deur. In witte wijn heb je zo geen zin meer. Bij al die stevige, hartige vleesgerechten past dat eigenlijk ook niet. Je hebt het geprobeerd, maar ineens gaat die witte wijn die je nog zo goed kent toch echt wel anders smaken. Net als toen met die vinaigrette op het tuinfeestje in juni. Dat leek ook op niks. Ze zeggen dat er eigenlijk róde wijn bij vlees hoort. Maar, pfffffff, dat is zo wrang, niet je ding. Allez, je brengt toch eens een flesje van die Casillero del Diablo of zoiets mee van de Delhaize. Man, man, lekker! Nooit geweten dat rode wijn zo lekker kan zijn. "Koop daar nog maar wat flessen van als je de volgende keer boodschappen doet!" Een weekje later gaat er één van de nieuwe aanwinsten open. Tiens, ook een Casillero, maar die smaakt toch wat anders. Is dat nu wel dezelfde? "Je hebt de verkeerde flessen meegepakt!" Gehaast. Altijd hetzelfde. "En ik dacht nochthans dat het dezelfde fles was." "Mmm, 't is anders wel niet slecht dat hier." "Hé, die fles van vorige week staat hier nog in de glasbak." Eens vergelijken. Knal hetzelfde etiket! "De oplichters ... ." Hé, maar wacht eens, hier staat 'merlot' op en op die andere 'cabernet sauvignon'. Wat is dat? Even googelen ... . Tja, en zo ontdek je dat wijn wel eens van verschillende druivenrassen (NIET soorten - leg ik later wel eens uit) gemaakt wordt. Beetje beschamend als je er nu aan terugdenkt. Maar eigenlijk is dat helemaal niet zo. Bij zo ontzettend veel wijndrinkers gaat het op die manier. En, wat meer is, jij bent tenminste geen 'rode Chardonnay' gaan vragen in de wijnwinkel om de hoek, want dat gebeurt ook wel eens ... . Je kent ze wel ondertussen: Cabernet Sauvignon, Merlot, Carmenère, Shiraz, Malbec, Pinot Noir, en in het wit: Chardonnay, Sauvignon Blanc, Pinot Gris, Pinot Blanc. Dat is al een mooi reeksje. Het gaat als een lopend vuurtje door de familie: jij bent een wijnkenner! Iedereen weet je dat verzot bent op Shiraz. Sappig, zo met zwarte bessen, eucalyptus en vanille. Lekkerrrrrrrrrrrrr! Bij je volgende verjaardag krijg je een fles Côte-Rôtie cadeau van je broer. 't Staat er niet op, maar 't zit er wel in: Syrah of Shiraz (en een beetje andere dinges ook, maar dat is je broer al vergeten). 't Is allemaal hetzelfde, hoor. Een superdure fles ... zoiets zou je nooit voor jezelf kopen. 2 maanden later, op Kerstavond, gaat de kurk er af. Met veel ingehouden verwachting wordt er aan de glazen geroken en voorzichtig geproefd. Wat is dat nu? Is er iets met die fles? Dat smaakt zo anders en, oempf, wat een tannines man. 't Gaat wel bij het hertenkalf met morieljes, maar 't smaakt toch anders. Je kan er niet aan wennen. Na het diner is het gelukkig pakjestijd: goh, een fles Whisky en een fles Cognac van zoon- en dochterlief. Heerlijk! Wat een luxe. Proef je dadelijk van, met een sigaar natuurlijk. 't Is gezellig, 't wordt laat. De volgende morgen ... oeps, die fles staat daar nog. "Die zal wel slecht geworden zijn. Giet die maar weg!" "Allez, zo'n dure fles, zomaar wegkappen zeker. Zijde zot? Ik ga toch nog eens proeven, hoor." Tiens, dat is weer een andere wijn precies. Ook van die zwarte bessen, maar geen eucalyptus of vanille. Zo precies meer, allez, zo'n beetje als die champignons van gisteren en die saus zo ... en een beetje koffie. "Neenee, echt proef maar ... ." En zo ontdek je dat men niet overal dezelfde wijn van de dezelfde druiven maakt!
2. Onbekend. Onbemind? Onbevooroordeeld! Het klinkt echt allemaal zo idioot als je terugblikt op je lange wijnontdekkingsreis in een ver en grijs verleden. Daar is echter helemaal geen schande aan. Hoeveel wijnliefhebbers hebben zo niet hun eerste stappen gezet? Als ik eerlijk ben, dan moet ik erbij vertellen dat het mij niet exact zo verging als ik hierboven beschreef. Ik had het geluk een grootvader en een vader te hebben die erg geïnteresseerd waren in wijn. Hun interesses werden gestuurd door bepaalde keuzes en overtuigingen. Ideeën die soms niets met wijn te maken hadden en die dus de ene wijn deden verkiezen boven de andere - zelfs als hij van krek dezelfde druiven gemaakt was. Dat geluk had ik dus enerzijds, maar anderzijds werd ik me er ook al gauw van bewust dat er een heel verhaal, een heel kader aan ideeën over wat wijn dan wel of niet moest zijn in m'n hoofd zat en me eigenlijk belemmerde bij het vrije kiezen en onbevooroordeeld leren appreciëren van gelijk welke wijn. Zoiets geraak je nooit meer kwijt. Ik besef bijvoorbeeld heel goed dat een Italiaanse of een Duitse wijn toch nog altijd een heel klein streepje voor zal hebben bij mij. Je kan het alleen maar in toom houden door veel te lezen, heel veel te proeven (vooral met de instelling: "dat ken ik niet, dus ik proef het") en vooral nog meer te luisteren en te leren van kameraden, zeer ervaren proevers, sommeliers, ... noem maar op. Dat laatste heb ik dus ontzettend veel gedaan, en ik doe het nog steeds. Waarom? Wel, heel simpel. Eerst begin je te lezen wat het makkelijkst binnen je bereik ligt: kranten, weekendbijlagen, enz. (als student had ik voor die wijnboeken geen geld). Die worden je door veel mensen aangeraden. Bomma en nonkel Frans houden ze zelfs voor je bij. Er straalt een aura van geloofwaardigheid en authenticiteit vanaf. Wat zwart op wit gedrukt staat, geschreven door een 'wijnexpert', is waarheid, zo lijkt het wel. Alhoewel ... , ofschoon ik moet toegeven dat ze me op weg geholpen hebben, het gaat hier toch om een heel beperkte waarheid. Een waarheid gezien door een sleutelgat, het kijkgaatje van de verkoopscijfers. Veel te veel wijnartikelen in kranten en tijdschriften gaan altijd over hetzelfde. Het lijkt wel of sommige wijnjournalisten zichzelf keer op keer heruitvinden en recycleren. Volg je ze twee jaar met de gretigheid waarmee ik het deed, dan geraak je er snel op uitgekeken. Er zijn natuurlijk grote uitzonderingen, maar laat het nu net die uitzonderingen zijn die eigenlijk meer boeken en teksten voor websites schrijven dan krantenartikeltjes, en je weet genoeg. Ik zocht dus naar anders en meer. Zo was er het prille begin van de Orbis: studentenkameraden die elk wel hun eigen voorkeur hadden en mekaar probeerden te overtuigen. Waarschijnlijk is het die passie en de mogelijkheid om van mekaar te leren die de Orbis nog steeds doet bestaan, die misschien zelfs de drijfveer is achter wat de Orbis nu geworden is. Er waren en zijn nog steeds de verschillende Vlaamse Wijnbloggers die elk hun stokpaardje hebben en de wereld daartoe proberen te bekeren. Denk maar aan Vinejo en zijn Bandol, of Rick en zijn Jura-wijnen of Badische Spätburgunders - allemaal wijntypes die ik dankzij hen heb leren appreciëren en waar ik nu zelfs niet meer zonder kan. Of er zijn die enkele passionele wijnfreaks en wijnhandelaars die graag hun kennis en ontdekkingen met anderen delen: de zaakvoerders van De Wijn Kraal, Bert van De Wingerd, Oscar van Credo 1893, Gerd van Vinikus, Jacques van Troca Vins, Filippo van 'A Zamara, Bert de Coster, Dirk Rodriguez, Steve Bette, Sebastian Heiderich, ... ik vergeet er nog zoveel. Zo leerde ik wijn ontdekken. Elke wijn die mijn pad kruiste, zonder uitzondering.
3. Vuurwerk, gist en wilde wijn. En toch betekent dat niet dat je dan ook maar moet gaan denken dat je na zovele jaren alles kent. Integendeel, hoe meer je kent, hoe meer je beseffen moet dat bescheidenheid op zijn plaats is. Steeds duidelijker voel je aan dat je eigenlijk nog zo ontzettend veel te ontdekken hebt, dat er nog zo veel is, waarvan je nog niet het flauwste vermoeden hebt dat het bestaat. Zelfs geen inkling, zoals ze dat in het Engels zeggen. En dan zitten we meteen terug bij het onderwerp van dit artikeltje: zelfde druif, zelfde wijn? Pijnlijk was het, bij een goede wijnvriend op de sofa zitten, een gekarafeerde witte wijn proeven en maar niet kunnen raden wat het is. Zeker als die wijnvriend, in de andere sofa gezeten, meer en meer begint te glunderen omdat je bij elke gok steeds verder wegsukkelt van de waarheid in de fles. Ik mocht zo een paar weken geleden nog eens ervaren dat ik toch eigenlijk nog maar een groentje ben in de wijde wijnwereld. We zaten bij Menelaos in de living. Hij had een aperitiefje klaar voraleer we naar Vineeto trokken. Allez, 't is te zeggen, ik had een flesje Colle Barone van Jan Theys mee: had hij nog niet geproefd. Was jammer genoeg wat mis mee. Tja, dat kan nu eenmaal gebeuren met een biologisch of biodynamisch gemaakte wijn. Gelukkig had hij ook een aperitiefje voorzien. Iets speciaals. Jaja. Er zitten alleen maar 'rare dinges' in Menealos' wijnkast, dus daar keken wij al niet meer van op. Komt ie met een gekarafeerde witte wijn aandragen: "Deze morgen in de karaf gedaan." 't Was ondertussen al middag, ... hm. Met die wetenschap en die goudgele kleur begon ik al te denken aan een Vin Jaune of een Château Chalon of misschien wel een heel jonge Hermitage Blanc of zo. Ik hield mijn wilde associaties maar voor mezelf, want boven Menelaos' neus verscheen een ironische frons, dus wisten we dat we ons aan iets echt curieus konden verwachten. Goudgeel zoals gezegd. Wel een frisgroene tot bronsgroene reflectie, zoals je bij Franciacorta-Chardonnays wel eens aantreft, of bij Elzas-Riesling. Licht olieachtig in het glas, dus ik zat misschien wel in de goede richting ... . Hij was nog een beetje koud in het begin, dus zetten we het glas even neer en babbelden wat bij. Wat later stak ik m'n neus terug in het glas. Wow, wat een aroma: heel mineralig, limoen en exotisch fruit (papaya?), iets gistig. Strak, kristalhelder en puntig die neus. Dan maar eens proeven: heel nerveuze aanzet, vuurwerk van crackling and sizzling acidity (je kan het niet beter omschrijven in het Nederlands: in het Engels zitten de vuurwerkgeluiden erbij) en toch redelijk vet in de mond. Weer een beetje gistig met wat honing en echt verse fruitsla. Natuurlijk een natuurlijke wijn, dat kon ik zo wel raden, maar van welke druif? Natuurlijke Rheingau-Riesling of misschien zelfs uit Baden? Nee, nee, Menelaos zat er al mee te lachen. "Ok, Chenin Blanc dan, een Savennières, nog heel jong", gokte ik opnieuw. Met die tintelende zuren, dat kon toch bijna geen andere druif zijn als Riesling of Chenin Blanc. Ook niet! Chardonnay, dat was het en dan nog wel een Zuid-Afrikaanse Chardonnay gemaakt met 100% wilde gisten, dus niet van die strengetjes gemanipuleerde broodgist (vnl. Saccharomyces cerevisiae) die gewoon aan de most toegevoegd worden om de fermentatie te starten. Nee, deze wijn was vergist met de gemiddeld 8 miljoen gistcelletjes per druifje op een gezonde, niet bespoten druiventros. Gisten als Candida, Kloeckera, Pichia of Torulopsis, die allemaal een beetje anders werken dan de cultuurbroertjes van Saccharomyces die eigenlijk ook wel in het wild voorkomt op druiven. Het is een risico, zo met wilde gisten werken, zeker in Zuid-Afrika, waar sfeerverpesters als Brettanomyces niet van de lucht zijn (die geeft zo een dompige, stoffige stalgeur in veelvoud als er teveel van is). Maar, als het lukt en als je het kan, dan maak je er nog complexere wijn mee. Dat had ik wel al gemerkt: het was niet de eerste wijn gemaakt met wilde gisten die ik proefde. Je maakt er zelfs een beetje 'wilde' wijn mee, want dat was deze Chardonnay wel: hij liep niet meteen in het gareel van de Chardonnay in alle vormen en maten die ik zo goed dacht te kennen. Dit leek zelfs niet op Chardonnay, tot ik wist dat het Chardonnay was: een aha-Erlebnis, want er was genoeg van dat vettige, ronde, de typische citrustoetsen en zelfs een beetje Kaapse appel. Ik was er even niet goed van. Zelfde druif, zelfde wijn? Niet echt, nee, helemaal niet zelfs. Had Menelaos het niet gezegd, ik had hem nooit juist kunnen thuisbrengen. Ik voelde me weer een luis in de pels van de wijde wijnwereld en kon, voor de rest van het aperitief, net zoals Hamlet naar zijn schedel zat te staren, maar wat voor me uit zitten mijmeren terwijl ik diep in dat glas wild vergist sap bleef turen.
Dit artikel kwam tot stand in het kader van de zevende editie van de 'Vlaamse Wijnblogdagen'. Meer van dezelfde druiven, maar toch andere wijnen vind je op de volgende deelnemende wijnblogs:
Een mini-Judgement of Paris, maar dan met een schalkse twist doorpvo op Wijnblog.be
Wijngerdover Pinot Noir en zijn nostalgische mutant -Wijnmensover een supercombo maal twee: Alain Paret x Viognier - Disasterofwineover peperbolletjes en sigarenvaten opIkwilwijn.bemet een extraatje over la cause de différance
Wijnkennisbekijkt les Chardonnays door een oenologische bril
Nog even wachten op Rick van Château sans Pretention