The Orbis of Wine

A journey into wine by the True and Only Fratres Organoleptici

  • Vergroot letter grootte
  • Standaard letter grootte
  • Verklein letter grootte
Home Artikels Wijnkritiek
Wijnkritiek

Bordeaux Coup de Coeurs 2010 - Geen verguldsel meer om de bittere pil.

E-mail Print PDF
De wijnfestivals zijn voorbij, Megavino, het grootste wijnevenement van het jaar, zit ondertussen al wat minder vers in het geheugen en de meeste wijnhandelaars hebben hun herfstproeverijen weer achter de rug. Met het eerste sneeuwtapijt leek ook de rust teruggekeerd in wijnminnend België. Of is deze rust misschien slechts een zoveelste stilte voor de storm? De eindejaarsfeesten staan immers voor de deur en dan zijn de bubbels en de feestwijnen – economische crisis of niet – nooit van de lucht. Bubbel nummer één blijft de onklopbare Champagne, maar voor de feestwijn aan tafel is het pleit lang niet meer zo zeker beslecht.

1. Nonkelpastoor en marketingvirtuositeit.
Tot voor een tiental jaar terug was er bij hoge uitzondering slechts één wijn die aanspraak mocht maken op het plaatsje naast de klassieke wildschotel tijdens het kerstdiner. Een fles die steevast uit de goed gevulde kelder kwam van nonkel pastoor. Een wijn die al even steevast afkomstig was uit een streek waarvan de status minstens even sacraal was als de bewaker van voornoemde kelder. Bordeaux, met zijn vele appellaties en tot de verbeelding sprekende kasteelnamen, was de feestwijn bij uitstek. Wie zijn kerstdis wat van gepaste luister wilde voorzien kon niet omheen de Angélus, l’Evangile of Pétrus.
Natuurlijk kwam die benijdenswaardige positie van Bordeaux niet zomaar uit de lucht vallen. Wie er wat wijnboeken op naslaat, of eens de kans heeft om met adellijk heerschap uit de streek te keuvelen kan zonder veel moeite wel een handvol redenen bedenken voor het aura van wierook en heiligheid dat deze wijnen omgeeft. Zo is er dat clichématige verhaal van nonkel pastoor die met zijn broeders in de godsvrucht samenaankopen van ettelijke tientallen kisten plaatste rechtstreeks bij de kastelen zelf. Een verhaal dat misschien best met een korreltje zout genoten wordt, maar nog altijd zijn waarde heeft. Achter elk cliché schuilt er immers een waarheid. Er zijn anderzijds nog heel wat andere redenen die Bordeaux promoveerden tot wijn nummer één aan de plechtige tafel. De vlotte verkrijgbaarheid over de grenzen heen is er daar ongetwijfeld één van. Die dominantie op de internationale markt is in feite niets minder dan de onschatbare erfenis van de vele eeuwen magistrale handelspolitiek die door de Bordelezen gevoerd werd. De classificatie van 1855, die nauw samenhangt met die geweldige marketingvirtuositeit, mag je ook niet onderschatten. Bordeaux was immers de eerste wijnstreek die de consument van een helder en betrouwbaar – want zogenaamd door onafhankelijke experts opgestelde – kwaliteitsgids voorzag. Zelfs voor de grootste leek was duidelijk welke wijnen tot de absolute top behoorden en welke die top net niet haalden, maar er toch zeer dicht bij in de buurt kwamen.
De mythische status die deze classificatie nog altijd geniet door het historische aura dat ze door de jaren heen verwierf, heeft aan die vermeende betrouwbaarheid alleen nog maar bijgedragen. Bovendien was er ook die, thans voor vele consumenten, onbewuste link die gelegd werd tussen de chateaus, hun adellijke bewoners en een toonaangevende positie. Wanneer je je disgenoten kon tonen dat jij wist wat aan de tafel van de elite gedronken werd, kon je jezelf opvoeren als een echte kenner. Meer nog, wanneer je je gasten ook nog eens kon laten proeven van hetgeen onder de elite als het hoogste goed beschouwd werd, behoorde je zelf ook een stukje tot het kruim van de samenleving.

2. De nostalgie van het vertrouwen.
Pure nostalgie, bedenk ik terwijl ik de bovenstaande paragraaf neerschrijf. Het aura rondom Bordeaux is er nog wel, maar de nonkelpastoors en de traditionele wildschotels zijn ondertussen ofwel tot stof en as herleid ofwel even veranderlijk geworden als de outfits van Lady Gaga. Wanneer ik me probeer voor te stellen hoe wijn geapprecieerd werd in die lang vervlogen tijden, verschijnen me zwart-witfoto’s van literaire banketten met de grijze buste van een papaal glimlachende Walschap of een hypochondrisch fronsende Roelants voor de geest. Ik hoor terug de verhalen over de bacchantische feestmaaltijden met aan de kop van de tafel de Van den Boeynantsen en de Eyskens van weleer. Of ik grasduin door de melancholische herinneringen aan de Bordeaux-cru’s die met veel plechtige gebaren werden ontkurkt op de familiefeesten in mijn jeugd. Allemaal vervaagde taferelen uit een verleden tijd en een verdwenen wereld. Alleen de wijn die de feestgangers van toen begeesterde, lijkt de tand des tijds doorstaan te hebben. Niet alleen de zovele flessen uit de jaren ’50 of ’60 die nog steeds weten te verrassen met soms prachtig geëvolueerde wijnen zijn daar het lekkerste bewijs van, maar ook het haast smetteloze blazoen dat Bordeaux nog steeds weet op te houden laat uitschijnen dat er op wijngebied niet erg veel veranderd is.
Of toch? Met de toenemende welvaart in West-Europa en de Angelsaksische wereld werden de topcru’s uit Bordeaux voor een breder publiek beschikbaar. Ook de gegoede middenklasse kon af en toe genieten van deze vloeibare luxe. Er werd zelfs meer en meer wijn gedronken op regelmatiger basis. Wijnen van een iets bescheidener allooi uit de Médoc, de Haut-Médoc of de satelietappellaties van Saint-Emilion werden voor heel wat wijnliefhebbers min of meer dagelijkse kost, een ‘doordeweeks wijntje’. Tot in de tweede helft van de jaren ’70 de crisis om zich heen greep: de Westerse economie kwakkelde, mensen gingen gemiddeld wat minder verdienen en Bordeaux-wijnen werden relatief gezien een beetje duurder. Wijndrinkers zochten van de wederomstuit naar wat anders: de gloriedagen van de Corbières, de Bergerac en de Beaujolais waren aangebroken. Bordeaux werd een dure wijn. Zelfs in de supermarkten, waar er steeds meer wijn gekocht werd, bleven Bordeaux een diepere duik in de beugel vergen.
Op zich versterkte dat eerst die elitestatus waar de Bordelezen al decennia op konden bogen, maar gaandeweg werd de concurrentie met andere Franse wijnregio’s of andere Europese wijnlanden zoals Italië en Spanje groter. Daar werd in eerste instantie dubbel op gereageerd: voor de wijnen uit het topsegment werd gezocht naar nieuwe markten. De Britse en Europese markt, bleek, volgens de analisten, aan het toenmalige prijspunt immers verzadigd. Een conclusie waarbij misschien de kar wel voor het paard gespannen werd, want, wat was er eerst? De prijsverhoging of de verzadiging van de markt aan het toenmalige prijspunt? Die andere markt werd snel gevonden: de Verenigde Staten bleken, anders dan de traditionele Europese en Britse markt, snel de verhoopte hoeveelheid extra cash te genereren. Bovendien bleek naambekendheid er al voldoende om te verkopen. De marketingbonzen van Bordeaux vonden ook steun bij de nieuwe, wijdverspreide tijdschriften die de Amerikaanse wijnliefhebber wegwijs wilden maken in de Europese, en in eerste instantie voornamelijk Franse wijnwereld. Na enkele jaren overzeese marketing verrees er zelfs uit het niets een nieuw soort ‘wijnliefhebber’ dat in Europa al enkele decennia bestond: de wijnbelegger die grote cru’s met hele kisten tegelijk opkocht – liefst en primeur, want ook die Bordelese marketingtruc bleek in de Nieuwe Wereld in goede aarde te vallen – om ze daarna liefst jaren en jaren ongeopend in een donkere kelder weg te bergen, tot de waarde ervan aanzienlijk gestegen was. Beleggen in wijn werd professioneler aangepakt en ook weer begeleid door tijdschriften als WineAdvocate en Winespectator. De Bordeauxverkoop schoot als een raket de hoogte in. Zelfs voor de reeks abominabele millésimes die elkaar in het begin van de jaren ’90 opvolgden was de vraag groter dan het aanbod. Iets wat wijnbeleggers en kasteelheren als muziek in de oren klonk. Stelselmatige prijsverhogingen in het topsegment waren het logische gevolg.
Anderzijds werd er ook gereageerd op de bikkelharde concurrentie in de onderzijde van het wijnaanbod. Hoogtechnologische vernieuwingen in de wijnproductie en het onderhoud van de wijngaard verlaagden de productiekost aanzienlijk, vergemakkelijkten het bekomen van een betrouwbaar eindproduct en maakten het produceren en verhandelen van grotere volumes wijn eenvoudiger. De eerste merkwijnen zagen het licht (denk aan Mouton-Cadet of D’Ourthe No. 1) en ook de supermarktcuvées werden gemeengoed. Binnen de generieke appellaties als Bordeaux en Bordeaux Supérieur werd het gemakkelijker om tot dan toe ongekende hoeveelheden bulkwijn te produceren. Met de economische vooruitgang van het eind van de jaren ’80 en de daaropvolgende jaren ’90 werd dat dichotome systeem bestendigd: de cru classés werden alsmaar duurder en stilaan onbereikbaar voor de gewone consument. Wilde die Bordeaux blijven drinken, dan zag die zich gedwongen af te zakken naar de lagere regionen van het assortiment. Zelfs wie een beetje meer kon spenderen liet de premier en deuxième cru’s links liggen en zocht zijn heil in quatrième of cinquième cru’s die waar voor hun geld boden, of die enkele tweede en derderangskastelen die na enkele decennia wanbeheer ook de rijkdom geroken hadden en naarstig werkten aan het oppoetsen van hun imago. Minder vermogende wijnliefhebbers die het moderne geweld van de Italiaanse en Spaanse nieuwlichters wantrouwden, werden gedwongen de vroegere feestwijnen in te ruilen voor de ‘doordeweekse wijntjes’. De fles voor alle dag werd een kleine Bordeaux of een Bordeaux Supérieur, als je niet wilde meesurfen op de opkomende hype van de Nieuwe-Wereldwijnen tenminste.
Na de exorbitante prijsstijgingen van 2000 en 2005 werd die evolutie bestendigd: de cru classés werden de absolute top van het wijnaanbod, de gewone wijnliefhebber moest zich maar tevreden stellen met de generieke wijnen. Elk château dat tussen deze twee stoelen in viel, zag zich genoodzaakt ofwel sterk te investeren in een image revamp en een betere zichtbaarheid op de markt, ofwel overstag te gaan voor de productie van goedkope bulkwijn. Als je de wijnrekken in de supermarkt of het aanbod van een doorsnee wijnimporteur bekijkt, is deze evolutie duidelijk merkbaar: onbekende châteaunamen aan prijzen tussen de € 8 à € 15 vind je wel, maar het is een minderheid in het aanbod. Blijkbaar ligt dit type wijnen niet echt goed in de markt. Daar komt nog eens bij dat het verjongde wijndrinkende publiek andere smaakeisen stelt aan de wijn die in het glas komt op party’s, kotfeestjes of weekenduitstapjes. Die wijn moet jong en fruitig (dikwijls zelfs wat zoetig) zijn. De kruidige, soms zelfs ronduit vegetale en droge wijnen uit Bordeaux blijken geen waardige kandidaten voor partywijnen. En ook de generatie dertigers die hen opvolgt, kiest eerder voor een toegankelijke, fruitige wijn die geen pijn doet in de portemonnee: Spaanse, Italiaanse, Zuid-Franse of Nieuwe-Wereldwijnen zijn de eerste keuze. Bordeaux staat voor deze jonge wijndrinkers gelijk aan te dure wijn, voor kenners, voor beleggers of ‘voor mensen met teveel geld’. Je mag dan nog steeds aanzien worden als de absolute top van de wijnwereld, maar als je je een imago van onbereikbaarheid aanmeet voor de jonge, verkennende consument, prijs je jezelf op lange termijn natuurlijk compleet uit de markt.
Het lijkt wel alsof dat blindelingse vertrouwen in Bordeaux pure nostalgie geworden is, een verhaal uit een vergeten, verleden tijd.

3. Het verguldsel om de pil.
Natuurlijk zijn de Bordelezen daar ook al lang achter en wordt er dus het een en ander ondernomen om dat imago bij de jonge consument of het grote wijndrinkende publiek te veranderen. Dat gaat van initiatieven als het restylen van het klassieke Bordelese etiket voor basiswijnen, over het promoten van wijncocktails, met als basiswijn steeds een Bordeaux, tot het opvijzelen van de Cru Bourgeois-status in de Médoc. Waar de laatste twee waarschijnlijk wel wat vrucht zullen afwerpen – alhoewel ik vermoed dat de impact ervan klein zal zijn – kan men zich afvragen of het restylen van het etiket een wijn beter gaat doen verkopen, laat staan dat het de bodemklassewijnen van een bestaande appellatie zal weten op te waarderen. Ik moet nog altijd terugdenken aan het standje dat vorig jaar naast ons stond op Megavino: een Portugees die zijn ‘Sexy Wines’ aanprees, want zo heette het overeikte en overrijpe goedje dat in een slank flesje met daarop een knalroze etiket aan de man werd gebracht. Er werd eerder mee gelachen dan dat het interesse opwekte. Niet meteen een sterke zet dus. Het heruitvinden van het etiket op zich is duidelijk niet genoeg, het heruitvinden van de wijn heeft misschien wel meer effect, of trap ik daarmee een open deur in? Nee toch ... .
Een ander initiatief is het grootschalig opzetten van promotiecampagnes die moeten aantonen dat er in Bordeaux nog wel wat anders te verkrijgen is dan de peperdure cru classés. Eén van die campagnes is het pas door het CIVB (Comité Interprofessionel des Vins Bordeaux) in verschillende Europese deelstaten gelanceerde ‘Bordeaux Coup de Coeurs’, een initiatief dat past binnen ‘Bordeaux Even Anders’ of ‘Bordeaux Autrement’. In elk land wordt aan Bordeaux-importeurs gevraagd om de volgens hen beste wijnen tussen de 4 en de 15 euro te selecteren en op te sturen naar een professionele vakjury. Deze vakjury kiest dan uit de ingezonden wijnen de beste 100 wijnen. Deze worden met de hulp van het CIVB in de kijker gezet: de importeurs krijgen promotiemateriaal, er worden kleine catalogusjes verspreid en, niet te vergeten, er worden persproeverijen georganiseerd, zodat ook langs dit kanaal deze 100 bemerkenswaardige wijnen kunnen gepromoot worden.
Ook wij, de Vlaamse Wijnbloggers, kregen kort geleden de kans deze geselecteerde wijnen te proeven. Wij deden dat in het goede gezelschap van Sibylle – Mrs. WineWise – Troubleyn, Karlien Honoré en Kristof Van Hecke, beiden docent sommelier aan de Syntra-avondscholen. Er werden panels van 3 proevers gevormd die telkens 33 wijnen proefden, zowel crémants, witte, rosé, rode als zoete witte wijnen uit de Bordeaux-streek. Elk panel stelde zijn top 5 samen. Die wijnen werden achteraf dan nog eens door iedereen geproefd om zo de beste wijnen te selecteren. Een heel geregel om 100 wijnen op een betrouwbare manier te evalueren.
Wij proefden ons op anderhalf uur tijd door de eerste reeks van 33 wijnen, waarna we samen met de nodige discussie de beste wijnen uit het assortiment selecteerden. Geen al te moeilijke klus zo bleek: er waren er enkele die duidelijk met kop en schouders boven de rest uitstaken. 5 wijnen van de 100 behaalden de eindmeet: 1 witte, 4 rode, geen crémant, geen rosé en geen zoete witte. 5 van de 100? Waren we te streng geweest? Of zei dat meer over de selectie? Als ik mijn proefnota’s er op na sla, dan lees ik regelmatig: ‘mist fraîcheur’, ‘waar is het fruit?’, ‘onevenwichtig’, ‘duf’ (bij wit), ‘vuil hout’, ‘geen structuur’ (vooral bij de rosés dan), ... toch allemaal duidelijk tekenen van minder geslaagde wijnen, niet? Wij vroegen ons af hoe dat kon. Als je wijnen laat selecteren door een professionele jury – en dat was qua samenstelling zeker niet de minste – dan verwacht je toch dat er betere wijnen op de proeftafel verschijnen? Of, dan verwacht je minstens dat je verder komt dan 5% wijnen die je elke dag aan het hart wil drukken (en liefst nog opdrinken ook). Toch? Dat was hier niet meteen het geval. Waar lag dat dan aan? Niet de jury dus. Aan de gemiddeld lage kwaliteit van de ingezonden wijnen dan? Dat moet wel, maar je gaat me toch niet vertellen dat de Belg die naast zijn baksteen ook een wijnfles in de maag draagt, niet liever een betere Bordeaux proeft, drinkt en dus ook verkoopt dan de vloot die net over onze smaakpapillen passeerde.
Het probleem lijkt hem dus eerder dichter aan de basis te liggen: de grote massa Bordeaux-wijn die onder de € 15 op de markt gebracht wordt, haalt de gemiddelde kwaliteitseisen simpelweg niet. Er is dus iets grondig mis binnen deze prijscategorie. Kort samengevat: te lage kwaliteit voor teveel geld, want zeg nu zelf, voor 5 à 6 euro koop je al wat degelijks uit de Nieuwe Wereld en voor een tiental euro meer heb je dikwijls bijzonder lekkere wijnen uit andere Franse wijnstreken op tafel staan. Met wat zoeken vind je voor € 15 zelfs flessen uit de subtop in streken als de Loire, de Rhône of de Languedoc. Het is dringend tijd dat de Bordelezen die les willen leren en daar ook de juiste conclusies uit willen trekken. Het volstaat niet meer wat te zaniken over oneerlijke concurrentie, vroegere tijden en naambekendheid. Zeker dat laatste werkt niet meer: de naam Bordeaux fungeert niet langer als het verguldsel om de bittere pil. Laat staan dat het aura van de topcru’s nog als kwaliteitsgarantie voor de hele wijnstreek gepercipieerd wordt. Het is hoogdringend tijd dat de basis van de Bordeaux-appellatie nieuw leven ingeblazen wordt, zodat dit marktsegment opnieuw levensvatbaar wordt en terug vast voet aan de grond krijgt bij de moderne consument, want het is zo’n sterke basis immers die de onnavolgbare status en hegemonie van de Bordeaux-wijnen wereldwijd zal bestendigen. Misschien is dat ook net de positieve zijde van een initiatief als deze Coup de Coeurs: er wordt terug aandacht besteed aan de fundamenten van Bordeaux en men realiseert zich eindelijk terug het belang van die onmisbare basis. Dat er binnen deze basis alvast hard gewerkt wordt en er echt mooie kwaliteit te vinden is, bewijzen de volgende 5 wijnen:

Benjamin de Chantegrive, Graves 2009
De enige witte in de reeks die ons criticasters wist te overtuigen: fris geelgroen van kleur met een rechte, strakke neus van passievrucht en witte bloemen. Een mespuntje rokerigheid in de neus en een heel klein beetje vanille in de mond doen vatrijping vermoeden. Eerder soepele aanzet met appel en weer wat rokerigheid in de mond. Mooie zuren houden deze witte Graves lekker sappig.
Geef hem wat tijd in een karaf (daarmee verdwijnt dat fletse vanilledipje) en zet hem naast gepocheerde vis met een lichte saus.
(Geïmporteerd door Colruyt, tussen € 7 en € 10)

Château Perayne, Bordeaux 2006
Frisse, heel levendig purperrode kleur met een dieppaarse weerschijn. Het lijkt wel alsof deze wijn nog piepjong is en elk moment zo uit het glas kan stuiven. Ook op de neus is hij lekker spannend: een lactische toets wordt snel vervangen door wat vers gebrande koffie, gedroogde ham en daarna koele cassisbessen, zoals ze alleen kunnen ruiken op een warme zomeravond achter in de tuin. Zet soepel en sappig aan in de mond, met veel spankracht en rijp besfruit. Alles blijft ondanks die rijpheid toch subtiel geschakeerd en fris tot in de afdronk die bijna als vanzelfsprekend bij deze wijn hoort. Verfijnde, beschaafde tannines.
Een glas dat het ideale midden houden tussen eerder klassiek aandoende fraîcheur en moderne fruitigheid.
(Geïmporteerd door Sommelier, tussen € 10 en € 15)

Château La Mauriane, Puisseguin-Saint-Emilion 2007

Dieprode wijn met donkere kern en een typische merlot-neus van zeer rijpe bosbessen, wat blauwe pruimen en geroosterde kruiden. Ik houd absoluut niet van merkbare houttoetsen in wijnen, maar dit was wel één van die weinige voorbeelden, waarvan ik dacht ‘jammer misschien, maar geslaagd’.Boven het fruit was er heel subtiel wat zoete ceder te bekennen gemengd met diezelfde kruidigheid uit de neus. Lange, fruitige afdronk onderbouwd door stevige, grippige tannine.
Kan nog wat mee, maar vraagt nu eigenlijk al om een sappig stuk gebraad. Denk aan hertengebraad zonder een al te zoete en vette saus of iets dergelijks.
(Geïmporteerd door Henri Petré, tussen € 10 en € 15)

Château Anthonic, Médoc 2007
Een klassieke crowd-pleaser is deze kersenrode vaste waarde uit de Médoc. Zuivere neus van vers klein rood fruit. Frisse, puntige aanzet met krokante zuren blijven deze ronde wijn net spannend genoeg houden. Ikzelf vind het vleugje vanille dat de hele wijn omspeelt een beetje melig – het maakt de wijn een beetje te sappel – maar ik kan me heel goed voorstellen dat dit bij heel wat wijndrinkers een gelukzalige glimlach op het gezicht tovert.
Nu drinken.
(Geïmporteerd door Delhaize, tussen € 10 en € 15)

Château de Lestiac, 1éres Côtes de Bordeaux 2008
Dit was voor mij de feestwijn van de dag. Krachtig, maar gedistingeerd, geconcentreerd, maar elegant, kruidig, maar subtiel. Van in de neus tot in de laatste seconde van de afdronk blijft alles perfect in balans en lijkt elk deeltje perfect op zijn plaats te zitten. Ik noteerde een heel frisse neus, met veel cassissap, boombast, grafiet en vleeskruiden. Vlezig in de aanzet, met krachtige tannine en geconcentreerd sap.
Deze wijn heeft zonder twijfel nog wat tijd nodig vooraleer je hem naast een sappige entrecôte aan tafel zet.
(Geïmporteerd door Cora, tussen € 7 en € 10)
LAST_UPDATED2
 

Vin voilé pour terroiristes - Etikettenfetishisme en een kleine revolutie in de wijnwereld

E-mail Print PDF

Etikettendrinkers ... ik kan ze niet uitstaan. Vooral niet als na vijf woorden gesprek blijkt dat ze niet eens weten wat het aanbeden etiket in kwestie vertelt over de wijn waar ze zo graag over opscheppen. Nu ja, als ik eerlijk ben, moet ik daar dan ook meteen aan toevoegen dat ik een stukje van mezelf niet kan uitstaan (een klein stukje weliswaar Cool). Het zou een beetje snobistisch zijn, te ontkennen dat ook ik eens niet val voor een etiket, dat ook ik niet eens een wijn drink en apprecieer eerder voor wat het etiket me vertelt, dan voor wat de fles me helemaal niet weet te vertellen. Het zou bovendien helemaal van een overmatige pretentie getuigen moesten we gaan beweren dat we helemaal imuun blijven voor een mooi ogend, origineel of misschien zelfs controversieel vodje papier op een fles. Want ja, zonder dat vodje zou een fles wijn evenveel of even weinig te vertellen hebben als het geborneerde flatface van pouty lips Scarlett Johansson ... .

1. Etiketten, de kenners, de CEO's.
Ducru-BeaaucaillouTja, soms is het toch wel even kicken als je zo maar eventjes een Château Ausone of een Romanée-Conti op de tafel tevoorschijn mag toveren. Meer nog zelfs als iemand anders die voor jou op tafel tovert! Het geeft ergens een thrill als je weet hoe 'zeldzaam' deze flessen zijn, wat voor moeite je moet doen om eraan te geraken en vooral hoe je je beurs tot de laatste hoek mag binnenstebuiten keren om er één flesje van te kunnen wegleggen. Want dat laatste is vooral wat een 'grote naam' op een etiket ons verzekert: dat het bedrag dat je ervoor neertelde niet van de poes was. Net hier gaat het dan ook meestal mis. We vergapen ons op de vermeende exclusiviteit van de fles, de exclusiviteit die ons verzekerd wordt door dat astronomische prijskaartje, verbonden aan het etiket. Maar is die relatie we altijd zo 1:1? Impliceert een fenomenale hoop afgedokte flappen ook een zeldzame of zelfs unieke ervaring?
Iedereen die al wat van deze wijnen heeft mogen proeven weet dat die unieke ervaring in een relatief groot aantal gevallen uitblijft en toch gaan heel wat mensen steeds terug op zoek naar flessen met die ene naam, dat ene etiket. Het waarom daarvan is simpel: herkenning en associatie. In de eerste plaats heb je het bedonderende effect van het etiket - en ik zeg met opzet 'bedonderend' i.p.v. overdonderend: zo'n fles mogen drinken wordt sowieso als een privilege opgevat. Je gastheer verleent je de unieke kans zoiets te proeven. Recht voor de raap gaan zeggen dat je de fles aan tafel 'even opgeblazen vind als het ego van Guy Verhofstadt' past dan ook echt niet in het decorum. Je zou je gastheer er erg mee kwetsen dus word je lyrisch en loof je de fles en indirect ook je gastheer, al laat dat een wrange nasmaak achter in de mond. Met een gespleten tong proeven we inderdaad niet meteen oprecht. Enfin, zo is het toch voor de minder rijken op aarde onder ons.
Voor  jou, CEO met een torenhoge ontslagvergoeding of een percentje vermindering op de inkomstenbelasting ligt het evenwel anders: je koopt dit omdat je je't kan veroorloven en omdat dit bij je status hoort. Mindere flessen horen niet op tafel. Het gaat je niet om de intrinsieke kwaliteit van de fles, het gaat je niet om wat de fles aan tafel brengt, laat staan dat je kan peilen naar die kwaliteit: je mist gewoonweg vergelijkingspunten - m.a.w. eigenlijk 'ken' je niets van wijn, je wil je alleen maar voordoen als een wijnkenner. Of, zal ik maar zeggen, een etikettenkenner? Immers, voor jou is de symbolische waarde van het goedje in die fles simpelweg gelijk te stellen met de economische waarde die het etiket je verzekert. Een zekere belegging voor aan tafel als het ware: je bestuift mekaar met wat symbolisch kapitaal dat zodanig uitgehold is dat je gast, conform de huidige normen van discursieve transparantie, perfect kan inschatten hoeveel hij je waard is. Letterlijk dan, ... . Allez, voor die ene fles toch, want hoeveel andere laat je liever als verzekerde belegging wegrotten in je kelder? Hoeveel flessen houd je liever van de markt zodat schaarste en tegelijkertijd dan ook maar de bLa Reine de la Nuiteleggingswaarde van je gebottelde geldschijtende ezeljes de hoogte in schiet? Trouwens, tussen ons gezegd en gezwegen, dat is ook de reden waarom je Decanter koopt. Tijd om zoiets te lezen heb je toch niet - dat verkondig je tegen Jan en Alleman: "Ik heb geen tijd voor die dingen, ... werk, werk, werk en tja, mijn vrouwke wil ook nog eens graag wat *zucht*." Jaja, die businessmantra's kennen we allemaal. De enige bladzijden die je liefst het eerst openslaat staan helemaal achterin: de laatste tien pagina's waarin je lekker masturbatoir je eigen kuddegedrag bevestigd ziet in een interview met één van je homies, je lekker kan geilen op de laatste veilingnieuwtjes en helemaal orgiastisch beneveld geraakt van de drie fetishpagina's vol tabelletjes met beurswaarden voor deze of gene cru ... . Herkenning dus ... .

2. Het vintage-fetishisme.
Associatie, tja, daar doen we ook allemaal aan mee en daar speelt de huidige bundel marketingstrategieën ook zeer handig op in. Elk etiket roept reeds beleefde ervaringen, andere namen, een heel discours rond een bepaalde appellatie, cru of domeinnaam op. Neem nu Pomerol. Doe een poll in je kennissenkring waarbij je gewoon vraagt wat Pomerol is en zie: ongeveer elke ondervraagde spreekt een ongenuanceerd waardeoordeel uit. Heel wat mensen weten daarbij eigenlijk niet waar het over gaat. Als er al enkelen weten dat je het over een Bordeauxappellatie hebt en niet over een druif of een château, dan mag je tevreden zijn. Voor de rest zal zowat iedereen het hebben over 'grote' wijn, die 'heel lekker' is, wel 'duur', en 'zeldzaam',  voor 'af en toe', 'om lang te laten liggen', want dan wordt hij 'alleen maar beter'. Nu ja, wat wil je met zo'n 'naam' en zo 'uniek'. Jammer genoeg is niet heel Pomerol Pétrus, maar dat vergeten we even. Als er nog maar 'Pomerol' op het etiket prijkt kan het al niet meer om een slechte wijn gaan. 'Men zegt immers dat', enz. Ook hier: wat er uiteindelijk in de fles zit, maakt voor velen niet meer uit. Waarom? Omdat men in de eerste plaats niet meer de moeite neemt te gaan vergelijken en vooral zichzelf te vertrouwen in het proeven. We geloven liever wat er verteld wordt. Geruststellend, want dan moeten we onszelf niet bevragen en, bovenal, dan is die dure fles toch wel haar geld waard.
Een etiket mikt in 90% van de gevallen op een vereenzelviging met een bepaald discours. Denk maar aan het marketingbelang van de vroegere slagzin 'méthode champennoise' of de nog steeds belangrijke vermelding van een appellatienaam of een druivensoort in koeien van letters op een etiket. Denk aan de kilometers holle frasen over traditie, uniciteit of typiciteit op de zovele rugetiketten die je al las. Denk aan die jaren van onwetendheid dat je dacht iets geweldig gekocht te hebben voor € 11: Cheval Noir of nee, was het nu Cheval Blanc? Het is zelfs zo erg, dat ik op proeverijen merk dat sommige proevers, die al heel wat 'grote namen' achter de kiezen hebben, een compleet misvormd smaakprofiel huldigen: een wijn met fijn, rijp fruit, een wijn met mineraliteit, een wijn met mooie verweven tannines, een wijn met pittige frisse zuren, ... allemaal voorbeelden van slechte wijn, volgens die 'kenners' dan toch. Een eerste keer wist ik niet wat me overkwam. Nu weet ik wel beter: sommigen onder hen haal ik terug over de streep, anderen zijn al hopeloos ver heen, ingekapseld in een cocon van soms zelfs compleet onbewuste zelfgenoegzaamheid. Jammer dat mensen onder andere Vin Voilé pour Terroiristesdoor het etiketten proeven uiteindelijk van slechte, onevenwichtige wijn zijn gaan houden.
Ondertussen zijn er heel wat wijnbouwers die zich terdege bewust zijn van de persuasieve en naturaliserende macht van een wijnetiket. Er wordt ook degelijk in geïnvesteerd door zowat elke wijnboer. De basisprijs van een wijnetiket bedraagt al gauw tussen de € 0,30 en € 0,50 en dan heb je nog niets opvallends. Dat hoeft ook niet altijd. Loop eens langs een warenhuisrek: hoeveel etiketten tel je niet waarop een altijd even bruinige nepgravure van het één of andere château staat afgebeeld. Saai, maar wel herkenbaar. En daar draait het net om. Nieuwe-Wereldwijnen kunnen met zo'n kasteelplaatje evenwel weinig aan. Het zou immers allerminst overtuigend overkomen. Een Empire-kasteeltje in de Australische outback, een Romaanse rocca boven een Californische babes beach of een classicistisch paleis in de Andes? Toch maar niet. Dan moet het etiket maar opvallen met een staaltje excentriek design. Denk bijvoorbeeld aan de etiketten van Leeuwin Estate, Philip Jordaan of zelfs Mouton-Rothschild. Met die laatste is de cirkel ook rond, want plots hebben Europese wijnboeren ook de waarde van een vintage designetiket in de mot. Je vindt ze hier dus ook. Soms heel geslaagd, maar meestal is het ene al wansmakelijker dan het andere. Toch is er ook voor die laatsten hoop, want zelfs een mottig etiket gaat dikwijls niet onopgemerkt voorbij ... .

3. Gesluierde etiketten en terroristenwijn.
Een cool etiketdesign is ondertussen bijna een must have, blijkbaar. Maar, wat telt er nog zoal op een etiket? Druivenrassen, liefst in joekels van letters centraal in het blikveld. Of vermeldingen als 'Premier Cru', 'Tradition', 'Barrel Select', 'Old Vines', enz. Allemaal promo-tricks. En dan hebben we het nog niet over appellatienamen, die dikwijls inderdaad ook meer weg hebben van marketingfoefjes dan van echte originebenamingen die een kwaliteit verzekeren. Herkenbaarheid, daar staan ze voor, maar daar blijft het ook bij. Gelukkig zijn er in de hedendaagse marketingzee wel enkele haaien, die zich niet te vies voelen om eens lekker te spelen met de verwachtingshorizon en de bevestigingsdrang van de moderne consument.
Non-conformisten zoals Charles Beck van Fairview met zijn Goats Do Roam of Goat Rotie - niet meteen subtiele hints, maar wel een duidelijke vingerwijzing aan het adres van appellatiekikkers - of vitizen of the world, Randall Grahm, de bezieler van Bonny Doon Vineyards, met zijn al even idiosyncratische interpretaties van wet en gebod in de wijde wijnwereld (bv. Le Cigare Volant, La Donna Cannone, Pinot Transfusion, enz.), waren samen met zovele andere voorgangers en mededingers diegenen die het pad effenden voor de (r)evolutionairen in de wijnwereld. Zij hadden immers meer te vertellen dan alleen maar achter een etiket had moeten schuilgaan of wilden allerminst gereduceerd worden tot het geconsolideerde beeld dat rond elke appellatie en dus dikwiijls ook rond het etiket opgehangen wordt. Zij formuleerden hun lak aan het wine establishment, het etikettensnobisme en het eenzijdige marketingfascisme door een stevige portie speelse ironie of bijtend sarcasme op rug- en buiketiket. Wat eerst met hoongelach en pompeus opgetrokken poederneuzen onthaald werd, is momenteel zowat de cultkern van een aanstekelijke (r)evolutie in de wijnwereld geworden. Niettemin geven Randall Grahm en Charles Beck geen krimp: zij blijven gewoon verderwerken als voordien en laten zich niet in de eerstvolgende nepotistische troon duwen van tot herhalens toe bewierookte, maar daarom net netjes genaturaliseerde nieuwe goden.
Misschien is het met die voorgeschiedenis niet helemaal verwonderlijk dat vooral biodynamische en natuurlijke wijnbouwers hier op de kar sprongen.  Zij lLe Crapaud Noiraten, net als in het wijnmaken, ook hier hun creativiteit de vrije loop. Plotseling mag er wat intellectueels op het etiket; dat kan zonder schaamte: "wie er niet van weten wil, moet onze wijn niet kopen", is de leuze. Iets minder geruststellends en zelfs pure parodie of satire zijn voor hen ook al geen taboe meer. Denk maar aan de cuvées van Cyril Alonso van Domaine de l'Ancestra. Leutige cuvéenamen zoalls die van de Swimming Poule of de Porc Tout Gai  zijn minstens gewoon grappige woordspelingen, maar zijn Château Gonflable Grand Q Glacé is bv. een maar al te duidelijke verwijzing naar de gebakken lucht die zo dikwijls verkocht wordt rond de châteauwijn van deze of gene grand cru classé. Als er al een reëel château bestaat, want ook dat wil men ons in veel gevallen wel eens graag doen geloven: een gammele barak op het domein is al genoeg om een châteaunaam op het etiket te kunnen adopteren. Daar is zelfs geen springkasteel voor nodig. Om in dit geval ook nog maar over de Shakespeariaanse zinspeling op cru/cue te zwijgen ... .
Zelfs van heerlijk politiek incorrecte cuvéenamen zoals Vin Voilé pour Terroiristes schrikt Reinaert Cyril Alonso niet terug. Gelukkig maar. Hij en heel wat andere wijnbouwers als Thierry Renard (Renard des Côtes) of Alice Bouvot en Charles Dagand (Domaine de l'Octavin - vroeger Opus Vinum, maar dat mocht niet van de etikettenkapo's van Opus One) gebruiken het medium van het etiket terug om verwondering en verwachting op te wekken bij de consument. Een effect dat ondertussen ver heen was met de uitgeholde appellatie/druivenras/tradition-patati-patata-etiketten die de wijde wijnwereld bevolken. Zulke nieuwe etiketten trekken niet alleen je aandacht en affirmeren het eigenzinnige karakter van de wijnen, maar ze doen ons vooral één ding terug beseffen: dat wat er ook op het etiket staat, uiteindelijk datgene wat in de fles zit het laatste woord moet hebben ... .

LAST_UPDATED2
 

South-African crossways - Een vineus doolhof op de rand van het mogelijk denkbare of het denkbaar mogelijke?

E-mail Print PDF
In de laatste Decanter werd er weer eens een heel artikel aan gewijd zoals zo ongeveer om de twee maanden wel ergens een artikel verschijnt: een zoveelste pleit voor de ongekende kwaliteit en eigenheid van Zuid-Afrikaanse wijn. Het lijkt wel zo'n beetje vechten tegen de bierkaai. Af en toe wordt er wel eens een wijn gehypet, maar daar blijft het ook bij. De overige 99,99% van de Zuid-Afrikaanse wijnproductie wordt afgeschilderd als - letterlijk en figuurlijk dan - een scheet in een fles, verbitterde populistenwijntjes die niet mis zouden staan op LDD of even inhoudsloze kazakdraaiers als vergist politiek 'commentator' Yves Desmet. Niet meteen een wijnland om je zuur verdiende centen in te investeren dus en zeker al geen wijn die op de zakentafel van Bettina Geysen mag, want simpelweg niet duur en niet bizz-nerdy genoeg om wat geld van de brave huisvader tegenaan te smijten ... .
Misschien dan maar beter zwijgen over die Zuid-Afrikaanse no-go's?
 
1. Kotfeestwijn!!!
WOSAToch niet. Wij kunnen ons alleen maar aansluiten bij Guy Woodward's pleit voor misschien wel het meest verguisde wijnland ter wereld.Toegegeven, ondanks (?) de erg lange traditie die Zuid-Afrika in wijnbouw heeft, werd en wordt er nog steeds enorm veel bulkwijn geproduceerd. Slechte bulkwijn zelfs. An sich hoeft die grote productie van bulkwijn echter niet te leiden tot het al te gemakkelijk in stand houden van vooroordelen - we vergeten immers maar al te gemakkelijk dat wijn ook gewoon 'een doordeweekse drank' voor elk moment van de dag mag zijn. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de liters en liters droë steen, droge Chenin Blanc, die elk jaar weer de halve wereld overspoelen. Het gaat hier eigenlijk om een pretentieloze, fruitige en dikwijls echt niet slecht gemaakte droge witte wijn die helemaal niet misstaat op barbecues, tuinfeestjes, kotfeestjes en wat dies meer zij. Een soort van partymaker, een verfrissende, dorstlessende drank die best te genieten is op een terrasje, onder een gezellige babbel, met wat fingerfood. De beste wijnen van dat type mogen zelfs de functie van aperitiefwijn bekleden: je gasten installeren zich, het gesprek komt op gang, het wachten op een paar laatkomers wordt gemakkelijk overbrugd en ... iedereen krijgt honger, al was het maar omwille van de etensgeuren die langzaamaan vanuit de keuken van de gastheer hun weg naar het gezelschap vinden. Trouwens, zeg nu zelf, voor 3-5 EUR mag zo'n fles er best zijn; misschien verwachten we soms wel wat teveel van elk glas wijn dat over ons verhemelte streelt. Zuid-Afrika scheert hoge toppen als het over zulke wijnen gaat. Niet alleen in kwantiteit, maar zeker ook in kwaliteit. Onder de labels Stonecross en Oude Kaap worden er jaarlijks een paar mooie voorbeelden op de markt gebracht, in BIB of gewoon op fles. Simpel en correct.
Zuid-Afrika's wijnreputatie is evenwel voor 95% opgebouwd uit dit soort wijn: spijtig genoeg inderdaad grotendeels kleffe brol, die onder druk van internationale smaakmodes de alcoholzoete, nepfruitige toer op gaat, zeker in de rode wijnen. Heel wat beginnende wijnliefhebbers trappen hier in de val. Onwetend en zelfs onnadenkend misschien, met te hoge verwachtingen en doorgaans een eigenlijk toch wel wat luie attitude: we gaan niet op zoek naar iets beters in die categorie en dus heeft met die ene fles dan ook maar meteen de hele Zuid-Afrikaanse wijnindustrie afgedaan. Nogal wiedes natuurlijk, als je weet dat heel wat mensen niet meer proeven wat er in de fles zit, maar wel wat er op de fles staat. Schrijnend is het dan misschien om te zien dat een potentieel goede Kaapse Chenin het dan ook nooit meer zal halen van minstens even slechte Vins de Pays d'Oc, Italiaanse Pinot Grigio of Chileense fruitclamochkes, die evenmin wat aan de man te brengen hebben, maar omwille van hun afkomst of omwille van le qu'en dira t'on steeds weer een nieuwe kans krijgen en heel wat toegeeflijker bejegend worden. Zuid-Afrika heeft nu eenmaal het imago van banale fruitwijnproducent te zijn, dus willen we er ook niet méér van verwachten. Voeg daar nog een duister wolkje Apartheidsgeschiedenis, het historische KWV-despotisme of het steeds weerkerende burnt rubber-verwijt aan toe en je hebt het perfecte excuus om elke Zuid-Afrikaan te kakken te zetten voor hij nog maar in het rek staat.
 
2. Labyrint zonder Ariadne.
Het kan ook anders en daar is men zich de laatste 20 jaar in Zuid-Afrika zeker van bewust. Er wordt naarstig getimmerd aan de weg naar 'grote wijn', wijn die het verschil moet maken, of, anders gezegd, eigenlijk hetzelfde moet zijn als Franse wijn, Italiaanse wijn, Spaanse wijn, enz. Neem daar nog de steeds terugkerende claim van 'Oude-Wereldheid' bij - Zuid-Afrika behoort tot de Nieuwe Wereld in wijn, maar de wijnen zouden meer Oude Wereld zijn dan die van andere Nieuwe-Wereldwijnlanden - en je begrijpt meteen waar ik naartoe wil: het Zuid-Afrikaanse wijnlandschap is op zoek naar een eigen identiteit, of, anders gezegd, de Zuid-Afrikaanse wijnbusiness doet er alles aan om een gemis aan identiteit te remediëren.
Ook de Zuid-Afrikaanse wijnboer heeft de mond vol van terroir en terroirtypiciteit. Niet mis gezien in de hedendaagse wijnwereld en dat heeft ook het Zuid-Afrikaanse equivalent van het INAO zo begrepen. Guy WoodwardEr wordt met alle hens aan dek gewerkt aan een appellatiesysteem dat de diversiteit en de typiciteit van alle Zuid-Afrikaanse terroirs herkenbaarheid zou moeten verlenen. Dat lukt evenwel niet zonder de nodige kleerscheuren: de razendsnelle vooruitgang in de wijngaard en de enorme verscheidenheid van de wijnen in kwestie maken het er niet meteen gemakkelijk op.  Er werd een systeem uitgedacht dat met zijn een onderverdeling in 4 regio's, 21 districten en 63 'wards' enige klaarheid in de zaak moet scheppen. Probleem is dat elk onderdeel van een subniveau niet noodzakelijk een eenduidige afhankelijkheidsrelatie vertoont met het hoger gelegen niveau. Een voorbeeldje: de 'wards' Constantia en Hout Bay zijn niet ondergebracht in een overkoepelend district, maar behoren wel tot de 7 districten tellende Coastal Region. Een ander voorbeeldje: het district Douglas bevat geen enkele 'ward' en behoort evenmin tot een omvattende regio. Er is echt niet veel meer nodig om zowat elke wijnliefhebber van zijn propos te brengen ... . (Voor een overzicht: klik hier)
Dat moet zowat een reden geweest zijn voor Guy Woodward om eens een rondvraag te organiseren bij de Zuid-Afrikaanse wijnproducent en de pro's en contra's af te wegen in een stevig artikel. Allez, dat 'stevig artikel' blijkt niet eens zo'n een goed artikel te zijn (zo een beetje als in het onderwijs: slechtste leerkracht wordt directeur; minste begaafde schrijver wordt editeur?): nergens een conclusie na de geschetste stand van zaken, laat staan dat Woodward zou eindigen met een idee dat hij zich zou gevormd hebben over het Zuid-Afrikaanse wijnlandschap of een soort van schets van hoe het eventueel wel zou kunnen. Toch het minste wat je kan verwachten. Voor Ariadne spelen zag hij precies niet zitten. Uiteindelijk blijft de lezer na Woodward's jeremiade- en citatenpartituur nog steeds verweesd achter met een hoop onbeantwoorde vragen. "Hoe zit het dan nu met die Zuid-Afrikaanse wijn?", blijft die zich afvragen. Dat er iets niet helemaal in de haak zit, zal hem wel duidelijk geworden zijn, maar, wat er precies aan de hand is, daar heeft hij nog steeds het raden naar.

3. SA? Ca POMOte!.
Vinden wij het uitdenken van een Zuid-Afrikaanse appellatiestructuur bullshit? Nee, helemaal niet. Het probleem zit hem immers niet zozeer in de idee van een appellatiestructuur zelf, wel in de achterliggende redenen waarmee die gesuperponeerd wordt op een heel snel en sterk dispersief evoluerend geheel. Het systeem lijkt immers sterk op het Duitse systeem van Anbaugebiete, Bereiche, lieu-dits en wijngaarden. Ook een doolhof voor heel wat mensen, maar wel een doolhof met een historische gegroeide structuur volgens een redelijk rigoureus gevolgde Duitse logica. Laat nu net die logica wat ontbreken en de recente geschiedenis datgene zijn waar de Zuid-Afrikaan liever niet aan herinnerd wordt en je begrijpt waar het wringt: het SAWIS-systeem komt ongewild erg geforceerd over en het vergt van diegene die op gelijk welke manier wat met Zuid-Afrikaanse wijn te maken heeft wel enige avondjes studiewerk.
Niet meteen een geslaagde tegemoetkoming aan de internationale wijnmarkt. Zo eenvoudig is het. Voor wijnen uit het onderste marktsegment vormt dat geen probleem: zet er in grote letters het druivenras op en ze verkopen als zoete broodjes. Voor de 'topwijnen', die wijnen die eigenlijk zouden bijdragen tot de beeldvorming van Zuid-Afrikaanse wijn, die wijnen die hun internationaal erkend aura zouden kunnen doen afstralen op de hele Zuid-Afrikaanse wijnindustrie en daarmee meteen zouden bijdragen tot een Zuid-Afrikaanse identiteitsconstructie, ligt het wel even anders. Die krijg je zonder informatie immers niet zomaar verkocht: je kan eerst een halve wijncursus gaan opdreunen voor de twijfelachtig fortuinlijke klant (als die daar al in geïnteresseerd is). Vervelend is dat. Een halve wijncursus past nu eenmaal niet op een rugetiket, laat staan in het hoofd van de eerste de beste wijnmakelaar ... .
SA - KelderMisschien is Zuid-Afrika wel het typevoorbeeld van een postmodern wijnland, als we dan toch met dure woorden aan het goochelen gaan. Een wijnland zonder centraal sterk gecoördineerde structuur, weliswaar met een kwaliteitscontrole achteraf, maar geen normatieve kwaliteitsbepalingen vooraf die hun wortels zouden vinden in een streekgebondenheid, een terroirtypiciteit of een beroep op de traditie. Zo onstaat een sterk gefacetteerd en rhizomatisch gestructureerd geheel, dat zich met geen middel laat kooien in het eenduidig interpreteerbare systeem dat onze nog steeds lineair denkende marketingboys hanteren. De heren en dames van het distributie-establishment lopen weer eens een ronde achter, zonder dat er ook maar iemand dat door heeft (zelfs de wijnkritiek heeft dat niet door). Integendeel, er wordt tegen heug en meug in geprobeerd die intrigerende verscheidenheid en het weerbarstige experimentalisme dat de Zuid-Afrikaanse wijnindustrie kenmerkt te reduceren tot een geruststellend en bevestigend, hapklaar groot verhaal dat vooral solide ondergrond moet verlenen aan de heilige koe van de cash flow. Want, inderdaad, probeer wijnbeleggers maar eens over te halen zoveel te investeren in een fles, als er geen spiertje zekerheid bestaat over de meerwaarde die een fles zal hebben na x aantal jaren wegrotten in diens geklimatiseerde vergeetput. Of, slijt maar eens een hele partij steengoede Pinotages aan een reeks horeca-zaken ... welke sommelier kan genoeg klanten inwijden tot de rijkdom van fantastische mariagesensaties die je met een gerijpte Pinotage kan beleven, om er een rendabele hoeveelheid van in te slaan?
Zou het kunnen dat het postmoderne karakter van Zuid-Afrikaanse wijn ons op de grens brengt van de mogelijkheidsvoorwaarden waarmee een geüniformiseerde en genivelleerde - 'gedemocratiseerde', weet u wel - wijnmarkt zichzelf in stand tracht te houden? Is de diversiteit, het ongebreidelde experimentalisme en de onoverzichtelijke, razende wildgroei van de Zuid-Afrikaanse wijnbouw misschien wel eens het spreekwoordelijke steentje in de schoen van het geglobaliseerd wijndiscours? Is Zuid-Afrika de anomalie die de versteende structuur van het hedendaagse denken over wijn doet buigen tot het uiteindelijk moet en zal barsten?
LAST_UPDATED2
 

Minder geslaagde wijnjaren: Tijdverspilling of uitdaging? - Orbis extra muros: Kurkdroog Masterclass “mindere jaren”

E-mail Print PDF
Er zijn zo van die momenten dat je echt niet zonder TomTom wil rijden, en de avond van 3 november was er zo één, met heel dichte mist zowat overal ten lande. Of het nu vanuit het West-Vlaamse over het Gentse richting Brussel was, of vanuit Limburg over Leuven naar dezelfde bestemming, zowel Menelaos als Cabernette hadden al mistige peren gezien in hun rit naar Château de la Motte op de rand tussen Dilbeek en Sint-Ulriks-Kapelle. Ter compensatie van de geleden ontberingen stond er evenwel een interessante proeverij op het programma: de zogenaamde (?) mindere jaren van Toscane, Bordeaux en Côtes du Rhône. Naar goede gewoonte werden alle wijnen blind geproefd. Amaronese had al gewaarschuwd dat er ergens een Haut-Brion tussen zou zitten als extra teaser ... . 

1. Dolce vita? Dolceamaro dan!
Oude WijnHet startschot werd gegeven met een in Bordelese stijl gevinifieerde onbekende: een weinig onthullende neus van rood fruit met een enigszins geroosterde toets werd in de mond gevolgd door dominant zuur rood fruit met veel te astringente bitters die lang bleven nazinderen. De gezichten rond de tafel spraken boekdelen: dit was geen meevaller. Daarnaast werd een subtielere wijn gezet in dezelfde geurstijl, maar met een zoetere aanzet van rijpe aardbei, die de zuren en de tannines beter in evenwicht wist te houden. De smaak zakte evenwel snel weg en maakte geen evolutie door. Beide wijnen bleken uit Toscane te stammen, al werd bij een gisronde vrijwel unaniem gegokt op Bordeaux, vooral naar aanleiding van het smaakprofiel van de eerste wijn, die onthuld werd als Villa Antinori 2005. Een vergelijking met de excellente 2003 is absoluut niet aan de orde. Wijn nummer twee bleek een Monte Peloso Eneo van 2002, beter dus dan de VA 2005, maar niet om over naar huis te schrijven.
Met de twee volgende wijnen bleven we in het land van la Dolce Vita, al waren de wijnen zelf niet bepaald zo ‘dolce’. Wijn nummer drie gaf als initiële geur het fameuze ‘putteke’, nadien alcohol, paprika en een weinig fruit – dit verbeterde wel met enige tijd in het glas te staan. De smaak was gestoofd rood fruit über Alles, eerder zuur en trok nogal fel droog door strakke tannines, maar was best wel interessant in zijn evolutie. Deze wijn, de Mazzei Fonterutoli 2000, kwam na afloop van de proefronde nogmaals in ons glas terecht en toonde zich toen veel ronder en meer uitgebalanceerd. Hier is een enigszins afwachtende houding – of een groter glas? – dus nog wel op zijn plaats. Dat kon niet meteen gezegd worden van de afsluiter voor deze zo gehalode streek. De geëvolueerde, bijna bruine kleur van deze wijn beloofde weinig goeds. In de neus vonden we te warme mon chéri-likeur, met wat paprikapoeder erover gesprenkeld. De vluchtige zuren deden denken aan sherry of Madeira, hetgeen de alarmbel voor maderisatie prompt deed afgaan. Al deze voortekenen werden in de mond bevestigd met enkel nog een restant van fruitwater en wat alcohol was. Waarschijnlijk was deze Badia a Passignano 1998 als jongvolwassene zeer mooi, maar nu was hij duidelijk ver voorbij de midlifecrisis.
Qua wijnjaren is het moeilijk, zoniet oneerlijk, hier een conclusie uit te trekken. Hoewel velen in Toscane tijdens het jaar 2000 teveel op volume mikten, blijkt een meer selectieve hand toch mooie dingen te kunnen doen. De Villa Antinori bevestigde wat vooraf gezegd werd: namelijk, dat het magische 2005 niet overal zo spectaculair was. Blijkbaar weigerde het beroemde Azienda Agricola Montevertine zelfs zijn Pergole Torte te produceren in 2005, een teken aan de wand … .

2. Van sterfputten en Appellation d'Origine Café.
Haut-BrionDe tweede regio die werd aangedaan met vier wijnen, was Bordeaux. De eerste wijn, Lagrange Saint-Julien 1999 (Parker 86), presenteerde nog een mooie robijnrode kleur in het glas, gaf in de neus wat ‘putteke’ met geleidelijk aan een geroosterde noot en rood fruit. De smaak was initieel een beetje stoffig, maar met een fluwelige textuur, bramen, een hint van chocolade en tabak, om te eindigen met wat beklede bitters en nog een verrassende, frisse toets (munt of venkel kwam het dichtste in de buurt). Dit was de eerste algemeen erkende “goede” wijn en een bevestiging van de gestage kwaliteit die het château weet te realiseren, ook in de “mindere” jaargangen. De Lagrange werd gevolgd door een iets oudere Saint-Julien: Ducru Beaucaillou 1997 (Parker 87). Na een veelbelovend begin van gebraden vlees met gestoofde groenten en rood fruit, leek de neus uit te doven. Dat werd door Dirk Rodriguez getypeerd als een klassiek geval van “sterfput”. De smaak was “gladder” dan de Lagrange en minder uitgesproken, maar redelijk vergelijkbaar qua smaakprofiel met iets meer uitdrogende tannines.
Beide volgende Bordeaux-wijnen kwamen uit Pessac-Léognan. De eerste, de  Smith-Haut-Lafitte 1994 zette aarzelend in met een lichte kleur en een zwakke neus van rood fruit en lichte kruiden, maar werd verrassend vol in de mond over de hele lijn, met zoete rode kersen, tabak, kruiden en een hint van geroosterd gebraad naar het einde toe. Een redelijke lange afdronk, en als geheel heel mooi, zeker als je bedenkt dat dit een wijn van veertien jaar oud is uit een zogezegd minder jaar. Cabernette had haar favoriet van de avond gevonden en  Menelaos kon haar enkel bijtreden. De semi-aangekondigde “ster van de avond”, de Haut-Brion 1993 (Parker 92), was opvallend donkerpaarsig van kleur. In de neus waren er mooie mediterrane kruiden (tijm, salie, rozemarijn) verweven met rijp rood fruit. Een volle smaak in de mond met gestoofd rood fruit, wat vlezigheid, een hint van zoethout en een noot van koffie naar het einde toe. Blijkbaar is die koffietoets typisch voor Haut-Brion, al is het een punt van discussie of het nu Columbiaanse of Peruviaanse koffie zou zijn.
In elke cliché ligt een bron van waarheid en zo dus ook voor Bordeaux en bewaarwijn. Het gaat hier weliswaar stuk voor stuk over geklasseerde grand cru’s, maar ze hebben toch mooi de tand des tijds doorstaan. Deze châteaux kunnen het zich niet permitteren hun kwaliteitsniveau te laten zakken en zijn dus verplicht om in niet–ideale jaren een extra inspanning te leveren. Het resultaat is dat finesse en terroir beter tot uiting komen, terwijl ze in (te) warme jaren sneller overstemd worden door het rijpe fruit. Het proeven van deze oudere Bordeauxwijnen vergt toch een ietwat andere aanpak dan bij het jonge geweld. Je gaat meer op zoek naar secundaire en tertiaire aroma’s (bosgeur, champignon, tabak, leer, …) en je moet er meer je tijd voor nemen. Het correct beoordelen van deze wijnen kan eigenlijk pas na een lange kennismakingsronde, inclusief muziekoptreden, slaapmutsje en ontbijt op bed. In welke volgorde, dat laten we aan de persoonlijke voorkeur van de proever over … .

3. Grommende legoblokjes.
Als laatste regio werd de Côtes du Rhône aangedaan, een duidelijke en opzettelijke stijlbreuk met de vorige wijnen. De P. Jaboulet Ainé Saint-Joseph 1994 is zowel in de neus als in de mond meer uitgesproken dan de Bordelese makkers, maar duidelijk minder complex. Niet echt onze smaakPlatte Chihuahua, al valt niet duidelijk uit te maken of wijn nu over zijn top is of gewoon karakter mist. Met La Réméjeanne Les Eglantiers 2002 (Côtes-du-Rhône) komt er een dik zwartrood niet-transparant monster in het glas gekropen. Het gromt naar de neus met nogal wat alcohol, zoet rood fruit, en ergens een toets van leer. In de mond verandert dat monster eerder in een platte chihuahua: een zoet-kruidige mengeling met eerder korrelige tannines eronder. Ook weer redelijk ondefinieerbaar, deze wijn.
De afsluiter van de avond werd geschonken bij een overheerlijke pastei van parelhoen bijgestaan door een mosterdsausje met kappertjes en witte peper. Door al dat lekkers verdween de wijn, nochtans een Cornas van Delas Frères 1997 (Parker 90) een beetje naar de achtergrond, hoewel Cabernette nog het volgende wist te noteren: “de geur (kirsch) doet maderisatie vermoeden; de smaak die, hoewel nog behoorlijk vol, vrij snel wegvalt, bevestigt dat; alsof je van een gebouw in lego slechts nog blokjesfragmenten hebt; zonde?”.

4. The advantage is wine ... .
Mindere wijnjaren vormen zowel voor de wijnmaker als voor de wijnliefhebber een uitdaging. Aan de ene zijde dient de wijnmaker al zijn meesterschap en de liefde voor zijn wijn aan te spreken om de minder gunstige omstandigheden niet alleen in zijn voordeel om te draaien, maar juist de sterke punten van het afgelopen jaar naar boven te brengen. Goede terroirs komen meestal beter tot hun recht in moeilijkere jaren, terwijl hun optimale ligging in goede jaren soms van het goede teveel kan zijn. De liefhebber krijgt dan weer de kans, of de zware taak, op zoek te gaan naar deze buitenbeentjes aan soms zeer interessante prijzen.
LAST_UPDATED2
 

Megavino 2008 - Deel II: E Viva E ... . Plonk of Glouglou?

E-mail Print PDF

Twee weekends geleden kon ik op zondagavond letterlijk geen wijn meer zien, ruiken of horen. Mijn frontale hersenkwab sprong spontaan in spasmen bij zelfs de minste allusie op het gegiste vocht. Zelfs bij de woorden van onze plaatselijke Jan Spier: "Wei ... nig volk hè vandaag!", kromp ik al zichtbaar ineen. Zo erg blijkbaar, dat de goede kerel maar onmiddellijk repliceerde: "Ik zie dat gij zo'n zin hebt in ne goeie saté". Wel, ik kan u verzekeren, het was me een waar genoegen na al die vineuze exploten. Een saté, een grote friet (zonder saus!) , een fris Cristalleke en eh ... na een uur stond ik weer een verdiepje lager rond te draaien: "Welke fles moet eraan geloven?" Bloed kruipt waar het niet gaan kan. Wijn ook.
Reden van die kortstondige verstandsverbijstering: ik ging als een echte hardcore addict drie dagen na elkaar naar Megavino. Deze keer: dag 2, op zoek naar het ware Walhalla van de wijn!

1. Van cheapo tafelwijn tot surfing winemakers.
PrioratterroirWelke wijnliefhebber heeft tegenwoordig niet de mond vol van het geweldige terroir van Priorat. Welke wijnliefhebber wordt niet lyrisch van de unheimliche halfwoestenij waarin mensen er toch in slagen druiven naar behoren te doen opgroeien? Welke wijnfreak loopt niet warm voor de zovele autochtone, stoer klinkende druivenrassen waarmee Spanje nog wat meer gewicht in de schaal legt? Logisch dus dat bijvoorbeeld in het laatste nummer van Decanter 18 pagina's aan Spaanse wijn besteed worden, waarvan één artikel met de titel 'Why Spain is the most exciting winecountry in Europe'.
Zoals het enkele jaren geleden Oostenrijk all over the place was, zo is het vandaag inderdaad Spanje al wat de klok slaat. Vroeger, en dan spreek ik van een dikke tien jaar terug - ik was toen nog piep, de dertig komt nu echt te dichtbij -, was Spanje, net als Italië, synoniem voor cheapo tafelwijn; weliswaar met een iets sjieker en wat meer geconfimeerd cachet, maar toch niet meteen wat je noemt 'meest opwindende wijnland van de wereld'. Spaanse wijn, en dan vooral Rioja, was de rode wijn die zoveel mensen meebrachten van een reisje Benidorm, Salou, Costa si ... of Costa la ... . Rood ... inderdaad, want van wit kwam er, letterlijk en figuurlijk, niet veel in huis. Het heeft zo tot het eind van de jaren negentig geduurd eer de eerste goede Spaanse witte wijnen tot bij ons geraakten. Met uitzondering van de degelijke witte de Cáceres, was het nog lang wachten op dergelijke knappe staaltjes van vakmanschap. Laat staan dat toen al iemand van Albariño gehoord had.
Maar, hoe zat het dan wel met die rode wijnen? Hun roem waard of ook insipid plonk? Het laatste doorgaans ... . Meestal ging het over nogal bruinige, soms zelfs een beetje stinkende, dunne en uitdrogende bulkwijn. Alleen het etiket Rioja volstond gelukkig al om dit ouderwetse staaltje van minimale kwaliteit toch aan het grote publiek te slijten. Het fletse, saaie karakter van de Rioja's van weleer had evenwel niets te maken met een soort van authenticiteit: het was eerder het resultaat van een onzorgzame aanpak in de wijngaard, een ouderwetse vinficatiemethode en een quasi oxidatieve elevatie op grote, oude eiken fusten. Wijnen met enige fraîcheur en een behoorlijke dosis sappig fruit waren dus dikwijls ver te zoeken in de zee van naar vuil hout en dorre bladeren smakende Rioja.
Gelukkig veranderde dat gedurende de laatste decennia van de 20ste eeuw. Binnenlandse investeerders en grote wijntycoons zoals Miguel Torres staken hun bewondering voor de oenologische vooruitgang die geboekt werd in Bordeaux, Toscane en de toen nog embryonale Nieuwe Wereld, niet onder stoelen of banken. Plots werden die enkele wijnbouwers die letterlijk met kop en schouders boven de grijze Spaanse wijnbrij uitstaken, vereerd als halfgoden die het vuur van de Olympus naar de mensheid wisten te brengen. Die bewondering vertaalde zich even snel naar de eigen wijngaarden. Even plots dook daar ook de legendarische Emile Peynaud op, die, net als in Bordeaux hygiëne, jeugdigheid en frisheid zou prediken in de Spaanse halfwoestijn. Een nieuwe generatie wijnmakers zag het licht. En een tweede, ... en een derde, ... . Want, dat is waarschijnlijk wel het meest opwindende aan dit wijnland: de Spaanse wijnmakers houden de vinger wel heel na aan de internationale wijnpols, thans zonder daarbij hun spreekwoordelijke koppigheid te verliezen. Dat heeft als gevolg dat Spanje zich nu absoluut kan meten met het zich eveneens steeds heruitvindende en qua vineuze traditie minstens even interessante Italië. Nieuwe ideeën worden heel snel uitgeprobeerd - nog dikwijls voor er ergens anders sprake van is. Er is m.a.w. een niet te onderschatten bereidheid tot experimenteren, die anderzijds toch nooit de overlevering, een hele lore aan oorspronkelijke druivenrassen en een vurige passie voor het eigen terroir platdrukt. Wat wil je nog meer?
Die mooie, altijd evoluerende combinatie tussen oud en nieuw, traditie en vernieuwing is er zowat de belangrijkste reden voor dat Spanje al jaren een niet al te nauw toebemeten plaats krijgt in de internationale wijnavant-garde. Na de Peynaud-golf van fruitige, soepele wijnen in de jaren tachtig, de Parker-tsunami van krachtige en rijke toothstainers in de beginjaren negentig en de zondvloed van flying winemakers aan het eind van de vorige eeuw in diens kielzog, was Spanje immers één van de eerste wijnlanden dat het waagde op de nieuwe schuimkoppen van de elegantie, de mineraliteit en de terroirgedrevenheid van de nouvelle vague te surfen. Nu ja, er is ook wel het één en ander aan materiaal voor handen om zo'n benadering waar te maken. Neem nu Priorat en Rias Baixas, om maar even twee uitersten te noemen. Waar het bij de eerste gaat om uiterst krachtige, pezige en zeer kelderwaardige rode wijnen, draait het bij de tweede appellatie eerder om slanke, frisse en iets minder kelderwaardige witte wijnen. Eén ding hebben ze gemeen: een uitgesproken terroirexpressie (allez, dat zou je toch mogen verwachten) van Llicorella-schiefer bij de ene of een soms duizelingwekkend aroma van jodium gecombineerd met schisteuse en granitische toetsen bij de andere. Meer nog: waar je zo verwachten dat elegantie en typiciteit toch zo ongeveer het moeilijkst bereikbaar is in een aride, zondoorstoofd land als Spanje, zijn het net de jonge driving winemakers uit het land zelf, zoals Telmo Rodriguez, die de boodschappers zijn van de zovele knepen van het vak die genoeg zuren, toch een rijpe structuur en een sprekende mineraliteit in het glas brengen. Denk maar aan de zo dikwijls uiterst verfijnde hedendaagse Rioja, nog eens die gesofesticeerde Albariño's of de prachtige resultaten die men in het Noorden (Bierzo) boekt met een druif als Mencia (natuurlijk zijn er nog wel wat D.O.'s waar dat minder zo is: Toro en Jumilla bv.). Wat nog beter is: de prijzen van Spaanse wijnen blijven toch nog altijd redelijk democratisch!


2. Smurfentaart en dode beesten.
Glazen"Leuk om dat allemaal te weten", denken we dan als we aan een proeverij supermarktspanjaarden beginnen. Eerlijk toegegeven, had deze contest een paar jaar terug plaatsgevonden, dan had het enthousiasme er bij mij niet meteen vanaf gedropen. Ik zat namelijk nog altijd met dat idee dat Spanje niet veel beters te produceren had dan de massa flabberige wijn die - als het al niet ging om Wereldwinkelwijn - obligaat bij een kotfeestje hoorde. Iedereen kent dat wel: het mag niet veel kosten, moet liefst fruitig en een beetje zoetig zijn. Ook weer geen echte zoete wijn, want nee, aan dat ouderwets troostend shlemielengezwalp deden wij  nu ook niet mee. Aan de andere kant, toch ook liefst niet te droog. Er moeten toch wel Melocakes (ik onthoud u de studentikoze naam Innocent) en smurfentaart bij passen zonder dat die met wijn en speeksel in een plakkerige brij veranderen. En natuurlijk, als het kan, een beetje alcohol graag, dus liefst iets Zuiders en liefst iets Spaans, want dat kennen we van die gâteaux-parties bij de grootouders zaliger. Worden we allemaal lekker hitsig van. Bôpa en boin hadden het moeten weten ... . Ik hoop dat bij u ondertussen ook spontane kokhalsneigingen zich een weg naar boven werken: ik werd meestal al misselijk van het vooruitzicht terwijl ik de laatste minuten aftelde van een oersaaie les algemene taalkunde (en dat wil echt wat zeggen). Het ergst van al was dan nog dat mijn vriendelijke medestudentes er blijbaar een kunst van maakten om mijn glas het hele feest tot de nok bijgevuld te houden. Nooit begrepen waarom ik elke volgende morgen met een halve black-out, naast een hoop lege taartdozen en met een dood beest in mijn mond wakker werd ... . Weinig zeggen aan dat Spaanse wijn uit de supermarkt bij mij dan ook gearchiveerd werd in het donkerste hoekje van mijn proefbibliotheek en zelden aangroeide tot meer dan 6 flessen in mijn kotkeldertje.
Tja, en dan blijf je aan zo'n medestudente plakken die toch wel geen Spaans gestudeerd heeft zeker? Zo lyrisch als ik was over Italië, zo koppig hield zij vol dat er in Spanje geweldige wijn gemaakt werd. En u weet, als vrouwen het in hun hoofd krijgen ... krijg het er dan maar weer eens uit. Tot uiterste wanhoop gedreven nam ik dan maar eens wat van die Spaanse plonk mee uit de dichtstbijgelegen Carrefour. Ik zie me nog 'thuiskomen' met twee keer drie flessen in telkens twee zakken (een wijnplas voor de voordeur had ik al eens gehad): om van te janken. Had ik mijn schamele weekgeld verkwanseld aan wat waarschijnlijk toch brol bleek te zijn, ondanks het feit dat Herr Herwig hem had aangeraden in zijn Château Simple: een Valdepeñas Gran Reserva 1999 van Señorio de los Llanos. Jaja, Gran Reserva voor nog geen € 5. Bullshit, dacht ik. En toch: een dikke twee maanden later schonk ik hem op een verjaardagsfeestje (nog altijd legendarisch omdat het om 20:00h. begon en om 8:00h. eindigde met koffie en een glas Calvados als 11de gang Cool). De Señorio moest eraan geloven bij een stuk gebraad op Piëmontese wijze. Schraal, ik weet het, maar voor Barolo had ik geen geld en van pa kreeg ik ze niet meteen mee (wel heerlijke Riesling). Ging wel ... helemaal niet slecht zelfs. Beetje streng en gereserveerd misschien, maar best lekker. Allez, af en toe kwam er dan al eens een flesje Spaans mee van de zoveelste wijnzaak.
Tot een heel dik jaar terug.  Net verhuisd. Wijn natuurlijk zelf verhuisd: ik werd onnozel van de nachtmerries waarin verhuizers dozen wijn naar elkaar gooiden. Wel een onoverzichtelijke rommelboel in de kelder. Een kat vond er haar jongen niet in terug (goed dat we er nog geen hadden). 's Avonds in de pot geroerd, maar te mottig om zelf de kelder in te kruipen: mijn vingers gingen jeuken iedere keer ik de puinhoop aanzag. Cabernette dan maar naar beneden gestuurd. En ja, ik had het kunnen weten, met wat kwam ze naar boven: een flesje Spaans en dan nog wel een vergeten, overgebleven Señorio. Daar verwachtte ik al niet veel goeds meer van. Opengetrokken, geproefd ... hm, viel nog mee, meer dan dat zelfs: wat hadden we spijt dat we daar niet meer flesjes van gekocht hadden. 't Was een heerlijke oude wijn geworden. Heel herfstig en aards en toch nog wat primaire aroma's. Zalig. Ik was bekeerd. Ging op zoek naar meer Spaans van dat. Kwam terecht bij Ad Bibendum, La Buena Vida, Vinea, ... en had de inquisitie niet nodig om me te bekeren tot het juiste geloof. The rest is history.


3. OMG? Plonk of glouglou?
Het begint zo stilaan een vaste gewoonte te worden, maar dan een hele goede: mee zetelen in de Kurkdroog-jury van Megavino. Elk jaar kiest onvolprezen marathonproever Dirk Rodriguez immers een reeksje wijnen uit de supermarkt die deels aansluiten bij het thema van de jaarlijkse beurs. Dit jaar lag dat natuurlijk voor de hand: een greep uit de vele Spaanse wijnen die onze supermarkt aanbiedt. Dat dit jaar Spanje als gastland gekozen werd voor Megavino, lag al even erg voor de hand (niet dat we daarmee willen zeggen dat die keuze banaal zou zijn of zo, integendeel).
Gezien mijn - al niet meer zo heel recente - bekering tot het Spaanse wijnheiligdom, keek ik er wel naar uit. De mooie Vall Pors, geen misse Raimats, de zalige Condado de Haza of een paar formidabele Alba de Bretons indachtig, kon het alleen maar een verrijking zijn nog eens te zien wat er zo allemaal aan lekkers in de supermarktrekken te vinden was. Zulke proefjury's zijn altijd leuk om snel heel wat nieuws te leren kennen: je beoordeelt blind, alhoewel je toch weet wat je drinkt. Je laat je niet gauw verleiden door een crowd-pleaser, omdat je weet dat je daarvoor moet uitkijken. En, niet te vergeten, met wat chance vind je een paar mooie wijnen die voor niet al teveel beurspijn aan de kelder toe te voegen zijn. Right in tune was ik dus, zeker met de herinnering aan een zalige Utiel-Requeña en een echt wel te lekkere Emporda die Wim en Pvo de vorige avond op ons wijnbloggersstandje serveerden.
Een goed georganiseerde proeverij in een apart zaaltje weer. En toch, ik bleef wat op mijn honger zitten wat de wijnen betrof. Geen enkele keer had ik het WOW-gevoel dat ik bijvoorbeeld ervoer met de Sanguénis i Vaqué Vall Por 2003, die op eenzelfde proeverij twee jaar terug in de reeks zat. Het stond buiten kijf dat er heel wat degelijke wijnen in de vooral Tempranillo-dominante reeks zaten, maar er waren er slechts enkele die zich onderscheiden vaWoestijnwijnn een hele garde weinig zeggende exemplaren. Teveel wijnen waren jammer genoeg platgestabiliseerd. Iets wat wel meer voorkomt bij supermarktwijnen: hoe slaag je er anders in een wijn te laten overleven die ganse maanden rechtop, onder spots of in vol neonlicht en dikwijls ook nog eens veel te warm moet staan wachten tot een Samaritaanse hand hem uit zijn lijden verlost? Platfilteren, vlakzwavelen en liefst ook nog eens doodsteriliseren bij wijze van spreken. Jammer. Blijkbaar verliest Tempranillo ontzettend veel van zijn expressieve karakter wanneer er hij wat teveel gekooid wordt. 't Moet anderzijds dan wel weer gezegd dat haast geen enkele van die eerder 'afgevlakte' wijnen ouderwetse, oxidatieve neigingen vertoonde: slechts eentje werd prompt afgekeurd. Ook het vroeger zo typisch rustieke van heel wat Spaanse wijn, was absoluut niet dominant aanwezig. Dus, al bij al, zeker voor een zachte prijs iets degelijks, maar weinig opwindends in het glas.
Wie zei daar weer dat Spanje het meest opwindende wijnland van de wereld is? Wel, er waren natuurlijk ook enkele hijos die dat tegendeel bewezen. In de eerste plaats een helemaal niet zo eenvoudige Rioja Crianza: Azpilicueta 2005. Een wijn die gewoon alles heeft om 'goed' genoemd te worden: goede structuur, jeugdige frisheid en toch geen nukkig gesloten karakter. Lekker en scherp gefocust Tempranillo-fruit in de neus. Niet mis, zeker niet voor een schamele € 9 (Delhaize). Favoriet voor mij was anders de Musem Real Reserva 2004 (D.O. Cigales - Colruyt Klassewijnen). Heel herkenbaar, een biologische wijn zonder capsones of pretentie. Sappig lekker en begrijpelijk volgens Juan Peñin de beste wijn van zijn appellatie in de Guia van 2008. Een speciale vermelding mag ook alleszins naar een Spar-wijntje: Gran Fuedo Reserva 2003 uit de D.O. Navarra. Niet meteen de gemakkelijkste, met nog wat onversmolten, maar mooi hout op de neus en een dichte structuur die wat tijd nodig heeft om mooi los te komen. Een waardige opvolger voor die Señorio aanr € 7? Ik stuur Cabernette binnen een paar jaar nog wel eens de kelder in ... uit luiheid welteverstaan!

Geen OMG! dus, maar ook geen plonk of te lekkere wijn. Het ware Walhalla hebben we dus niet gevonden. Wel weer eens een knap in elkaar gestoken contest en een mooie eerlijke balans tussen prijs en kwaliteit bij deze wijnen, dat zeker, en dat is echt niet mis. Ga er maar eens naar zoeken in supermarktwijnen uit heel wat andere landen ... .
 
( het 'officiële verslag met ranking vind je terug op Dirk's eigen site)
LAST_UPDATED2
 


JPAGE_CURRENT_OF_TOTAL

Toekomstige activiteiten

Geen evenementen