Er zijn zo van die momenten dat je echt niet zonder TomTom wil rijden, en de avond van 3 november was er zo één, met heel dichte mist zowat overal ten lande. Of het nu vanuit het West-Vlaamse over het Gentse richting Brussel was, of vanuit Limburg over Leuven naar dezelfde bestemming, zowel Menelaos als Cabernette hadden al mistige peren gezien in hun rit naar Château de la Motte op de rand tussen Dilbeek en Sint-Ulriks-Kapelle. Ter compensatie van de geleden ontberingen stond er evenwel een interessante proeverij op het programma: de zogenaamde (?) mindere jaren van Toscane, Bordeaux en Côtes du Rhône. Naar goede gewoonte werden alle wijnen blind geproefd. Amaronese had al gewaarschuwd dat er ergens een Haut-Brion tussen zou zitten als extra teaser ... .
1. Dolce vita? Dolceamaro dan!
Het startschot werd gegeven met een in Bordelese stijl gevinifieerde onbekende: een weinig onthullende neus van rood fruit met een enigszins geroosterde toets werd in de mond gevolgd door dominant zuur rood fruit met veel te astringente bitters die lang bleven nazinderen. De gezichten rond de tafel spraken boekdelen: dit was geen meevaller. Daarnaast werd een subtielere wijn gezet in dezelfde geurstijl, maar met een zoetere aanzet van rijpe aardbei, die de zuren en de tannines beter in evenwicht wist te houden. De smaak zakte evenwel snel weg en maakte geen evolutie door. Beide wijnen bleken uit Toscane te stammen, al werd bij een gisronde vrijwel unaniem gegokt op Bordeaux, vooral naar aanleiding van het smaakprofiel van de eerste wijn, die onthuld werd als Villa Antinori 2005. Een vergelijking met de excellente 2003 is absoluut niet aan de orde. Wijn nummer twee bleek een Monte Peloso Eneo van 2002, beter dus dan de VA 2005, maar niet om over naar huis te schrijven.
Met de twee volgende wijnen bleven we in het land van la Dolce Vita, al waren de wijnen zelf niet bepaald zo ‘dolce’. Wijn nummer drie gaf als initiële geur het fameuze ‘putteke’, nadien alcohol, paprika en een weinig fruit – dit verbeterde wel met enige tijd in het glas te staan. De smaak was gestoofd rood fruit über Alles, eerder zuur en trok nogal fel droog door strakke tannines, maar was best wel interessant in zijn evolutie. Deze wijn, de Mazzei Fonterutoli 2000, kwam na afloop van de proefronde nogmaals in ons glas terecht en toonde zich toen veel ronder en meer uitgebalanceerd. Hier is een enigszins afwachtende houding – of een groter glas? – dus nog wel op zijn plaats. Dat kon niet meteen gezegd worden van de afsluiter voor deze zo gehalode streek. De geëvolueerde, bijna bruine kleur van deze wijn beloofde weinig goeds. In de neus vonden we te warme mon chéri-likeur, met wat paprikapoeder erover gesprenkeld. De vluchtige zuren deden denken aan sherry of Madeira, hetgeen de alarmbel voor maderisatie prompt deed afgaan. Al deze voortekenen werden in de mond bevestigd met enkel nog een restant van fruitwater en wat alcohol was. Waarschijnlijk was deze Badia a Passignano 1998 als jongvolwassene zeer mooi, maar nu was hij duidelijk ver voorbij de midlifecrisis.
Qua wijnjaren is het moeilijk, zoniet oneerlijk, hier een conclusie uit te trekken. Hoewel velen in Toscane tijdens het jaar 2000 teveel op volume mikten, blijkt een meer selectieve hand toch mooie dingen te kunnen doen. De Villa Antinori bevestigde wat vooraf gezegd werd: namelijk, dat het magische 2005 niet overal zo spectaculair was. Blijkbaar weigerde het beroemde Azienda Agricola Montevertine zelfs zijn Pergole Torte te produceren in 2005, een teken aan de wand … .
2. Van sterfputten en Appellation d'Origine Café.
De tweede regio die werd aangedaan met vier wijnen, was Bordeaux. De eerste wijn, Lagrange Saint-Julien 1999 (Parker 86), presenteerde nog een mooie robijnrode kleur in het glas, gaf in de neus wat ‘putteke’ met geleidelijk aan een geroosterde noot en rood fruit. De smaak was initieel een beetje stoffig, maar met een fluwelige textuur, bramen, een hint van chocolade en tabak, om te eindigen met wat beklede bitters en nog een verrassende, frisse toets (munt of venkel kwam het dichtste in de buurt). Dit was de eerste algemeen erkende “goede” wijn en een bevestiging van de gestage kwaliteit die het château weet te realiseren, ook in de “mindere” jaargangen. De Lagrange werd gevolgd door een iets oudere Saint-Julien: Ducru Beaucaillou 1997 (Parker 87). Na een veelbelovend begin van gebraden vlees met gestoofde groenten en rood fruit, leek de neus uit te doven. Dat werd door Dirk Rodriguez getypeerd als een klassiek geval van “sterfput”. De smaak was “gladder” dan de Lagrange en minder uitgesproken, maar redelijk vergelijkbaar qua smaakprofiel met iets meer uitdrogende tannines.
Beide volgende Bordeaux-wijnen kwamen uit Pessac-Léognan. De eerste, de Smith-Haut-Lafitte 1994 zette aarzelend in met een lichte kleur en een zwakke neus van rood fruit en lichte kruiden, maar werd verrassend vol in de mond over de hele lijn, met zoete rode kersen, tabak, kruiden en een hint van geroosterd gebraad naar het einde toe. Een redelijke lange afdronk, en als geheel heel mooi, zeker als je bedenkt dat dit een wijn van veertien jaar oud is uit een zogezegd minder jaar. Cabernette had haar favoriet van de avond gevonden en Menelaos kon haar enkel bijtreden. De semi-aangekondigde “ster van de avond”, de Haut-Brion 1993 (Parker 92), was opvallend donkerpaarsig van kleur. In de neus waren er mooie mediterrane kruiden (tijm, salie, rozemarijn) verweven met rijp rood fruit. Een volle smaak in de mond met gestoofd rood fruit, wat vlezigheid, een hint van zoethout en een noot van koffie naar het einde toe. Blijkbaar is die koffietoets typisch voor Haut-Brion, al is het een punt van discussie of het nu Columbiaanse of Peruviaanse koffie zou zijn.
In elke cliché ligt een bron van waarheid en zo dus ook voor Bordeaux en bewaarwijn. Het gaat hier weliswaar stuk voor stuk over geklasseerde grand cru’s, maar ze hebben toch mooi de tand des tijds doorstaan. Deze châteaux kunnen het zich niet permitteren hun kwaliteitsniveau te laten zakken en zijn dus verplicht om in niet–ideale jaren een extra inspanning te leveren. Het resultaat is dat finesse en terroir beter tot uiting komen, terwijl ze in (te) warme jaren sneller overstemd worden door het rijpe fruit. Het proeven van deze oudere Bordeauxwijnen vergt toch een ietwat andere aanpak dan bij het jonge geweld. Je gaat meer op zoek naar secundaire en tertiaire aroma’s (bosgeur, champignon, tabak, leer, …) en je moet er meer je tijd voor nemen. Het correct beoordelen van deze wijnen kan eigenlijk pas na een lange kennismakingsronde, inclusief muziekoptreden, slaapmutsje en ontbijt op bed. In welke volgorde, dat laten we aan de persoonlijke voorkeur van de proever over … .
3. Grommende legoblokjes.
Als laatste regio werd de Côtes du Rhône aangedaan, een duidelijke en opzettelijke stijlbreuk met de vorige wijnen. De P. Jaboulet Ainé Saint-Joseph 1994 is zowel in de neus als in de mond meer uitgesproken dan de Bordelese makkers, maar duidelijk minder complex. Niet echt onze smaak
, al valt niet duidelijk uit te maken of wijn nu over zijn top is of gewoon karakter mist. Met La Réméjeanne Les Eglantiers 2002 (Côtes-du-Rhône) komt er een dik zwartrood niet-transparant monster in het glas gekropen. Het gromt naar de neus met nogal wat alcohol, zoet rood fruit, en ergens een toets van leer. In de mond verandert dat monster eerder in een platte chihuahua: een zoet-kruidige mengeling met eerder korrelige tannines eronder. Ook weer redelijk ondefinieerbaar, deze wijn.
De afsluiter van de avond werd geschonken bij een overheerlijke pastei van parelhoen bijgestaan door een mosterdsausje met kappertjes en witte peper. Door al dat lekkers verdween de wijn, nochtans een Cornas van Delas Frères 1997 (Parker 90) een beetje naar de achtergrond, hoewel Cabernette nog het volgende wist te noteren: “de geur (kirsch) doet maderisatie vermoeden; de smaak die, hoewel nog behoorlijk vol, vrij snel wegvalt, bevestigt dat; alsof je van een gebouw in lego slechts nog blokjesfragmenten hebt; zonde?”.
4. The advantage is wine ... .
Mindere wijnjaren vormen zowel voor de wijnmaker als voor de wijnliefhebber een uitdaging. Aan de ene zijde dient de wijnmaker al zijn meesterschap en de liefde voor zijn wijn aan te spreken om de minder gunstige omstandigheden niet alleen in zijn voordeel om te draaien, maar juist de sterke punten van het afgelopen jaar naar boven te brengen. Goede terroirs komen meestal beter tot hun recht in moeilijkere jaren, terwijl hun optimale ligging in goede jaren soms van het goede teveel kan zijn. De liefhebber krijgt dan weer de kans, of de zware taak, op zoek te gaan naar deze buitenbeentjes aan soms zeer interessante prijzen.
1. Dolce vita? Dolceamaro dan!
Het startschot werd gegeven met een in Bordelese stijl gevinifieerde onbekende: een weinig onthullende neus van rood fruit met een enigszins geroosterde toets werd in de mond gevolgd door dominant zuur rood fruit met veel te astringente bitters die lang bleven nazinderen. De gezichten rond de tafel spraken boekdelen: dit was geen meevaller. Daarnaast werd een subtielere wijn gezet in dezelfde geurstijl, maar met een zoetere aanzet van rijpe aardbei, die de zuren en de tannines beter in evenwicht wist te houden. De smaak zakte evenwel snel weg en maakte geen evolutie door. Beide wijnen bleken uit Toscane te stammen, al werd bij een gisronde vrijwel unaniem gegokt op Bordeaux, vooral naar aanleiding van het smaakprofiel van de eerste wijn, die onthuld werd als Villa Antinori 2005. Een vergelijking met de excellente 2003 is absoluut niet aan de orde. Wijn nummer twee bleek een Monte Peloso Eneo van 2002, beter dus dan de VA 2005, maar niet om over naar huis te schrijven. Met de twee volgende wijnen bleven we in het land van la Dolce Vita, al waren de wijnen zelf niet bepaald zo ‘dolce’. Wijn nummer drie gaf als initiële geur het fameuze ‘putteke’, nadien alcohol, paprika en een weinig fruit – dit verbeterde wel met enige tijd in het glas te staan. De smaak was gestoofd rood fruit über Alles, eerder zuur en trok nogal fel droog door strakke tannines, maar was best wel interessant in zijn evolutie. Deze wijn, de Mazzei Fonterutoli 2000, kwam na afloop van de proefronde nogmaals in ons glas terecht en toonde zich toen veel ronder en meer uitgebalanceerd. Hier is een enigszins afwachtende houding – of een groter glas? – dus nog wel op zijn plaats. Dat kon niet meteen gezegd worden van de afsluiter voor deze zo gehalode streek. De geëvolueerde, bijna bruine kleur van deze wijn beloofde weinig goeds. In de neus vonden we te warme mon chéri-likeur, met wat paprikapoeder erover gesprenkeld. De vluchtige zuren deden denken aan sherry of Madeira, hetgeen de alarmbel voor maderisatie prompt deed afgaan. Al deze voortekenen werden in de mond bevestigd met enkel nog een restant van fruitwater en wat alcohol was. Waarschijnlijk was deze Badia a Passignano 1998 als jongvolwassene zeer mooi, maar nu was hij duidelijk ver voorbij de midlifecrisis.
Qua wijnjaren is het moeilijk, zoniet oneerlijk, hier een conclusie uit te trekken. Hoewel velen in Toscane tijdens het jaar 2000 teveel op volume mikten, blijkt een meer selectieve hand toch mooie dingen te kunnen doen. De Villa Antinori bevestigde wat vooraf gezegd werd: namelijk, dat het magische 2005 niet overal zo spectaculair was. Blijkbaar weigerde het beroemde Azienda Agricola Montevertine zelfs zijn Pergole Torte te produceren in 2005, een teken aan de wand … .
2. Van sterfputten en Appellation d'Origine Café.
De tweede regio die werd aangedaan met vier wijnen, was Bordeaux. De eerste wijn, Lagrange Saint-Julien 1999 (Parker 86), presenteerde nog een mooie robijnrode kleur in het glas, gaf in de neus wat ‘putteke’ met geleidelijk aan een geroosterde noot en rood fruit. De smaak was initieel een beetje stoffig, maar met een fluwelige textuur, bramen, een hint van chocolade en tabak, om te eindigen met wat beklede bitters en nog een verrassende, frisse toets (munt of venkel kwam het dichtste in de buurt). Dit was de eerste algemeen erkende “goede” wijn en een bevestiging van de gestage kwaliteit die het château weet te realiseren, ook in de “mindere” jaargangen. De Lagrange werd gevolgd door een iets oudere Saint-Julien: Ducru Beaucaillou 1997 (Parker 87). Na een veelbelovend begin van gebraden vlees met gestoofde groenten en rood fruit, leek de neus uit te doven. Dat werd door Dirk Rodriguez getypeerd als een klassiek geval van “sterfput”. De smaak was “gladder” dan de Lagrange en minder uitgesproken, maar redelijk vergelijkbaar qua smaakprofiel met iets meer uitdrogende tannines. Beide volgende Bordeaux-wijnen kwamen uit Pessac-Léognan. De eerste, de Smith-Haut-Lafitte 1994 zette aarzelend in met een lichte kleur en een zwakke neus van rood fruit en lichte kruiden, maar werd verrassend vol in de mond over de hele lijn, met zoete rode kersen, tabak, kruiden en een hint van geroosterd gebraad naar het einde toe. Een redelijke lange afdronk, en als geheel heel mooi, zeker als je bedenkt dat dit een wijn van veertien jaar oud is uit een zogezegd minder jaar. Cabernette had haar favoriet van de avond gevonden en Menelaos kon haar enkel bijtreden. De semi-aangekondigde “ster van de avond”, de Haut-Brion 1993 (Parker 92), was opvallend donkerpaarsig van kleur. In de neus waren er mooie mediterrane kruiden (tijm, salie, rozemarijn) verweven met rijp rood fruit. Een volle smaak in de mond met gestoofd rood fruit, wat vlezigheid, een hint van zoethout en een noot van koffie naar het einde toe. Blijkbaar is die koffietoets typisch voor Haut-Brion, al is het een punt van discussie of het nu Columbiaanse of Peruviaanse koffie zou zijn.
In elke cliché ligt een bron van waarheid en zo dus ook voor Bordeaux en bewaarwijn. Het gaat hier weliswaar stuk voor stuk over geklasseerde grand cru’s, maar ze hebben toch mooi de tand des tijds doorstaan. Deze châteaux kunnen het zich niet permitteren hun kwaliteitsniveau te laten zakken en zijn dus verplicht om in niet–ideale jaren een extra inspanning te leveren. Het resultaat is dat finesse en terroir beter tot uiting komen, terwijl ze in (te) warme jaren sneller overstemd worden door het rijpe fruit. Het proeven van deze oudere Bordeauxwijnen vergt toch een ietwat andere aanpak dan bij het jonge geweld. Je gaat meer op zoek naar secundaire en tertiaire aroma’s (bosgeur, champignon, tabak, leer, …) en je moet er meer je tijd voor nemen. Het correct beoordelen van deze wijnen kan eigenlijk pas na een lange kennismakingsronde, inclusief muziekoptreden, slaapmutsje en ontbijt op bed. In welke volgorde, dat laten we aan de persoonlijke voorkeur van de proever over … .
3. Grommende legoblokjes.
Als laatste regio werd de Côtes du Rhône aangedaan, een duidelijke en opzettelijke stijlbreuk met de vorige wijnen. De P. Jaboulet Ainé Saint-Joseph 1994 is zowel in de neus als in de mond meer uitgesproken dan de Bordelese makkers, maar duidelijk minder complex. Niet echt onze smaak
, al valt niet duidelijk uit te maken of wijn nu over zijn top is of gewoon karakter mist. Met La Réméjeanne Les Eglantiers 2002 (Côtes-du-Rhône) komt er een dik zwartrood niet-transparant monster in het glas gekropen. Het gromt naar de neus met nogal wat alcohol, zoet rood fruit, en ergens een toets van leer. In de mond verandert dat monster eerder in een platte chihuahua: een zoet-kruidige mengeling met eerder korrelige tannines eronder. Ook weer redelijk ondefinieerbaar, deze wijn. De afsluiter van de avond werd geschonken bij een overheerlijke pastei van parelhoen bijgestaan door een mosterdsausje met kappertjes en witte peper. Door al dat lekkers verdween de wijn, nochtans een Cornas van Delas Frères 1997 (Parker 90) een beetje naar de achtergrond, hoewel Cabernette nog het volgende wist te noteren: “de geur (kirsch) doet maderisatie vermoeden; de smaak die, hoewel nog behoorlijk vol, vrij snel wegvalt, bevestigt dat; alsof je van een gebouw in lego slechts nog blokjesfragmenten hebt; zonde?”.
4. The advantage is wine ... .
Mindere wijnjaren vormen zowel voor de wijnmaker als voor de wijnliefhebber een uitdaging. Aan de ene zijde dient de wijnmaker al zijn meesterschap en de liefde voor zijn wijn aan te spreken om de minder gunstige omstandigheden niet alleen in zijn voordeel om te draaien, maar juist de sterke punten van het afgelopen jaar naar boven te brengen. Goede terroirs komen meestal beter tot hun recht in moeilijkere jaren, terwijl hun optimale ligging in goede jaren soms van het goede teveel kan zijn. De liefhebber krijgt dan weer de kans, of de zware taak, op zoek te gaan naar deze buitenbeentjes aan soms zeer interessante prijzen.





