Turkse wijn? Bestaat niet, joh! Siktir la! - Deel 3: Een streepje Turkse wijngeschiedenis
zondag, 25 oktober 2009 00:00
Amaronese
Turkije, dat is het land dat wij hooguit kennen van de kebap, de dürüm en het Turks fruit, of, voor de reislustigen onder ons, het land van de tapijtenweverijen met het onvermijdelijke glaasje hete appelthee, de kleurrijke bazaars, de waterpijpenboetiekjes en de reusachtige all-inhotels. Niet meteen een land dat je associeert met een unieke gastronomische cultuur. En toch is die er. Er is zelfs een wijncultuur in Turkije. Een wijncultuur die al volwassen was toen wij, hier in Europa, nog maar amper onze eerste stapjes waagden in de druiventeelt en het wijnmaken.
1. Back to the roots: een Hettitische Petrus? Als we op zoek gaan naar de sporen van de eerste wijn moeten we bijna terug naar de dag en dauw van de mensheid. De oudste vondsten die met zekerheid wijzen op het bestaan van wijn voeren maar liefst 7000 jaar terug naar Hajji Firuz Tepe, een kleine Neolitische nederzetting in de schoot van het onherbergzame Zagros-gebergte (Noord-Iran). In het midden van de jaren '90 werden daar door een groep Amerikaanse archeologen de oudste resten ontdekt van wat ooit eens een memorabele cuvée moet geweest zijn. Van welke druiven hij gemaakt werd, of hij wit of rood was en of hij mineralig dan wel fruitig was, zullen we wellicht nooit te weten komen. Maar, dat het wijn was die in de kruiken opgeslagen werd, is onomstotelijk bewezen: de van 5400-5000 voor Christus daterende resten van enkele grote kruiken bevatten immers een opvallend grote hoeveelheid tartraatkristallen, een biochemische verbinding die uitzonderlijk veel aanwezig is in druiven. Bovendien bevatten de gevonden 9-literkruiken - het volume van een hedendaagse salmanazar Champagne! - ook restanten van hars afkomstig van de Terpentijnboom (Pistacia terebinthus), een boom die veel voorkomt op droge, rotsachtige plaatsen rond de Middellandse Zee. Die hars werd niet zomaar toegevoegd omdat de Hettieten tuk waren op een harssmaakje in hun wijn. Ze deed dienst als bewaarmiddel. Net zoals in de hedendaagse Griekse retsina werd de terpentijnhars gebruikt omwille van de antibacteriële werking. Vaten werden ermee ontsmet en verzegeld en aan de wijn zelf werd ook een stevige lepel hars toegevoegd om ervoor te zorgen dat hij maandenlang een lust voor de smaakpapillen bleef. De ontdekking van deze harsrestanten bewijst dus dat het niet zomaar om een spontane, ongewenste vergisting van druiven of druivensap ging, maar dat er in deze kruiken wel degelijk de eerste echte wijn zat. We kunnen zelfs nog verder terugdringen in de mistige regionen van de vroegste wijngeschiedenis. Onze zoektocht zou ons dan brengen tot één van de allereerste echte steden, met name het Turkse Çatal Hüyük, gelegen in de schaduw van de tweekoppige vulkaan Hasan Dağ in Centraal-Anatolië. Tussen de resten van de aarden muren van deze Neolitische nederzetting, die dateert van 7500 v.C., werden potscherven gevonden met daarin telkens een klein hoopje druivenpitten. Waren dit de restjes van een leuk after-dinnerspelletje à la mik-je-druivenpitjes-in-de-pot-zonder-je-buurman-onder-te- spuwen? Waarschijnlijk niet. De kans is groter dat deze pitjes het bezinksel waren van wijn die uit volledige druiven vergistte in primitieve aardewerken potten. Of die vergisting gewenst was, kunnen we niet meer achterhalen, maar wat we hier wel uit kunnen afleiden is dat de mens druiven en hun sap alleszins naar waarde wist te schatten. Wat later - we zijn dan al aanbeland in het tweede millenium voor Christus - krijgen we een scherper zicht op het gebruik van wijn in het alledaagse leven van het Nabije en Midden-Oosten. Niet zover van Çatal Hüyük, ook in Centraal-Anatolië, het ongerepte, woeste binnenland van Centraal-Turkije, vinden we namelijk de resten terug van wat ooit de machtige hoofdstad was van het uitgestrekte Hettitische imperium: Hattuša (het huidige Boğazköy). Tijdens de opgravingen van deze stad trof men honderden kleitabletten aan met daarop lofzangen en ontelbare verwijzingen naar het gebruik van wijn door de Hettieten. Wijn speelde in hun samenleving blijkbaar een sociale en rituele rol van kapitaal belang. Hij werd niet alleen gebruikt tijdens godsdienstige riten, maar diende ook als een soort sociaal onderscheidingsteken, want zo'n kruik wijn kon je alleen maar op tafel zetten wanneer je tot de rijksten der aarde behoorde. Wijn was een exclusief product, een beetje zoals de hedendaagse 1er cru's uit Bordeaux. Je toonde je sociale status pas echt aan je verwende gasten door een kruik van die heerlijk geurige wijn te openen naast je overladen feestdis. Vanwaar de Hettieten hun wijncultuur meebrachten, blijft voorlopig nog een raadsel, maar dat ze zich sterk uitbreidde tijdens de bijna duizendjarige Hettitische alleenheerschappij over het huidige Turkije en grote delen van het Nabije Oosten is een onbetwistbaar feit. Zij zijn waarschijnlijk de eersten die in Anatolië een vorm van rendabele wijnproductie uitbouwden en hun wijnen als wijd en zijd geroemde luxeproducten exporteerden naar de verre landen rond de Middellandse Zee en het rijke Oosten. Wat later speelden niet alleen de Phoeniciërs, een volk van geboren zeevaarders, maar ook de opname van Hettitische kennis en gebruiken in de Helleense wereld een verdere rol in de verspreiding van hun wijnmakerskunst. We mogen dus met recht en reden zeggen dat Anatolië zowat de kindertuin van de Europese wijncultuur was.
2. De lange nacht van de Islam. Tijdens de Hellenistische periode en de Romeinse overheersing werd de wijncultuur in Turkije, of Asia Minor zoals men het toen ook wel noemde, verder ontwikkeld en verspreid. Meer dan 2000 jaar lang bleef wijn waardevol handelsgoed rond de Middellandse Zee, in de Nijldelta en de Nabije Oriënt. Van de Maas tot de Eufraat werd er wijn verscheept naar allerhande verre en exotische bestemmingen. Elke godsdienst uit deze streken had wel een wijngod of verhaalde in haar geschriften over de magie van wijn. Het goddelijke druivensap werd al gauw een vaste waarde in het dagelijkse leven van de slaaf, de man in de straat, de grootgrondbezitter en de politicus. Een wereld zonder wijn zou toen even ondenkbaar geweest zijn als nu België zonder bier. In Turkije veranderde de houding ten opzichte van onze godendrank echter drastisch toen de Seldjoeken in de 10de eeuw vanuit het gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee het Turkse vasteland binnenvielen. Zij verspreidden zich aan een waanzinnig tempo en controleerden al gauw het hele Turkse binnenland. In het begin van de 14de eeuw ontstond uit de restanten van dit uitgestrekte Seldjoekenrijk het grote Ottomaanse imperium dat van 1302 tot 1922 het hele Oosten van de Middelandse Zee domineerde. Samen met de Seldjoeken kwam ook een nieuwe godsdienst naar Europa: de Islam. Die werd onder het Ottomaanse regime verder verspreid en gecultiveerd over grote delen van Oost-Europa, het Nabije Oosten en Noord-Afrika. Met deze vreemde, jonge godsdienst kwam echter ook een nieuwe levensstijl mee die de moslims navolgden. Eén van de vele voorschriften van die levenswijze behelsde een absolute onthouding van elke soort geestrijke drank: alcohol was 'haram', verboden met andere woorden. Geen sterke drank dus en ook geen wijn meer voor de Turken. De toonaangevende positie die de Anatolische wijn in het alledaagse leven had bekleed, brokkelde langzaam af: wijn drinken werd een gebruik dat je alleen nog tegenkwam in Christelijke, Joodse en Armeense middens. Zonder wijndrinkers bleek de voorheen bloeiende wijnbouw zo onrendabel dat het gros van de wijnboeren zich verplicht zag over te schakelen op de teelt van andere fruitsoorten of graangewassen. Daarnaast werd een groot deel van de vroegere wijngaarden omgevormd tot druivenplantages voor de productie van de tafeldruiven en krenten die nu nog steeds hun typisch accent verlenen aan de Turkse keuken. De imposante wijnstroom die vanuit de Turkse kuststreken en de inlandse valleien ooit de halve wereld overspoelde werd gereduceerd tot een minuscuul, stilletjes voortkabbelend beekje dat ontsprong aan een stilaan opdrogende bron.
3. Phoenix ex cinere suo renascitur: een voorzichtige wederopstanding. Als je in een Turks winkeltje aan de praat geraakt met de verkoper, kan je er donder op zeggen dat na nog geen vijf minuten Mustafa Kemal Attatürk de revue gepasseerd is. 'Vadertje Turkije' wordt hij ook wel genoemd en dat is niet onterecht. In het langzame verval en de pijnlijke ontbinding van het Ottomaanse rijk, komt Attatürk naar voren als een integer en charismatisch man met een visionaire blik op de toekomst van zijn vaderland. Hij werd al snel erkend als de leider van de Turkse revolutionaire nationalisten en wist door een zeldzame combinatie van diplomatieke en militaire stategieën de schaamteloze verdeling van Turkije tussen de Westerse geallieerden in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog een halt toe te roepen. Op 29 oktober 1923 riep hij in de nieuwe hoofdstad Ankara de Turkse republiek uit. Attatürk liet het daar echter niet bij. Hij maakte van Turkije een moderne, seculiere staat en getrooste zich geen enkele moeite om de Turkse economische en culturele identitiet, die compleet verloederde in de laatste 100 jaar van het Ottomaanse regime, terug op peil te brengen. Ook de haast helemaal verdwenen wijnbouw werd een nieuwe kans gegund. De Joden, Armeniërs en Christenen die onder de Ottomaanse sultans de laatste restanten van Anatolische wijnbouw hadden gekoesterd en bewaard, waren immers het land ontvlucht tijdens de val van het grote Turkse rijk en de daarop volgende verontrustende interne conflicten. Hun kennis en expertise namen ze mee en de laatste beetjes Turkse wijngaarden bleven verweesd achter. Attatürk bracht daar verandering in. De secularisatie van de Turkse staat was al een duwtje in de rug, maar vooral de oprichting in 1926 van Doluca te Mürefte, de eerste moderne wijnmakerij in Turkije, en het familiebedrijf Kavaklidere in 1929 te Ankara, dat al snel een vlekkeloze reputatie opbouwde en de openlijke goedkeuring verwierf van Vadertje Turkije zelf, mag gezien worden als het einde van de dark ages van de Turkse wijnbouw. Cenap And, de stichter van Kavaklidere, nam in feite het voortouw in de wederopstanding. Samen met Doluca is Kavaklidere vandaag nog steeds het boegbeeld van de Turkse wijnproductie. Toch kwam de Turkse wijnproductie in die eerste jaren maar moeizaam terug op gang. Dat had natuurlijk alles te maken met de Islam. Ondanks de secularisering van de staat en de veranderende houding ten opzichte van de godsdienst, bleef en blijft wijn voor vele Turken nog steeds een verboden goed. De binnenlandse afzetmarkt was tot voor kort ontzettend klein, hetgeen veel enthousiast beginnende wijnboeren al snel de das dreigde om te doen. Gelukkig greep ook hier Attatürk weer in: hij bevorderde onder meer de oprichting van het staatswijngoed Tekel, een soort coöperatieve onderneming die met haar 21 samenwerkende wijndomeinen tot aan haar ontbinding in 2006 de grootste wijnproducent van Turkije bleef. De oprichting van Tekel hielp sterk in de ontwikkeling van een moderne know-how en het aanboren van nieuwe exportmarkten. De Turkse wijnproductie ging met rasse schreden vooruit. Vandaag telt Turkije, naast grote marktspelers als Doluca en Kavaklidere, al een 300-tal kleinere wijndomeinen en zelfs een paar echte boutique-wineries, waarvan er enkele zeer hoge kwaliteitsnormen nastreven. Met de langzaamaan internationaliserende Turkse economie, het exponentieel groeiende buitenlandse toerisme en de jonge, meer pragmatische generatie van imams in de moskees, lijkt de wederopstanding van de Turkse wijnindustrie plots op kruissnelheid te komen. Wijn drinken is minder taboe en wijn maken wordt ondertussen aanzien als een zeer respectabele kostwinning. Buitenlands kapitaal en moderne wijnproductietechnieken worden dan ook met open armen ontvangen, zonder daarbij evenwel de eigen identiteit van Turkse wijn te vergeten. Oude wijngaardsites worden opnieuw beplant met internationale druivenrassen als Cabernet en Merlot, maar ook de unieke autochtone druivenrassen als Narince, Öküzgözü en bijvoorbeeld Boğazkere, worden met een zekere trots terug een plaatsje gegeven op de met geschiedenis doordrenkte wijnbergen van Anatolië en Capadocië. Het lijkt alsof de ongeveer 8000 jaar oude Turkse wijncultuur haar elan van weleer teruggevonden heeft.
Volgende keer: een paar Turkse wijnen voor u geproefd.
LAST_UPDATED2
Turkse wijn? Bestaat niet, joh! Siktir la! - Deel 2: Van honden, varkens en walrussen
maandag, 05 oktober 2009 21:19
Amaronese
Een stralende zomermorgen aan een zacht murmelende kust. Een goed bed waarin je je nog eens omdraait, regelmatig zuchten naast je, kabbelende, warme stemmen die vanop een aarzelende zeebries binnenwaaien. Dat kan alleen maar het purperen morgenuur betekenen aan de Middellandse Zee. De geur van zilt, dennennaalden en opwarmend gesteente, een mix die zo uniek is, dat ik niet veel moeite moet doen om 'm me voor de geest te halen. Je kan je wat mij betreft geen hedonistischer ontwaken voorstellen ... . Wij werden na lange tijd eindelijk nog eens uitgeslapen wakker: een dag die goed begon, ideaal dus voor een eerste zoektocht naar die curieuze Turkse wijn.
1. Geblondeerde varkens en foot-fetish-fish. Nog wat verfrommeld van de dag ervoor deden wij onze ogen open in een wat sjofele, lichtjes aftandse hotelkamer. Alles was er, alles was in orde, maar je zag duidelijk dat deze kamer betere tijden beleefd had. Na twee keer omdraaien en wat gemummel van mijn rechterkant besloot ik dan toch maar eens die zo gemoedelijke horizontale positie in te ruilen voor een wandelingetje door de kamer naar de kamerbrede venster die uitgaf op een met pijnbomen afgezoomd zeezicht. Een grijsblauwe, lichtjes onrustige zee klotste nog slaperig tegen de koele kiezelstranden, vanaan de horizon kwamen de eerste vissersbootjes al pruttelend de haven van Marmaris tegemoet gevaren en als van ver - ik dacht eerst dat ik het te zeker droomde - kon je gekwetter en gegier van dolfijnen horen. Dan toch dolfijnen in het Mares Dolphin Palace? Inderdaad: wat later op die dag kwamen we te weten dat het hotel een drietal dolfijnen hield in een afgesloten gedeelte wat verderop voor de kust. Niet zozeer als toeristische atractie, maar wel als onvervangbare hulp bij een therapie voor autistische kinderen. Als buitenstaander mocht je ook - tegen een fikse prijs natuurlijk - eens met de dolfijnen zwemmen, maar daar bedankten wij toch liever voor. Voor de kust van het hotel bleek het immers te wemelen van grappige visjes die helemaal niet bang bleken en wanneer je stil hing te dobberen in het water gebiologeerd rond je tenen bleven hangen. Hebben vissen dan een foot-fetish? Soit, wij dartelden zorgeloos, je weet wel: zoals vroeger, met bloemen in ons haar ... nee, zap, fout kanaal. Dat was Alex Agnew. Rewind: wij wandelen op ons dooie gemak riching ontbijtzaal. Best wel even zoeken in ons hotel dat een typische all-inmastodont bleek. In het hoogseizoen kon er gemakkelijk 800 tot 1000 man logeren. Niet te verwonderen dus dat we bijna verloren liepen en na de eerste traphal, waar we door een vriendelijke ober heen werden gestuurd, dachten dat iemand ons wat had wijsgemaakt. Uiteindelijk stonden we dan toch op het derde terras - het ontbijterras - in een stralende, maar nog wat koele ochtendzon. Heel wat hotelgasten liepen al af en aan met rinkelend bestek, tot de laatste drup volgetankte glazen, gargantuesk overladen borden in de ene en jengelende obese kinderen in de andere hand. Gelukkig was er genoeg afleiding te vinden in het panoramische uitzicht rondom en de heerlijke geuren van bloeiende oleanders en koffie die onze neusgaten binnenkringelden. Wij volgden ons reukorgaan en gingen richting ontbijtbuffet. Een reusachtige tafel met tientallen verschillende soorten Turks brood: crèmig zacht van textuur, tegelijkertijd luchtig en zeer smakelijk, in alle vormen en maten. Hopen vers fruit, prachtig geschikt in uitgeholde meloenen uitgesneden in de vorm van allerhande vogels, joekels van verse olijven, een eindeloze variatie aan Mediterrane kazen en ... een al even eindeloze rij wachtenden voor een omeletje, scrambled egg en wat dies meer zij. Ik moest al niet veel moeite doen om de oorzaak te achterhalen: als aangespoelde, verbrandde walrussen uitziende venten met tattoos tot in de neusgaten, een dubbele kin tot achter in de nek, een afgeleefde short met tartanmotief en door Posh' teddy gesigneerde voetbalsloffen, vergezeld van minstens al even elegant blubberende roodaangelopen vetbergen die minstens evenveel weghadden van een geblondeerd varken, als van een kortgerokt nijlpaard met fond de teinte tot achter de oren ... aaaaaaaaaaaarrrrrggghh: Britten! En wat voor Britten: de Onslows en de Vicky - "No, but, yeah, but, no, but, yeah, but, no, but, yeah but I know"- Pollards leken plots en masse naar het Turkse vasteland geëmigreerd. Landgenoten van Michael Broadbent en Steven Spurrier? U zegt ... ? Ik kon het wel krijgen. Tot overmaat van ramp hadden we na een tiental minuten aanschuiven nu wel echt een Agnew-déjà-vu: "da goad'ier nie voroit, da goad'ier nie voroit ..." . Wij hadden ons het rustig wakker worden aan de zo bejubelde baai van Marmaris toch ietsje anders voorgesteld, niet?
2. Dogkiller. Dag één moest een rustdag worden: hadden wij onszelf immers geen platte rust voorgeschreven? Tja, goed geprobeerd, maar niet helemaal gelukt. Onze nieuwsgierigheid was ons weer wat te snel af: na een voormiddagje luieren aan het water - het zwembad hielden wij al gauw voor bekeken nadat er één van onze Britse medemensen onder luid gejuich en wanhopige blikken van het Turkse personeel een rondedans in knalgroene Boratstring uitvoerde -, besloten we in één van de kleine barretjes van het hotel iets lichts te eten. Weer een haast te rijkelijke variatie aan allerhande Mediterrane lekkernijen, maar, tot onze verbazing, geen typisch Turkse gerechten. Daar moesten we blijkbaar elders naar op zoek. Gelukkig zag ik daar wel al wat wijnglazen aan tafel verschijnen. Turkse wijn? Laat maar komen! Wij bestelden een glas wit en een glas rood; er was blijkbaar alleen een soort huiswijn te krijgen, maar die was wel echt van Turkse bodem. Cabernette bestelde een glas wit, ik ging voor een glas rood. Wit en rood, dat waren ze inderdaad die twee wijnen. Alleen misschien wel iets te letterlijk. Cabernettes wijn had bijna geen kleur. Nu ja, zo eigenaardig hoeft dat niet te zijn, er zijn nog wel wijnen die praktisch kleurloos zijn. Maar, die van mij sloeg toch wel alles: kersenrood, zo hevig chemisch van kleur dat het bijna snoepwater of grenadine leek. Nog nooit zoiets gezien. Gelukkig weet ik ondertussen dat kleur zelden het Heilig Evangelie over een wijn verkondigt, dus staken wij er maar meteen onze neus in. Niet simpel in die tot de nok gevulde, brede glazen. Walsen was er al helemaal niet bij. Of ik had het gillende speenvarken op vier uur, twee meter ruggelings, toch zo welgemeend per ongeluk moeten ondersproeien. Gelukkig een eerste snuif deed mij al betwijfelen of ik nog wel wilde walsen. Wat was dit voor iets? Als ik het met mijn ogen dicht had moeten beschrijven, had het minstens een dadaïstische collage als volgt geworden: minstens tien keer gebakken en bevroren neuzekes, vergeten in het handschoenenkastje van een voorhistorische Wardburg die al vijf jaar rond reed met een lekkend bakelieten dak dat al meermaals afgedicht leek met beschimmeld golfkarton. Ergens slingerde ook nog een verdwaalde peuk van een Russische zjoevski rond en het rubber van de vensterdichtingen moest minstens even verduurd zijn als de plastieken glimlach van Karl Lagerfeld. O ja, net voor de chimerische afdronk was er ook nog wat steeltjesbitter te bespeuren. Toch nog iets dat aan een druif herinnerde. Cabernettes witte goedje bleek al niet veel beter. Zij het dat daar toch ergens wat muskaat in te bespeuren viel. Was dit die Turkse wijn? Je weet wel, zo van die wijn die men van druiven maakt? Dit leek echt wel letterlijk een wansmakelijke grap. Niet meteen een aanrader ... . Wij kuierden 's namiddags dan maar wat lui langs de promenade die helemaal van ons hotel naar de 8 km verderop liggende haven van Marmaris liep. Onbezorgd uitwaaien onder de dadelpalmen die een eerste snoeibeurt ontvingen, her en der kale muurtjes overspoelende, veelkleurig bloeiende vetplantjes, prachtig aangelegde parktuinen van hotels, langzaam, maar gestaag doorwerkende Turkse bouwvakkers die alles in orde brachten voor het nakende hoogseizoen, vissers die hun net verstelden, ... wij waren ons eerste avontuur met Turkse wijn al snel vergeten. Wat verderop sprak een excursieoragnisator ons goedlachs aan. Wij konden het niet laten het gesprek wat te rekken en eens te kijken wat er zoal los te peuteren viel van de vlotte kerel - Simon voor de vrienden - die blijkbaar een paar jaartjes in Engeland voor tolk gestudeerd had en zo ongeveer vlekkeloos Engels sprak. Geen betere kans om wat Turks te leren en dan ook meteen maar wat meer te weten te komen over de streek en de regionale cultuur. Voor we het wisten was er een uur voorbijgekout, waren wij heel wat Turks rijker, wisten wat meer over de hypertoeristische stad die Marmaris was en had Simon ons een excursie naar Ephese verpatst. Ik wist ondertussen ook naar een goede local tip voor een visrestaurant te hengelen en waagde het er dan ook maar meteen op wat door te vragen over Turkse wijn, want Simon bleek ook best wel een gourmand en in de UK had hij heel wat Europese wijnen leren kennen: een goede, frisse Valpolicella, dat had hij nog het liefst. Het Britse white trash in ons hotel leekt welhaast een anachronisme als je Simon hoorde vertellen over de wining&dining-cultuur die hij in London opdeed. Toen ik ons lunchdebâcle vertelde, barstte hij meteen in schaterlachen uit. Tja, dat was wijn voor de toeristen en Turken die veel wilden drinken zonder al te snel zat te zijn. Dogkiller noemden zij het, en dat was, wat mij bertreft alleszins, de nagel op de kop. Nee, er werd veel betere wijn gemaakt in Turkije, verzekerde hij ons, hoewel de wijnproductie in Turkije nog maar sinds kort echt aan belang aan het winnen was. Er werden vroeger vooral tafeldruiven en druiven voor de krentenproductie gekweekt, zoals Sultaniye bijvoorbeeld. In bepaalde streken werd er van oudsher al wijn gekweekt, maar die kwam zelden buiten die streek. Door het toerisme en door de Westerse ingesteldheid van de Turkse overheid en de Turkse voedingsindustrie kwam daar de laatste tien à vijftien jaar langzaamaan verandering in. Turkse wijn wordt nu stilaan zij het nog steeds wat aarzelend gepresenteerd als de onmisbare begeleider van de goede Turkse keuken in de betere restaurants. De Turkse gastronomie is immers één van de drie grote gastronomische culturen van de wereld, zo zegt men. En daar hoort vanzelfssprekend wijn bij. Oef, dan toch Turkse wijn? Wij keerden terug naar het hotel met tickets voor Ephese op zak en twee kladbriefjes van boven tot onder volgekribbeld met informatie over echte Turkse wijn.
Wordt vervolgd.
LAST_UPDATED2
Turkse wijn? Bestaat niet, joh! Siktir la! - Deel 1: Ilias en Odyssee
zaterdag, 26 september 2009 21:38
Amaronese
Al eens een ossenoog gedronken? Nee? Nu ja, dat drink je niet bepaald elke dag ... zo'n ossenoog. Hetzelfde denken heel wat mensen ook als je het hebt over Turkse wijn. Die moet minstens aan de fantasie van de spreker ontsproten zijn, of uit een mysterieus toeval bestaan. "Je zal wel raki bedoelen", wordt er al gauw gezegd. "Nee, echt waar Turkse wijn. Heb ik met m'n eigen ogen gezien. Ik heb er zelfs gedronken". Rood, wit of rosé. Stil of bruisend, hij bestaat immers echt die Turkse wijn. Je kan er ondertussen eigenlijk zelfs niet meer naast kijken ... .
1. Na een Ilias hoort altijd een Odyssee. 12 april 2009 ... Cabernette en ik checken nog een laatste maal of onze caddies niet te overladen zijn en of we echt wel alles meehebben. 't Was inpakken in race-tempo, want Cabernettes doctoraat was nog maar goed binnen of het geharrewar voor onze nakende trouw stond alweer volop op het programma en op het werk lieten ze ons ook niet bepaald gerust. Colloquiummetje organiseren hier, artikeltje afwerken daar, abstracts1 schrijven, vliegtuigtickets boeken voor het volgende congres, ... en dat na een intense maandenlange durende periode van gezamenlijke stress. Cabernette, omdat ze - of all people!? - vreesde haar doctoraat toch niet op tijd gefinaliseerd te krijgen en, nog meer omdat ze nog niet wist hoe het beruchte 'zwarte gat' na het doctoraat ging worden ingevuld. Ikzelf natuurlijk simpelweg uit plaatsvervangende stress. Als ik onze agenda (Google-agenda, toch zo handig) er opnieuw op na sla, dan vraag ik we nog altijd af hoe we het laatste half jaar zonder al teveel kleerscheuren doorgekomen zijn ... . Nood aan een stressbreak dus. Maar die mocht niet teveel tijd in beslag nemen en vooral geen pecuniaire aderlating zijn. Wat rondgesnuisterd en dan maar gemikt op een last-minute all-in Turkije. Niet meteen ons idee van reizen, maar kom, er moest vooral platte rust op het programma staan. Natuurlijk, onszelf kennende was het te denken dat het niet al platte rust ging zijn wat de klok sloeg, maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen. We beginnen in stijl, zelfs in de irritante chaos van ons nationale luchtvaartjuweel, Zaventem. Wat doet een culinair koppel in een tax-free met een oesterbar? Juist, een schoteltje creuses bestellen met een glaasje witte wijn erbij. De één een glas Chablis (het was een William Fèvre, maar vraag me niet meer welke cuvée), de ander een glas Sancerre van Henri Bourgeois. Geen wijnen om stijl van achterover te vallen natuurlijk, maar soit, het was kiezen tussen wat het aanbod toeliet. De Sancerre ging er als vaneigens het best bij. De zilte mineraliteit en de pure, vegetatieve aroma's harmonieerden alleszins beter dan die van de - wat mij betreft - deftig overeikte en alleszins te waterige Chablis. Ons culinaire reisaperitiefje viel evenwel zo goed mee dat we het een paar maand later, bij het begin van onze huwelijksreis, nog eens zouden herhalen. Het lijkt zowat snobish, maar het is gewoon ideaal om in de stemming te geraken. Wij waren helemaal klaar voor de boarding: Na wat - zoals altijd in Zaventem - wel enkele eindeloze kilometers rolband door een jungle van blèrende jung en jolige Hollanders leek, konden we eindelijk onze gordels veilig vastklikken 2. Turkey, here we come! Ik moet bekennen: vliegen doe ik niet echt graag. Ik heb geen schrik om van te grond te gaan of zo (zeker niet in die betekenis ), maar ik vind vliegreizen steeds vervelend. Vooral korte-afstandsvluchten: ik zit er nooit op mijn gemak. Zelfs als ik een goed boek zit te lezen, hetgeen deze keer wel echt het geval was: ik vond een heruitgave van Nicolaas Klei's Over de tong voor een prikje in een bookshop in de luchthaven. "Meetsjoepen, die handel", dacht ik meteen en ik heb het me - zoals te verwachten was - niet beklaagd (maar daarover later zeker meer). Ondanks het feit dat een vriendelijke juffrouw achter de incheckbalie, mij al taxerend, plaatsen aan de nooduitgang gaf, zodat ik wat meer beenruimte had, was het onbehaaglijke vlieggevoel er toch weer. Zit ik in zo'n onding van een A330 van Airbus, bijvoorbeeld het type waar Thomas Cook en dergelijke mee vliegen, dan bekruipt het me steeds weer: dat tunnelgevoel. Net alsof je in een rammelende sigaarvormige bus in the middle of nowhere zit. Die benauwdheid is nooit paniekerig of zo, maar ik krijg altijd barstende hoofdpijn van dat geraas van de airco's, het getetter van de Teletubbie-achtig vrolijke vakantiekoppels voor, achter en naast je en, meestal tot overmaat van ramp, het gedrins (zo noemen wij dat in Limburg - ik ken geen beter woord) van een verwend rotjoch dat niet in een stoel kan blijven zitten. Nu ja, dat laatste zou ik nog ergens kunnen begrijpen: ik heb ook altijd het gevoel dat ik mijn benen tegen de tweede helft van de vlucht ter afwisseling beter eens in mijn nek zou leggen. Het ergst van al blijft dat gruwelijke voer dat je in een vliegtuig altijd opgesolferd krijgt. Van die opgewarmde prut die eruit zou moeten zien (en waarschijnlijk ook smaken?) als pasta met één of andere ondefinieerbare rode saus en iets wat op kaas moet lijken (en is dat dan wel kaas? Kijk maar eens wat Wijngerd er onlangs over schreef). Walgelijk gewoon. Soms denk ik dat het goed is dat het zo herkenbaar naar de plactic smaakt waarin het opgewarmd is. Dat is bijna een geruststelling. Alhoewel, ... misschien zou je dan beter de plastic opeten. Waarom kunnen er niet gewoon wat verse broodjes uitgedeeld worden in een vliegtuig? Kost evenveel als zulke bakjes prut en is heel wat smakelijker. Erger dan het eten is het feit dat je er zelfs nog niks fatsoenlijk bij te drinken kan krijgen. Laat alleen een glas degelijke wijn. Wat zou het toch fantastisch zijn als ik met wat petnat-bubbeltjes van bv. een Puzelat van de grond kon! Ik zou er spontaan meer van gaan vliegen, telkens weer op wolkjes zweven en zeker minder grumpy aankomen op onze bestemming. Ik heb (gelukkig) wel al lang geen wijn meer geprobeerd in een vliegtuig. Binnenkort moet ik weer eens naar Berlijn. Ik zal het er voor jullie nog eens op wagen à la Gary Vaynerchuk. Een reisepisode zonder wijn dus, maar daar zou gauw verandering in komen. Een wijnzot zoekt immers zelfs op de Noordpool nog naar drupje van zijn geliefd geestrijk nat ... .
3. Odyssee over de weg. Laat 's avonds kwamen we aan in de landelijke luchthaven van Dalaman. Alles donker, zwoele lucht met zware wolken aan de einder en een paarse avondschemering, onze vlucht de enige die aankwam ter plekke. Lege, kale, gloednieuwe luchthavengebouwen, slaperige snorren van Turkse politieagenten achter de douanebalie, ... . Bevreemdend. Ik kreeg zowaar het gevoel in een parallelle wereld beland te zijn, een beetje zoals die in Daisnes De trein der traagheid. Een vreemd herfstig gevoel leek ons te overspoelen: alsof er een deel van de zonnige kracht in ons leven stilaan aan het afsterven was. Tot op vandaag weet ik nog altijd niet waarvan dat gevoel kwam en ik kan het nog altijd niet duiden, maar ik weet - een glashard besef - dat er die dag wat onomkeerbaar veranderd is. De bevreemding was evenwel snel gebroken: buiten stonden een viertal bussen met ronkende motoren te wachten op hun passagiers. Vandaar moest er immers nog een flink stuk gebust worden naar Marmaris, de mondaine badstad waar ons hotel gelegen was. We lieten ons inschepen en een goede vijf minuten later zwierden we de weg op. Letterlijk: 'zwierden we'. Turkse buschauffeurs zijn een begrip en die van ons was vast en zeker diegene die de trofee van dolste pedaalstamper van het jaar op zijn palmares had staan. In een razende vaart zetten we koers over lange, langs ravijnen en puinhellingen slingerende wegen naar de kust. Ik liet het aan me voorbijgaan en merkte het woedende gesjees alleen aan het voorbijflitsen van de wulps afgeronde contouren van het landschap, de ruwe bosschages en de her en der verloren gelegde cafeetjes waar Turkse mannen stilletjes voor zich uit zitten te staren bij een raki en een kop koffie in het blauwige neonlicht. Half duizelig en uitgehongerd kwamen we aan in ons hotel, het Mares Dolphin Palace, dat zo op het eerste gezicht veel Mares, maar weinig Dolphin en nog minder Palace was. Neckermann sloeg ons dan wel via een Frans verhakkelende, ronde Hollandse stewardess om de oren met allerlei pietluttige, onzinnige informatie en waarschuwingen over het niet te vertrouwen Turkse volk dat ons vast en zeker slechte excursies zou proberen aansmeren die we ongetwijfeld veel beter via hen deden (en dan meteen ook een reusachtige klad duurder betaalden), maar kwam er niet op dat toeristen die in de late namiddag vertrekken en dus pas rond half twaalf 's avonds uitgehongerd in hun hotel aankomen, misschien wel wat te eten wilden. Niets van dat alles. Gelukkig was er voor het personeel van het hotel - zo van dat onbetrouwbaar Turks volk, weet je wel - een maaltijdsoep voorzien, die broederlijk met ons gedeeld werd. Een ruwe, hartige soep, met allerlei peulvruchten, wat koriander en komijn. Neem daar wat onvergelijkelijk lekker Turks brood bij - aan een variatie die wel 'iets' ruimer is dan het zuurdesembrood dat je bij de Turkse/Koerdische bakkers hier te lande vindt - en je kan begrijpen dat wij meteen wel wat meer sympathie voelden en vertrouwen stelden in dat 'onbetrouwbare volk' dat blijkbaar beter de noden van een vermoeide toerist kon aanvoelen dan een ondertussen al -tig jaren bestaande touroperator ... . Wij kropen moe en een beetje verbouwereerd in ons bed en werden een achttal uren later wakker door de zonnestralen die de dag aankondigden waarop we voor het eerst kennis zouden maken met Turkse wijn. En ja, voor je je de vraag stelt, die bestaat wel degelijk!
Wordt vervolgd.
1 Een abstract is een soort van korte samenvatting van een artikel of een lezing die je wil voorstellen op een congres. Lijkt je abstract de organisatoren interessant, dan mag je deelnemen aan het congres.
LAST_UPDATED2
Vlaamse Wijnblogdagen IV – Een bezoekje aan een wijngaard: Piëmontese koppigheid
dinsdag, 29 juli 2008 22:21
Amaronese
De eerste staalblauwe hemel, een witte, brandende zon en de zerpe geur van warm asfalt of het zoele aroma van warmend loof in de boomgaarden roepen mij steeds taferelen uit Il diavolo sulle colline of Feria d’Agosto van Cesare Pavese voor de geest: door de hitte verdaasde, dwalende personages die – de genadeloze middagzon zon loodzwaar in de nek – door het trillende stof van steile landwegjes struikelend en strompelend het leven trotseren. Geen idyllisch beeld misschien, maar niettemin één van de sterkste literaire evocaties van wat het is Italië te zijn, Italië te leven en te proeven. Een beeld dat onze cleane marketeers misschien ook liever wegmoffelen want het matcht in een doornsee wine traveller’s guide langs geen kanten met de bucolische Biedermeieresthetiek van de doorsnee Italiaanse vakantiebrochure, laat staan dat het het landschap vormt voor de Italiëgids die zo mooi op de salontafel past … . Immers, wie wil er nu een kilo zand rijker en twee liter water armer heuvelrug na heuvelrug aanhoren hoe een wijnboer elke dag met zijn land het gevecht aangaat voor de netjes afgestofte flesjes in uw eigenste kelder?
1. Lavore stanca ... .
Wanneer ik een boek van Pavese opensla, overvalt me telkens weer die gesmoorde passie, de stoffige rusteloosheid, de fascinatie met de hang naar het aardse in de mens. Datzelfde gevoel bekroop me een tiental jaren terug, toen wijn voor mij slechts gewoon dat lekkere goedje voor aan tafel was, in één van de vele wijngaarden waar het vaderlijk gezag ons heen sleepte tijdens de jaarlijkse Italië-reis. Kuchend en puffend van het opwaaiende stof, de voeten wegglijdend op ruwe, brokkelige ondergrond van de wijngaardhelling probeerde ik de wijnbouwer te volgen die wel geen halve seconde adem tekort leek te komen: anders dan de overlevering ons wilde doen geloven was Silvio Morando geen stilzwijgende, verlegen mens, maar wel een retorisch taterwater naar de beste Italiaanse gewoonte. Veel begrijpen deed ik niet van de hele uitleg waarop nu eens instemmend dan afkeurend brommend gereageerd werd door onze eigenste wijnscout. Wat in ’s hemels naam stonden wij hier te doen in de bakkende zon, de kleren vol stof en de mond kurkdroog, terwijl we evengoed op een terrasje de zovele cuvées van meneer Morando aan een respectvolle keuring konden onderwerpen? Met binnensmondse profanaties aan het adres van het ouderlijk gezag bedacht ik dat ik evengoed ergens in het dorp op het plaatselijke kerkplein met een literfles San Pellegrino binnen handbereik verder had kunnen genieten van Pavese’s Lavorare stanca … .
2. Taal van poëzie, taal van wijn. Maar dat was buiten Morando gerekend: ongelooflijk, maar op het moment dat ik dat bedacht, begon hij zelf ook over Pavese (die was immers afkomstig van de streek) en werd er zonder meer nog lyrischer van dan hij al over zijn wijngaard was. Ik moet raar opgekeken hebben en dat was net het moment waarop Morando klaarblijkelijk gewacht: de grommelende, zuchtende filio had hem eindelijk zijn oor toegekeerd en dus trok hij alle registers open. Het ene na het andere citaat – met zijn eigen commentaren er live bij – rolde over de helling die we net beklommen hadden. Met wat simultaanvertaling van lei genitorii erbij kon ik zelfs min of meer verstaan waar hij het over had: de ziel, de eigenheid van de wijngaard, hoe zijn fatum tot de laatste snik moest bekampt worden om hem het beste van zichzelf te doen geven, om de essentie die in hem schuil ging zo mooi mogelijk benaderd weer te geven in een cuvée, zonder daarbij de pretentie te willen hebben haar te willen vangen. Nee, daar had meneer Morando teveel respect voor en dat moet voor mij een klik gegeven hebben: wijn kruipt waar hij niet gaan kan. Met moeite was het hem dan toch gelukt zelfs mij, betweterige puber, wat voor hem de poëzie van wijn maken betekende te doen verstaan: vechten tegen de elementen en het er soms tegen moeten afleggen, maar steeds terug opstaan en altijd opnieuw – of het nu met de woorden van de dichter is, of met de taal van de wijnbouwer – proberen een druif vanuit een eigen facet te laten schitteren met het potentieel van de wijngaard en de visie van de wijnbouwer. Een beetje zoals Pavese telkens opnieuw probeerde de koppige Piëmontese mentaliteit te vatten in een roman, een novelle of een gedicht.
3. Meisjes zonder wijwater. Het toeval wil nu dat in één van de allereerste wijn masterclasses die ik volgde de grote verrassing van de avond weer zo’n wijn van Morando was: zijn Neirò, een Monferrato Rosso 100% Pinot Nero van 1998 liet zowat elke grote Pinot Noir – Nieuw-Zeeland, Oostenrijk, Oregon of Bourgogne – in de slagorde verbleken tot wijwater. Het was zeker geen blockbuster, noch een crowd pleaser. Integendeel, Morando’s Neirò riep de meest uiteenlopende reacties op, maar niemand kon ontkennen dat het hier minstens ging om een wijn met een zeer eigen en expressief karakter, een eigenzinnige wijn die een verhaal te vertellen had. Eén van de vele verhalen die Morando in zijn mars heeft, een verhaal dat – voor zover het van hem afhangt – telkens mag beginnen met de volgende regels uit Lavorare stanca:
Se domani sul presto saremo in cammino verso quelle colline, potremo incontrar per le vigne qualche scura ragazza, annerita di sole, e, attaccando discorso, mangiarle un po' d'uva.
Dit artikel kwam tot stand in het kader van de vierde editie van de 'Vlaamse Wijnblogdagen'. Ganse wijntoerismegidsen, bezoekerscodexen en exotische wijnbestemmingen vind je verslagen op de volgende deelnemende wijnblogs:
Terwijl het weer in België een schamele poging tot zomeren doet, breekt uw vliegende reporter haar persoonlijk transpiratierecord op een Grieks eiland vlak voor de Turkse kust. We schrijven 16 t.e.m. 23 augustus 2007. Het eiland Lesbos, waarvan de twee bekendste exportproducten de gedichten van Sappho en de Plomari-Ouzo zijn, zucht onder wat de lokale bevolking een hittegolf noemt: 49°C ... . Wie denkt dat een paar tientallen historische sociolinguïsten daardoor afzien van hun voornemen om ter plaatse in een voormalige kloosterappendix (metochi) een week cursussen te gaan volgen, heeft het mooi mis. Al waren we waarschijnlijk wel met een paar dapperen minder geweest als we op voorhand hadden geweten dat er geen airco op de locatie was … .
Uw reporter, die nog nooit een voet op Griekse bodem had gezet met uitzondering van Cyprus (eveneens in beroepscontext en ook in zeer hete klimatologische omstandigheden), groeide op met de Griekse mythen (niet te verwarren met het Griekse gerstenat mythos), de Ilias en de Oddyseia in plaats van met de klassieke sprookjes van Grimm of Andersen. Dat laat natuurlijk zijn sporen na, van flarden van Anacreons drinkliedje “hè gè melaina pinei” (de zwarte aarde drinkt) tot fascinatie voor eeuwenoude cultuurobjecten. Van dat laatste was er op Lesbos wel niet zoveel te merken. Het eiland is geen grote toeristische trekpleister, ondanks zijn prachtige woeste natuur en een paar magnifieke baaien. Goddank, want van hypertoeristische locaties waar je door menselijk vee wordt voorgestuwd, loopt ondergetekende gillend weg. Het andere uiterste was echter waar voor Metochi: ons studiecentrum was een voormalig kloosterbijgebouw, gelegen op twee kilometer geasfalteerde weg (lees: geitenpad opgesmukt met een beetje asfalt en veel stof) van het dichtstbijzijnde dorpje, zonder airco, zonder internet, tegen een bergachtig decor met veel oranje- en okerkleurige rotsen getopt met hier en daar wat vijgen- en olijfbomen en spaarzame struiken.
Van de lokale fauna kregen we vooral na zonsondergang gezelschap: van grote spinnen over schorpioenen en schattige maar schichtige gekkootjestot een kolonie katten en twee ezels. En nu ik het toch over ezels heb: indien u dacht dat ezels altijd I-A zeggen, zoals ze dat doen in Sint-Truiden en zo ongeveer overal ter wereld, dan heeft u hun Lesbische dialect nog niet gehoord! Dat gaat zo ongeveer als volgt: I-ungk-ungk-ungk-A. Na deze poging tot fonetische transcriptie, die helaas ontoereikend is (na een paar glazen goede Ouzo of Metaxa kan u mij misschien tot een imitatie verleiden), keer ik terug naar wat u allen natuurlijk veel meer interesseert: het edele vocht der druiven.
De plantengroei op Lesbos mag dan niet zo verscheiden zijn, wijngaarden hebben ze er wel. Blijkbaar moeten er ooit echt veel wijnstokken hebben gestaan (Lesbos was trouwens in de oudheid beroemd om zijn wijnen), maar die zijn voor het merendeel vervangen door olijfbomen. Olijven kregen we dan ook bij het ontbijt, middageten, avondeten en tussendoor. Ik heb niet het hele eiland kunnen bezoeken, maar wel een aantal wijngaardjes gezien en uiteraard ook – Orbis noblesse oblige – wijn geproefd. Op Lesbos wordt er voornamelijk rode wijn geproduceerd (Xynomavro), en dat werd vanaf dag één al duidelijk. In Metochi zelf werden namelijk twee soorten wijn geschonken bij het eten: een witte wijn waar de alcoholwalm vanop een paar meter al mijn neusvleugels in overdrive liet gaan en een schappelijk lokaal product, een rood drinkwijntje zonder pretentie (vrij fris en fruitig, met wat Provençaalse kruidigheid en structurele tannines, maar weinig diepgang), waarvan ik aardig wat glaasjes heb geconsumeerd met mijn mede-sociolinguïsten en helaas niet de naam heb genoteerd. De flesjes Macedonische Tsantali gingen ook vlotjes over de tong, maar waren minder zuiver. In Skala Kallonis, het naburige, pittoreske vissersdorpje alwaar de grootste bezienswaardigheid - een tamme pelikaan - het niet nodig vond om zich te vertonen, werd ik door een welwillende collega getrakteerd op een fris glaasje Retsina bij mijn sardienen, en dat was een memorabel geniet-moment. Natuurlijk gaat elke frisse drank er bij temperaturen tegen de 50 graden Celsius vlot in en zijn de smaakpapillen dan niet op hun best, maar evengoed, het was een lekker wijntje. De harssmaak, typerend voor Retsina, was aanwezig zonder overheersend te zijn in het overigens vrij fruitige geheel. Een andere witte, een hoofdige Moschofilero die ik in Mytilene dronk, is mij nauwelijks bijgebleven. Ik zou u nog wel een aantal paragrafen lang kunnen vergasten op anekdotes over wandelshort-cuts, de gevolgen van overmatige Ouzo-consumptie en megalomane Griekse abten, maar mijn schrijftijd is verstreken. Slechts één goede raad om af te sluiten: ga zelf eens naar Lesbos en geniet van de prachtige natuur, al dan niet met een lokaal wijntje in de hand.