Turkije, dat is het land dat wij hooguit kennen van de kebap, de dürüm en het Turks fruit, of, voor de reislustigen onder ons, het land van de tapijtenweverijen met het onvermijdelijke glaasje hete appelthee, de kleurrijke bazaars, de waterpijpenboetiekjes en de reusachtige all-inhotels. Niet meteen een land dat je associeert met een unieke gastronomische cultuur. En toch is die er. Er is zelfs een wijncultuur in Turkije. Een wijncultuur die al volwassen was toen wij, hier in Europa, nog maar amper onze eerste stapjes waagden in de druiventeelt en het wijnmaken.
1. Back to the roots: een Hettitische Petrus?
Als we op zoek gaan naar de sporen van de eerste wijn moeten we bijna terug naar de dag en dauw van de mensheid. De oudste vondsten die met zekerheid wijzen op het bestaan van wijn voeren maar liefst 7000 jaar terug naar Hajji Firuz Tepe, een kleine Neolitische nederzetting in de schoot van het onherbergzame Zagros-gebergte (Noord-Iran). In het midden van de jaren '90 werden daar door een groep Amerikaanse archeologen de oudste resten ontdekt van wat ooit eens een memorabele cuvée moet geweest zijn. Van welke druiven hij gemaakt werd, of hij wit of rood was en of hij mineralig dan wel fruitig was, zullen we wellicht nooit te weten komen. Maar, dat het wijn was die in de kruiken opgeslagen werd, is onomstotelijk bewezen: de van 5400-5000 voor Christus daterende resten van enkele grote kruiken bevatten immers een opvallend grote hoeveelheid tartraatkristallen, een biochemische verbinding die uitzonderlijk veel aanwezig is in druiven. Bovendien bevatten de gevonden 9-literkruiken - het volume van een hedendaagse salmanazar Champagne! - ook restanten van hars afkomstig van de Terpentijnboom (Pistacia terebinthus), een boom die veel voorkomt op droge, rotsachtige plaatsen rond de Middellandse Zee. Die hars werd niet zomaar toegevoegd omdat de Hettieten tuk waren op een harssmaakje in hun wijn. Ze deed dienst als bewaarmiddel. Net zoals in de hedendaagse Griekse retsina werd de terpentijnhars gebruikt omwille van de antibacteriële werking. Vaten werden ermee ontsmet en verzegeld en aan de wijn zelf werd ook een stevige lepel hars toegevoegd om ervoor te zorgen dat hij maandenlang een lust voor de smaakpapillen bleef. De ontdekking van deze harsrestanten bewijst dus dat het niet zomaar om een spontane, ongewenste vergisting van druiven of druivensap ging, maar dat er in deze kruiken wel degelijk de eerste echte wijn zat.
We kunnen zelfs nog verder terugdringen in de mistige regionen van de vroegste wijngeschiedenis. Onze zoektocht zou ons dan brengen tot één van de allereerste echte steden, met name het Turkse Çatal Hüyük, gelegen in de schaduw van de tweekoppige vulkaan Hasan Dağ in Centraal-Anatolië. Tussen de resten van de aarden muren van deze Neolitische nederzetting, die dateert van 7500 v.C., werden potscherven gevonden met daarin telkens een klein hoopje druivenpitten. Waren dit de restjes van een leuk after-dinnerspelletje à la mik-je-druivenpitjes-in-de-pot-zonder-je-buurman-onder-te- spuwen? Waarschijnlijk niet. De kans is groter dat deze pitjes het bezinksel waren van wijn die uit volledige druiven vergistte in primitieve aardewerken potten. Of die vergisting gewenst was, kunnen we niet meer achterhalen, maar wat we hier wel uit kunnen afleiden is dat de mens druiven en hun sap alleszins naar waarde wist te schatten.
Wat later - we zijn dan al aanbeland in het tweede millenium voor Christus - krijgen we een scherper zicht op het gebruik van wijn in het alledaagse leven van het Nabije en Midden-Oosten. Niet zover van Çatal Hüyük, ook in Centraal-Anatolië, het ongerepte, woeste binnenland van Centraal-Turkije, vinden we namelijk de resten terug van wat ooit de machtige hoofdstad was van het uitgestrekte Hettitische imperium: Hattuša (het huidige Boğazköy). Tijdens de opgravingen van deze stad trof men honderden kleitabletten aan met daarop lofzangen en ontelbare verwijzingen naar het gebruik van wijn door de Hettieten. Wijn speelde in hun samenleving blijkbaar een sociale en rituele rol van kapitaal belang. Hij werd niet alleen gebruikt tijdens godsdienstige riten, maar diende ook als een soort sociaal onderscheidingsteken, want zo'n kruik wijn kon je alleen maar op tafel zetten wanneer je tot de rijksten der aarde behoorde. Wijn was een exclusief product, een beetje zoals de hedendaagse 1er cru's uit Bordeaux. Je toonde je sociale status pas echt aan je verwende gasten door een kruik van die heerlijk geurige wijn te openen naast je overladen feestdis.
Vanwaar de Hettieten hun wijncultuur meebrachten, blijft voorlopig nog een raadsel, maar dat ze zich sterk uitbreidde tijdens de bijna duizendjarige Hettitische alleenheerschappij over het huidige Turkije en grote delen van het Nabije Oosten is een onbetwistbaar feit. Zij zijn waarschijnlijk de eersten die in Anatolië een vorm van rendabele wijnproductie uitbouwden en hun wijnen als wijd en zijd geroemde luxeproducten exporteerden naar de verre landen rond de Middellandse Zee en het rijke Oosten. Wat later speelden niet alleen de Phoeniciërs, een volk van geboren zeevaarders, maar ook de opname van Hettitische kennis en gebruiken in de Helleense wereld een verdere rol in de verspreiding van hun wijnmakerskunst. We mogen dus met recht en reden zeggen dat Anatolië zowat de kindertuin van de Europese wijncultuur was.
2. De lange nacht van de Islam.
Tijdens de Hellenistische periode en de Romeinse overheersing werd de wijncultuur in Turkije, of Asia Minor zoals men het toen ook wel noemde, verder ontwikkeld en verspreid. Meer dan 2000 jaar lang bleef wijn waardevol handelsgoed rond de Middellandse Zee, in de Nijldelta en de Nabije Oriënt. Van de Maas tot de Eufraat werd er wijn verscheept naar allerhande verre en exotische bestemmingen. Elke godsdienst uit deze streken had wel een wijngod of verhaalde in haar geschriften over de magie van wijn. Het goddelijke druivensap werd al gauw een vaste waarde in het dagelijkse leven van de slaaf, de man in de straat, de grootgrondbezitter en de politicus. Een wereld zonder wijn zou toen even ondenkbaar geweest zijn als nu België zonder bier.
In Turkije veranderde de houding ten opzichte van onze godendrank echter drastisch toen de Seldjoeken in de 10de eeuw vanuit het gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee het Turkse vasteland binnenvielen. Zij verspreidden zich aan een waanzinnig tempo en controleerden al gauw het hele Turkse binnenland. In het begin van de 14de eeuw ontstond uit de restanten van dit uitgestrekte Seldjoekenrijk het grote Ottomaanse imperium dat van 1302 tot 1922 het hele Oosten van de Middelandse Zee domineerde. Samen met de Seldjoeken kwam ook een nieuwe godsdienst naar Europa: de Islam. Die werd onder het Ottomaanse regime verder verspreid en gecultiveerd over grote delen van Oost-Europa, het Nabije Oosten en Noord-Afrika. Met deze vreemde, jonge godsdienst kwam echter ook een nieuwe levensstijl mee die de moslims navolgden. Eén van de vele voorschriften van die levenswijze behelsde een absolute onthouding van elke soort geestrijke drank: alcohol was 'haram', verboden met andere woorden. Geen sterke drank dus en ook geen wijn meer voor de Turken.
De toonaangevende positie die de Anatolische wijn in het alledaagse leven had bekleed, brokkelde langzaam af: wijn drinken werd een gebruik dat je alleen nog tegenkwam in Christelijke, Joodse en Armeense middens. Zonder wijndrinkers bleek de voorheen bloeiende wijnbouw zo onrendabel dat het gros van de wijnboeren zich verplicht zag over te schakelen op de teelt van andere fruitsoorten of graangewassen. Daarnaast werd een groot deel van de vroegere wijngaarden omgevormd tot druivenplantages voor de productie van de tafeldruiven en krenten die nu nog steeds hun typisch accent verlenen aan de Turkse keuken. De imposante wijnstroom die vanuit de Turkse kuststreken en de inlandse valleien ooit de halve wereld overspoelde werd gereduceerd tot een minuscuul, stilletjes voortkabbelend beekje dat ontsprong aan een stilaan opdrogende bron.
3. Phoenix ex cinere suo renascitur: een voorzichtige wederopstanding.
Als je in een Turks winkeltje aan de praat geraakt met de verkoper, kan je er donder op zeggen dat na nog geen vijf minuten Mustafa Kemal Attatürk de revue gepasseerd is. 'Vadertje Turkije' wordt hij ook wel genoemd en dat is niet onterecht. In het langzame verval en de pijnlijke ontbinding van het Ottomaanse rijk, komt Attatürk naar voren als een integer en charismatisch man met een visionaire blik op de toekomst van zijn vaderland. Hij werd al snel erkend als de leider van de Turkse revolutionaire nationalisten en wist door een zeldzame combinatie van diplomatieke en militaire stategieën de schaamteloze verdeling van Turkije tussen de Westerse geallieerden in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog een halt toe te roepen. Op 29 oktober 1923 riep hij in de nieuwe hoofdstad Ankara de Turkse republiek uit.
Attatürk liet het daar echter niet bij. Hij maakte van Turkije een moderne, seculiere staat en getrooste zich geen enkele moeite om de Turkse economische en culturele identitiet, die compleet verloederde in de laatste 100 jaar van het Ottomaanse regime, terug op peil te brengen. Ook de haast helemaal verdwenen wijnbouw werd een nieuwe kans gegund. De Joden, Armeniërs en Christenen die onder de Ottomaanse sultans de laatste restanten van Anatolische wijnbouw hadden gekoesterd en bewaard, waren immers het land ontvlucht tijdens de val van het grote Turkse rijk en de daarop volgende verontrustende interne conflicten. Hun kennis en expertise namen ze mee en de laatste beetjes Turkse wijngaarden bleven verweesd achter. Attatürk bracht daar verandering in. De secularisatie van de Turkse staat was al een duwtje in de rug, maar vooral de oprichting in 1926 van Doluca te Mürefte, de eerste moderne wijnmakerij in Turkije, en het familiebedrijf Kavaklidere in 1929 te Ankara, dat al snel een vlekkeloze reputatie opbouwde en de openlijke goedkeuring verwierf van Vadertje Turkije zelf, mag gezien worden als het einde van de dark ages van de Turkse wijnbouw. Cenap And, de stichter van Kavaklidere, nam in feite het voortouw in de wederopstanding. Samen met Doluca is Kavaklidere vandaag nog steeds het boegbeeld van de Turkse wijnproductie.
Toch kwam de Turkse wijnproductie in die eerste jaren maar moeizaam terug op gang. Dat had natuurlijk alles te maken met de Islam. Ondanks de secularisering van de staat en de veranderende houding ten opzichte van de godsdienst, bleef en blijft wijn voor vele Turken nog steeds een verboden goed. De binnenlandse afzetmarkt was tot voor kort ontzettend klein, hetgeen veel enthousiast beginnende wijnboeren al snel de das dreigde om te doen. Gelukkig greep ook hier Attatürk weer in: hij bevorderde onder meer de oprichting van het staatswijngoed Tekel, een soort coöperatieve onderneming die met haar 21 samenwerkende wijndomeinen tot aan haar ontbinding in 2006 de grootste wijnproducent van Turkije bleef. De oprichting van Tekel hielp sterk in de ontwikkeling van een moderne know-how en het aanboren van nieuwe exportmarkten. De Turkse wijnproductie ging met rasse schreden vooruit. Vandaag telt Turkije, naast grote marktspelers als Doluca en Kavaklidere, al een 300-tal kleinere wijndomeinen en zelfs een paar echte boutique-wineries, waarvan er enkele zeer hoge kwaliteitsnormen nastreven.
Met de langzaamaan internationaliserende Turkse economie, het exponentieel groeiende buitenlandse toerisme en de jonge, meer pragmatische generatie van imams in de moskees, lijkt de wederopstanding van de Turkse wijnindustrie plots op kruissnelheid te komen. Wijn drinken is minder taboe en wijn maken wordt ondertussen aanzien als een zeer respectabele kostwinning. Buitenlands kapitaal en moderne wijnproductietechnieken worden dan ook met open armen ontvangen, zonder daarbij evenwel de eigen identiteit van Turkse wijn te vergeten. Oude wijngaardsites worden opnieuw beplant met internationale druivenrassen als Cabernet en Merlot, maar ook de unieke autochtone druivenrassen als Narince, Öküzgözü en bijvoorbeeld Boğazkere, worden met een zekere trots terug een plaatsje gegeven op de met geschiedenis doordrenkte wijnbergen van Anatolië en Capadocië. Het lijkt alsof de ongeveer 8000 jaar oude Turkse wijncultuur haar elan van weleer teruggevonden heeft.
1. Back to the roots: een Hettitische Petrus?
Als we op zoek gaan naar de sporen van de eerste wijn moeten we bijna terug naar de dag en dauw van de mensheid. De oudste vondsten die met zekerheid wijzen op het bestaan van wijn voeren maar liefst 7000 jaar terug naar Hajji Firuz Tepe, een kleine Neolitische nederzetting in de schoot van het onherbergzame Zagros-gebergte (Noord-Iran). In het midden van de jaren '90 werden daar door een groep Amerikaanse archeologen de oudste resten ontdekt van wat ooit eens een memorabele cuvée moet geweest zijn. Van welke druiven hij gemaakt werd, of hij wit of rood was en of hij mineralig dan wel fruitig was, zullen we wellicht nooit te weten komen. Maar, dat het wijn was die in de kruiken opgeslagen werd, is onomstotelijk bewezen: de van 5400-5000 voor Christus daterende resten van enkele grote kruiken bevatten immers een opvallend grote hoeveelheid tartraatkristallen, een biochemische verbinding die uitzonderlijk veel aanwezig is in druiven. Bovendien bevatten de gevonden 9-literkruiken - het volume van een hedendaagse salmanazar Champagne! - ook restanten van hars afkomstig van de Terpentijnboom (Pistacia terebinthus), een boom die veel voorkomt op droge, rotsachtige plaatsen rond de Middellandse Zee. Die hars werd niet zomaar toegevoegd omdat de Hettieten tuk waren op een harssmaakje in hun wijn. Ze deed dienst als bewaarmiddel. Net zoals in de hedendaagse Griekse retsina werd de terpentijnhars gebruikt omwille van de antibacteriële werking. Vaten werden ermee ontsmet en verzegeld en aan de wijn zelf werd ook een stevige lepel hars toegevoegd om ervoor te zorgen dat hij maandenlang een lust voor de smaakpapillen bleef. De ontdekking van deze harsrestanten bewijst dus dat het niet zomaar om een spontane, ongewenste vergisting van druiven of druivensap ging, maar dat er in deze kruiken wel degelijk de eerste echte wijn zat.
We kunnen zelfs nog verder terugdringen in de mistige regionen van de vroegste wijngeschiedenis. Onze zoektocht zou ons dan brengen tot één van de allereerste echte steden, met name het Turkse Çatal Hüyük, gelegen in de schaduw van de tweekoppige vulkaan Hasan Dağ in Centraal-Anatolië. Tussen de resten van de aarden muren van deze Neolitische nederzetting, die dateert van 7500 v.C., werden potscherven gevonden met daarin telkens een klein hoopje druivenpitten. Waren dit de restjes van een leuk after-dinnerspelletje à la mik-je-druivenpitjes-in-de-pot-zonder-je-buurman-onder-te- spuwen? Waarschijnlijk niet. De kans is groter dat deze pitjes het bezinksel waren van wijn die uit volledige druiven vergistte in primitieve aardewerken potten. Of die vergisting gewenst was, kunnen we niet meer achterhalen, maar wat we hier wel uit kunnen afleiden is dat de mens druiven en hun sap alleszins naar waarde wist te schatten.Wat later - we zijn dan al aanbeland in het tweede millenium voor Christus - krijgen we een scherper zicht op het gebruik van wijn in het alledaagse leven van het Nabije en Midden-Oosten. Niet zover van Çatal Hüyük, ook in Centraal-Anatolië, het ongerepte, woeste binnenland van Centraal-Turkije, vinden we namelijk de resten terug van wat ooit de machtige hoofdstad was van het uitgestrekte Hettitische imperium: Hattuša (het huidige Boğazköy). Tijdens de opgravingen van deze stad trof men honderden kleitabletten aan met daarop lofzangen en ontelbare verwijzingen naar het gebruik van wijn door de Hettieten. Wijn speelde in hun samenleving blijkbaar een sociale en rituele rol van kapitaal belang. Hij werd niet alleen gebruikt tijdens godsdienstige riten, maar diende ook als een soort sociaal onderscheidingsteken, want zo'n kruik wijn kon je alleen maar op tafel zetten wanneer je tot de rijksten der aarde behoorde. Wijn was een exclusief product, een beetje zoals de hedendaagse 1er cru's uit Bordeaux. Je toonde je sociale status pas echt aan je verwende gasten door een kruik van die heerlijk geurige wijn te openen naast je overladen feestdis.
Vanwaar de Hettieten hun wijncultuur meebrachten, blijft voorlopig nog een raadsel, maar dat ze zich sterk uitbreidde tijdens de bijna duizendjarige Hettitische alleenheerschappij over het huidige Turkije en grote delen van het Nabije Oosten is een onbetwistbaar feit. Zij zijn waarschijnlijk de eersten die in Anatolië een vorm van rendabele wijnproductie uitbouwden en hun wijnen als wijd en zijd geroemde luxeproducten exporteerden naar de verre landen rond de Middellandse Zee en het rijke Oosten. Wat later speelden niet alleen de Phoeniciërs, een volk van geboren zeevaarders, maar ook de opname van Hettitische kennis en gebruiken in de Helleense wereld een verdere rol in de verspreiding van hun wijnmakerskunst. We mogen dus met recht en reden zeggen dat Anatolië zowat de kindertuin van de Europese wijncultuur was.
2. De lange nacht van de Islam.
Tijdens de Hellenistische periode en de Romeinse overheersing werd de wijncultuur in Turkije, of Asia Minor zoals men het toen ook wel noemde, verder ontwikkeld en verspreid. Meer dan 2000 jaar lang bleef wijn waardevol handelsgoed rond de Middellandse Zee, in de Nijldelta en de Nabije Oriënt. Van de Maas tot de Eufraat werd er wijn verscheept naar allerhande verre en exotische bestemmingen. Elke godsdienst uit deze streken had wel een wijngod of verhaalde in haar geschriften over de magie van wijn. Het goddelijke druivensap werd al gauw een vaste waarde in het dagelijkse leven van de slaaf, de man in de straat, de grootgrondbezitter en de politicus. Een wereld zonder wijn zou toen even ondenkbaar geweest zijn als nu België zonder bier.In Turkije veranderde de houding ten opzichte van onze godendrank echter drastisch toen de Seldjoeken in de 10de eeuw vanuit het gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee het Turkse vasteland binnenvielen. Zij verspreidden zich aan een waanzinnig tempo en controleerden al gauw het hele Turkse binnenland. In het begin van de 14de eeuw ontstond uit de restanten van dit uitgestrekte Seldjoekenrijk het grote Ottomaanse imperium dat van 1302 tot 1922 het hele Oosten van de Middelandse Zee domineerde. Samen met de Seldjoeken kwam ook een nieuwe godsdienst naar Europa: de Islam. Die werd onder het Ottomaanse regime verder verspreid en gecultiveerd over grote delen van Oost-Europa, het Nabije Oosten en Noord-Afrika. Met deze vreemde, jonge godsdienst kwam echter ook een nieuwe levensstijl mee die de moslims navolgden. Eén van de vele voorschriften van die levenswijze behelsde een absolute onthouding van elke soort geestrijke drank: alcohol was 'haram', verboden met andere woorden. Geen sterke drank dus en ook geen wijn meer voor de Turken.
De toonaangevende positie die de Anatolische wijn in het alledaagse leven had bekleed, brokkelde langzaam af: wijn drinken werd een gebruik dat je alleen nog tegenkwam in Christelijke, Joodse en Armeense middens. Zonder wijndrinkers bleek de voorheen bloeiende wijnbouw zo onrendabel dat het gros van de wijnboeren zich verplicht zag over te schakelen op de teelt van andere fruitsoorten of graangewassen. Daarnaast werd een groot deel van de vroegere wijngaarden omgevormd tot druivenplantages voor de productie van de tafeldruiven en krenten die nu nog steeds hun typisch accent verlenen aan de Turkse keuken. De imposante wijnstroom die vanuit de Turkse kuststreken en de inlandse valleien ooit de halve wereld overspoelde werd gereduceerd tot een minuscuul, stilletjes voortkabbelend beekje dat ontsprong aan een stilaan opdrogende bron.
3. Phoenix ex cinere suo renascitur: een voorzichtige wederopstanding.
Als je in een Turks winkeltje aan de praat geraakt met de verkoper, kan je er donder op zeggen dat na nog geen vijf minuten Mustafa Kemal Attatürk de revue gepasseerd is. 'Vadertje Turkije' wordt hij ook wel genoemd en dat is niet onterecht. In het langzame verval en de pijnlijke ontbinding van het Ottomaanse rijk, komt Attatürk naar voren als een integer en charismatisch man met een visionaire blik op de toekomst van zijn vaderland. Hij werd al snel erkend als de leider van de Turkse revolutionaire nationalisten en wist door een zeldzame combinatie van diplomatieke en militaire stategieën de schaamteloze verdeling van Turkije tussen de Westerse geallieerden in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog een halt toe te roepen. Op 29 oktober 1923 riep hij in de nieuwe hoofdstad Ankara de Turkse republiek uit.Attatürk liet het daar echter niet bij. Hij maakte van Turkije een moderne, seculiere staat en getrooste zich geen enkele moeite om de Turkse economische en culturele identitiet, die compleet verloederde in de laatste 100 jaar van het Ottomaanse regime, terug op peil te brengen. Ook de haast helemaal verdwenen wijnbouw werd een nieuwe kans gegund. De Joden, Armeniërs en Christenen die onder de Ottomaanse sultans de laatste restanten van Anatolische wijnbouw hadden gekoesterd en bewaard, waren immers het land ontvlucht tijdens de val van het grote Turkse rijk en de daarop volgende verontrustende interne conflicten. Hun kennis en expertise namen ze mee en de laatste beetjes Turkse wijngaarden bleven verweesd achter. Attatürk bracht daar verandering in. De secularisatie van de Turkse staat was al een duwtje in de rug, maar vooral de oprichting in 1926 van Doluca te Mürefte, de eerste moderne wijnmakerij in Turkije, en het familiebedrijf Kavaklidere in 1929 te Ankara, dat al snel een vlekkeloze reputatie opbouwde en de openlijke goedkeuring verwierf van Vadertje Turkije zelf, mag gezien worden als het einde van de dark ages van de Turkse wijnbouw. Cenap And, de stichter van Kavaklidere, nam in feite het voortouw in de wederopstanding. Samen met Doluca is Kavaklidere vandaag nog steeds het boegbeeld van de Turkse wijnproductie.

Toch kwam de Turkse wijnproductie in die eerste jaren maar moeizaam terug op gang. Dat had natuurlijk alles te maken met de Islam. Ondanks de secularisering van de staat en de veranderende houding ten opzichte van de godsdienst, bleef en blijft wijn voor vele Turken nog steeds een verboden goed. De binnenlandse afzetmarkt was tot voor kort ontzettend klein, hetgeen veel enthousiast beginnende wijnboeren al snel de das dreigde om te doen. Gelukkig greep ook hier Attatürk weer in: hij bevorderde onder meer de oprichting van het staatswijngoed Tekel, een soort coöperatieve onderneming die met haar 21 samenwerkende wijndomeinen tot aan haar ontbinding in 2006 de grootste wijnproducent van Turkije bleef. De oprichting van Tekel hielp sterk in de ontwikkeling van een moderne know-how en het aanboren van nieuwe exportmarkten. De Turkse wijnproductie ging met rasse schreden vooruit. Vandaag telt Turkije, naast grote marktspelers als Doluca en Kavaklidere, al een 300-tal kleinere wijndomeinen en zelfs een paar echte boutique-wineries, waarvan er enkele zeer hoge kwaliteitsnormen nastreven.
Met de langzaamaan internationaliserende Turkse economie, het exponentieel groeiende buitenlandse toerisme en de jonge, meer pragmatische generatie van imams in de moskees, lijkt de wederopstanding van de Turkse wijnindustrie plots op kruissnelheid te komen. Wijn drinken is minder taboe en wijn maken wordt ondertussen aanzien als een zeer respectabele kostwinning. Buitenlands kapitaal en moderne wijnproductietechnieken worden dan ook met open armen ontvangen, zonder daarbij evenwel de eigen identiteit van Turkse wijn te vergeten. Oude wijngaardsites worden opnieuw beplant met internationale druivenrassen als Cabernet en Merlot, maar ook de unieke autochtone druivenrassen als Narince, Öküzgözü en bijvoorbeeld Boğazkere, worden met een zekere trots terug een plaatsje gegeven op de met geschiedenis doordrenkte wijnbergen van Anatolië en Capadocië. Het lijkt alsof de ongeveer 8000 jaar oude Turkse wijncultuur haar elan van weleer teruggevonden heeft.
Volgende keer: een paar Turkse wijnen voor u geproefd.





