The Orbis of Wine

A journey into wine by the True and Only Fratres Organoleptici

  • Vergroot letter grootte
  • Standaard letter grootte
  • Verklein letter grootte
The Orbis of Wine

In Bruges. Lunch first, taste later! - Deel 1: The Vineeto Way.

E-mail Print PDF

Zondagmiddag, koelblauwe hemel, lage winterzon, vrieskou, stijve bries. Heerlijk wandelweer. Cabernette en Amaronese laten de benenwagen evenwel voor wat hij is en bollen met de wielenwagen weg van Ieper. Wat dizzy nog van de wervelende trouwpartij gisterennacht, maar al nieuwsgierig wat de rest van de dag ons zal brengen: lunch en proeverijtje met Menelaos in diens eigenste hometown Brugge.


1. Wijnbar + jackpot = wijnrestaurant.
VineetoVoor we afzakten naar de gezamenlijke degustatie van Troca Vins Naturels en Langbeen Duitse Topwijn in restaurant Aneth buiten de grachten, brachten we nog een bezoek aan Wijnrestaurant Vineeto. Gelegen in het hart van de Brugse binnenstad, profileert Vineeto zich meer als restaurant dan als wijnbar. Orlane Gogne, die samen met haar man, kok en sommelier Alex Auwerkerken, het restaurant uitbaat, wist ons te vertellen dat ze oorspronkelijk een evenredige verdeling in gedachten hadden, maar dat de verkoop per glas niet echt aansloeg. Veel geopende flessen raakten niet leeg, hetgeen nu niet meteen interessant was voor de kassa. Daardoor zijn er slechts een beperkt aantal wijn per glas beschikbaar (een zestal?) en natuurlijk niet meteen de grootste ontdekkingen. Jammer, vonden we, maar ook heel begrijpelijk, want met doorgaans wat karaktervoller wijnen van minder bekende druivenrassen of appellaties win je nu niet meteen de jackpot.
Na de ontvangst werden we vriendelijk een tafel toegewezen in een interieur dat classicistische elementen en modern design op een aangename manier verenigt. Zowel de muren als de onderleggers op tafel zijn versierd met uitvergrote etiketten van grote wijnen, terwijl her en der door bezoekers gesigneerde flessen uitgestald staan. Het draait hier om de wijn, voor wie het nog niet door had. Wijnrestaurant, zo profileert Vineeto zich daarenboven zelfbewust. Daar komt dus ook eten bij aan te pas. Geen tapas, maar wel een ‘betere’ restaurantkaart: seizoensgebonden gerechten en een menuutje of twee drie. Een vluchtige kijk op de kaart doet ons al snel voor het menu “The Vineeto Way” kiezen. Een menu bestaande uit drie gangen met keuze tussen rundscarpaccio of een soepje van bospaddenstoelen als voorgerecht, slibtongetjes of een stoofpotje van lam als hoofdgerecht en als afsluiter crème brûlée of hoevekaasjes. De dame in het gezelschap kiest voor de soep en de vis, beide heren storten zich conform het decorum op het vlees.


2. Italiaanse mama's en kanonnevlees.
De wijnen per glas lieten we maar aan onze neus voorbijgaan. Geen onaardige selectie hoor, maar allemaal wat anoniem correct. Het zijn zekerheden op de kaart, maar als wijnrestaurant mag je toch proberen een halfje van die zekerheden in te ruilen voor een handvol avontuur en uitdaging. Heel wat wijnliefhebbers zakken net daarvoor naar een wijnbar af. We openden de wijnkaart dan maar. Een eerste geruststelling: geen hele rist Grand Cru Classés die niemand kan betalen, tenzij met de kredietkaart van de zaak of als CEO van de één of andere mensenetende multinational. Net als in de wijnen-per-glaskaart ook heel wat zekerheden, maar toch een evenredig aantal suggesties die de koordans van de internationale markt ontsprongen. Ook leuk: heel wat oudere jaargangen op de kaart. Nog zoiets dat je als wijnliefhebber wel kan appreciëren. Kon je ze nu nog eens per glas proeven ... want per fles zit je toch al gemakkelijk boven de € 45 - € 50, een hele lap geld, die niet iedereen wil besteden aan een fles waarvan hij niet zeker weet wat ze aan tafel brengt. Hoofdmoot blijft natuurlijk Frankrijk, maar daarbuiten vinden we heel wat wijnen van zowat overal terug.
Veel suggesties kregen we niet. Orlane Gogne stond er blijkbaar alleen voor in de gelagzaal, dus een praatje kon er niet bij. Spijtig toch. We gingen dan maar met z’n drieën op strooptocht en spotten een La Donna Canone van Bonny Doon – Il Circo in een speciaal hoekje voor de freaks: echt wijnen voor wie eens wat anders wil. Vinden wij wel cool, dus die Dona moest er maar meteen aan geloven. Zo knotsgek als Randall Graham is, zo wild ziet het etiket van deze fles eruit. Een fauvistisch tafereel van een tot de verbeelding sprekende circusact: het levende kanonnenvlees. Leven deed deze Ruchè – een vergeten rode druif uit Piemonte – zonder twijfel en een kanon was het zeker ook, een beetje gemakkelijk ontvlambaar zelfs, met zijn 15% alcohol. Rozenblaadjes en guimauve op de neus, met een beetje kruidnagel en veenbes. Een rode piraat in de mond, hevig, vurig zelfs, misschien zelfs wat te, want het kruit van deze Ruchè di Castagnole Monferrato DOC is iets te snel verschoten. De afdronk is wat kort en warm. Een Donna die al eerder richting Italiaanse mama uitgaat: koleriek, maar toch wel een tikkeltje gemis aan fraîcheur. Wij lieten na een glas dan ook meteen de koelemmer aanrukken, die zonder enig pardon gebracht werd. Het kanonnenvlees liet zich met deze kleine ingreep al snel van zijn liefste kant zien.
Nu ja, waarom moesten wij ook weer zoiets aberrant van de kaart kiezen? Simpel: Cabernette koos voor soep van boschampignons en slibtongetjes, wij gingen voor de carpaccio en het lamsstoofpotje. Naast die eigenaardige combinatie kon wel zo ongeveer niets staan, dus gooiden we het op een akkoordje: we kiezen iets aparts. Eén fles was wel genoeg, want na afloop was het nog een eindje fietsen naar de volgende proeverij. Een Ruchè dus. Ik kende ze eerder als pezige, frisse, sappige drinkwijnen met vinnige zuren – zo een beetje à la Gamay d’Anjou of Touraine Rouge –, niet al te complexe wijnen die je met veel plezier vlot wegdrinkt. Randall Graham kennende zou zijn Ruchè zelfs wel tegen die lamsstoverij kunnen opboksen. En ja hoor ... .


3. Een zespotig voedingssuppelement.
Wildeman Randall Graham himselfNa een aardig poosje wachten vielen we met stevige honger op het voorgerecht aan: de heren op hun carpaccio (Amaronese trok al dadelijk zijn wenkbrauwen op bij het aanschouwen van de wel heel felle kleur van het vlees) en Cabernette op haar soepje van bospaddestoelen. De carpaccio bleek passabel, maar een Italiaanse carpaccio is toch wel wat anders: het juiste vlees, de kwaliteit van het vlees, ... , dat vind je hier niet dikwijls terug. Aan de vrouwelijke kant van de tafel bleef het eerst verheerlijkt stil (véél paddestoelen, verfijnde bouillon), tot er opeens een mier (!) uit de soep werd gevist en er ook nog wat takjes en gruis op de bodem van de soepkom bleven liggen. De paddestoelen waren ongetwijfeld zeer vers, maar het grondig afborstelen was er duidelijk bij ingeschoten. Nu hebben wij niets tegen bio-keuken, wel integendeel, maar als we extra proteïnen willen, dan toch liever niet van het zespotige soort!
Bij het hoofdgerecht speelde zich een vergelijkbaar scenario af. Het lamsstoofpotje bleek overheerlijk en legde de heren gedurende minstens een kwartier het zwijgen op. Aan de andere kant van de tafel waren de slibtongetjes bijzonder in hun element, al zwemmend in de boter. Niet direct naar de zin van Cabernette, die de voor de rest wel correct gebakken tongetjes kon pruimen, maar met heimwee terugdacht aan de meest perfecte sole meunière ooit die ze het jaar daarvoor op de markt in Doornik proefde bij een memorabel tête-à-tête met Amaronese in Le Carillon.
Als afsluiter kozen Menelaos en Amaronese voor een streepje kaas, Cabernette hield het op haar geliefd kwakje crème brûlée (eindelijk een schot in de roos, haar hoogtepunt van de maaltijd). Tja, en daar gingen we weer uit de bocht, want, met het gezapige tempo waarmee de gerechten aan tafel kwamen, was het ondertussen al half vier, en dus waren twee soorten kaas al op. Er werd ons dan geen extraatje aangerekend voor het kaasdessert. Goed, wel een schamele troost die we beide dan maar verdronken in een glaasje Overhex, Soulo, Red Muscadel 2006, een typisch Zuid-Afrikaanse zoete versterkte wijn. Weer zo’n een aberrant geval zal je zeggen en ja, dat klopt nog ook. Ik wilde het er nog eens op wagen, want ik ben er nog geen enkele echt goede tegengekomen. Weer mis, want ook deze Muscadel deed het niet: wat te plat zoet, zeker naar de afdronk toe miste hij wat lift. Eigenlijk ook wat monotoon, iets dat je nogal snel kan hebben met Muscadel. Typische muskaattonen met een beetje pruimachtig fruit en dan is het muziekje af. Zoetig en plomp, net geen slechte Ruby Port zoals je in cafés vaak te drinken krijgt.


4. Anticlimax.
We eindigden met een anticlimax en dan loop je het risico wat zwaarder te oordelen dan nodig is. Dat gaan we dus even vermijden. Van de wijnkaart kunnen we niet al teveel miszeggen: de prijzen zijn in orde, de keuze is degelijk, ze is met kennis van zaken samengesteld. Er hadden anderzijds vast wel wat meer of diverser wijnen per glas bij gekund. De sfeer is best. Bijna alles ademt hier wijn. Wij voelden ons meteen thuis. Ook niet slecht. Een praatje over de wijn had wel leuk geweest. Wij koutten achteraf wel een beetje bij, maar dat is toch niet helemaal hetzelfde. En ondanks de tegenvallende lunch - er kan altijd wel eens wat fout lopen - was er toch wel dat echt wel lekkere lamsstoofpotje: een eenvoudig, kruidig en vooral eerlijk gerecht. Misschien ligt hier wel de fort van de chef-kok en sommelier Alex Auwerkerken?

 

Sfeer: 7/10.
Bediening: 6/10.
Keuken: 4/10.
Wijnkaart: 6,5/10.
Algemeen: 5/10.

Oordeel: 5,5/10. Vorkje

Wij betaalden € 125,80 voor drie personen, waarvan € 31,90 voor de wijnen.


Vineeto
Oude Burg 10
8000 Brugge
Tel.:050/34.69.60
LAST_UPDATED2
 

Vlaamse Wijnblogdagen XI - Deel II: Stationsromannetjes en bijbelexegese

E-mail Print PDF
Boeken, dat is mijn vak. Ik vertelde het al in het eerste deel van deze Wijnblogdagenpost in het kader van de zoveelste editie van de Boekenbeurs. Dat wil dus zeggen dat ik ongeveer elke dag minstens een tiental boeken in mijn handen heb en er - raar, maar waar! - ook daadwerkelijk in lees. Als je zoveel met boeken in aanraking komt, dan word je natuurlijk wat kieskeurig en moet je spijtig genoeg beamen dat er maar weinig boeken zijn die je wil opnemen in je eigen hall of fame. Een boek is immers net als elk ander produkt op de markt onderhevig aan de wetten van vraag en aanbod, of we dat nu graag hebben of niet. Dat laatste blijkt vooral het geval voor de hoofdmoot van de wijnliteratuur.

1. Te volumineuze stationsliteratuur.
BouquetIk moet iets bekennen: eigenlijk houd ik wel van stationsromannetjes. Je weet wel, die Bouquet-reeksboekjes die je in elke supermarkt en iedere tijdschriftenhandel op de kop kan tikken voor een ontzettend democratisch prijsje. Het verhaal dat ze vertellen is meestal eenvoudig. Het zijn boekjes zonder pretentie die doorgaans een onmogelijke liefde verhalen in een klassieke setting, met stereotype personages: verpleegster en dokter, ridder en arme deerne, kasteeldame en stoere telg uit een verpauperd adelijk geslacht, ... zo kan je nog wel even doorgaan. Ze bieden misschien een cliché-beeld en ze zijn haast altijd bevestigend en braaf van karakter, maar daartegenover staat dat ze ook niet pretenderen meer te bieden dan dat. Daarin zijn ze eigenlijk net interessant, want ze geven wel aan hoe heel wat mensen denken of willen denken over begrippen als 'de ware liefde', man-vrouwverhoudingen en dergelijke. Bovendien zijn ook nog eens vlot geschreven. Wat wil je nog meer als goedkope ontspanning?
Was dat met het gros van de wijnboeken ook maar zo. Om te beginnen zijn ze al gewoon te groot en te zwaar van formaat om zomaar in je binnenzak te deponeren. Je zou zo elke wijnliefhebber herkennen aan zijn gebochelde gang mocht die toch zulk een tuintegel op zak hebben. Ze zijn ook nog eens véél te duur. Erger is dat zulke boeken vaak quasi inhoudsloos zijn of net een oeverloze compilatie van wijnweetjes bevatten. Geen volledig verhaal dat de lezer helpt alles wat hij aan nieuws leert te vatten in een overzichtelijk geheel. Nee, een stortvloed aan belangrijke en totaal onbelangrijke feitjes, gelardeerd met een eindeloze serie foto's. Dikwijls ook nog eens onjuiste, onbenullige feitjes en nietzeggende, gekunstelde kiekjes. Net als Bouquet-boekjes presenteren heel wat van deze wijnboeken ook nog eens een erg banaal beeld van de wijnwereld. Op zich niets mis mee natuurlijk - je moet ergens beginnen -, maar stel het dan ook niet voor als het laatste nieuwe, het enige ware, of het allerbeste wijnboek dat in de handel ligt. Elk exemplaar van dat type wijnboeken verkondigt zogenaamd de enige echte waarheid, de laatste inzichten in wijn, de nieuwste en spannendste ontdekkingen in de wijde wijnwereld, ... . Reclamepraatjes, zegt u? Bleef het daar maar bij, ja. De meeste wijnjournalisten die zo'n boek in elkaar flansen, geloven immers echt dat ze de laatste nieuwe wijnbijbel op de markt gebracht hebben. Dat collega x en y dat vorig jaar ook al deden, is hen in al hun zelfgenoegzaamheid blijkbaar helemaal ontgaan.

2. Zoeken in een grijze zone.
Jancis RobinsonEr valt goddank ook nog wat anders te vinden op de wijnboekenmarkt en dan wil ik niet weer eens de oren van uw hoofd zagen over schrijvers als Kermit Lynch of Nicolaas Klei, die - hoe vaak ga ik het nog herhalen - schitterende schrijvers zijn, ontzettend veel te vertellen hebben en dan ook nog eens een kennis aan de dag kunnen leggen waar heel wat wijnscribenten slechts van kunnen dromen. Ik wil het ook niet hebben over boeken als de dikke Johnsons of de Oxford Compagnion to Wine van Jancis Robinson bijvoorbeeld. Onmisbare referentiewerken, incontournables in hun genre, die dikwijls geïmiteerd, maar nooit overtroffen worden. Buiten deze zeldzame staaltjes van wijnliterair genie is er ook een grote keuze aan goede wijnboeken die zich in een - voor de Nederlandstalige markt althans - grijze zone bevinden. Ze worden zelden of nooit vertaald, laat staan dat ze gerecenseerd worden of vermeld door de Vlaamse wijnpers (de Nederlandse doet hier veel beter!).
Ik ben eigenlijk continu op jacht naar zulke boeken, want het zijn dit soort boeken waaruit steeds opnieuw kennis en visie te putten valt. Het zijn mijn ogen en voelhorens in de wijnwereld. Je moet er wel wat moeite voor doen op ze op de kop te tikken. De Standaardboekhandel binnenwandelen is niet genoeg. Ga eens langs bij De Slegte, loop de eerste verdieping met ramsjboeken voorbij en baan je een weg tussen de nauw naast elkaar geplaatste rekken vol tweedehandsboeken. Daar ga je al wat vinden. Gebruik Amazon, zoek op Antiqbook of breng bijvoorbeeld eens een bezoekje aan de Athenaeum de la Vigne et du Vin. In deze laatste boekhandel vind je zowat alles, zolang je maar bereid bent op in het Frans, Engels of Duits te lezen. Via Antiqbook of in tweedehandszaken kan je op jacht naar koopjes. Dikwijls vind je daar prachtexemplaren voor een habbekrats.

3. Croque-morts en pioniers.
The Wines of BordeauxEén van de eerste boeken die ik met veel zoeken en snuisteren te pakken kreeg was het onvergelijkelijke standaardwerk - in pocketformaat! - van de Britse croque-mort Edmund Penning-Rowsell: The Wines of Bordeaux. Ja, dat leest u goed, ik zit hier te pochen over een Bordeaux-boek! The Wines of Bordeaux werd voor het eerst uitgegeven in 1969 en werd meteen erkend als een standaardwerk in de wijnliteratuur. Niet meteen recent (ik bezit een herwerkte druk van 1979), maar het kan nog steeds de vergelijking doorstaan met nieuwlichters als de grote Féret, Bordeaux. Terre de Légende van Dovaz of Stephen Brooks pas verschenen The complete Bordeaux. Geen enkel van de net vernoemde boeken behandelt de geschiedenis van Bordeaux zo diepgaand als Penning-Rowsell dat doet, weliswaar vanuit een Brits imperiaal gevoel, maar dat moeten we oude Edmund maar niet kwalijk nemen. Hij verdoezelt die blik immers ook nergens (iets wat je van de nogal tendentieuze hiervoor vernoemde werken nie kan zeggen). Uit Edmunds verteltrant spreekt een zeer erudiete interesse in wat ooit eens - nog steeds?! - bekend stond als de beste wijn ter wereld. Misschien is het vandaag niet zo gemakkelijk meer te lezen, omdat we het nogal academisch aandoende vertoog niet meer gewoon zijn, maar op de meest onverwachte momenten springen de vonken van Edmunds formidabele passie zo uit het boek. Mij 700 flinterdunne en dichtbedrukte pagina's lang geboeid houden met de historie, châteaubesprekingen en millésimeraporten van een wijnregio waartegenover ik ernstige reserves heb ... dat moet je echt kunnen.
Africa UncorkedIk heb ook een zwak voor wijnreisboeken. Niet van die platenboekjes waar de ene na de andere fantastisch wijngaard in besproken wordt netjes bereikbaar met de auto vanuit het nabijgelegen hotel over een kale départementale, maar wel echte trekkersboeken. Boeken van gepassioneerde schrijvers die hun hart en ziel verpand hebben aan een bepaald wijnland en daar dan ook de meest eigenaardige gebeurtenissen meemaken, bijzondere personen ontmoeten en vreemde wijnen proeven. Een voorbeeld van zo'n boek is Afrika ontkurkt van John en Erica Platter, het Zuid-Afrikaanse wijnschrijverskoppel dat al ettelijke jaren lang hun onvolprezen Platter-guide uitbrengt. Je kan je dus ook geen betere gidsen voorstellen dan de beide Platters wanneer het over een wijnodyssee gaat doorheen het hele Afrikaanse wijncontinent. Van straffe wijndeernen in Algerije tot de geheime wijngaarden van Zimbabwe ... het blijft allemaal even interessant. Platters aanvoelen van het Noord-Afrikaanse temperament en de moeilijke omgang met de religieuze en economische situatie waarin wijnbouwers hun kost moeten verdienen, zijn goedlachse en gemoedelijke omgang met de wijnpioniers van Centraal-Afrika en zijn tomeloze bewondering voor de grote wijnen van Zuid-Afrika kennen geen weerga in de wijnliteratuur die er op deze aardkluit ter perse gaat. Helemaal niet zo academisch als Edmund Penning-Rowsell, maar minstens even boeiend en vooral een echte eye-opener in zijn genre. Je gaat er zowaar anders van denken over wijn.
Ik sluit af met een kleinood dat ik ooit eens op de kop tikte in het Rheinisches Landesmuseum te Trier. Er zijn zoveel boekenDer Wein und die Bibel waar ik het nog eens over zou kunnen hebben, maar dit verdient ook wel eens een vermelding. Je kijkt er immers zo gemakkelijk over. Van het boek over de Romeinen en hun wijn griste een museumbezoeker net voor mijn neus het laatste exemplaar weg. Pech ... . Dan maar op zoek naar een ander boek. Net ernaast, achter de hoek in het kleine winkeltje lag een klein dun boekje met een ontzettend saai uitziende kaft, maar wel een interessante titel: Der Wein und die Bibel. Freude ohne Grenzen van Paul-Georg Gutermuth. Gutermuth harkte een handige samenvatting bijeen van wat theologen, historici en Bijbelexegeten in de afgelopen tientallen jaren allemaal gepubliceerd hebben over de vele gedaanten waarin het geestrijk druivennat door het meest gelezen boek ter wereld spookt. Nog geen 100 bladzijden, maar wel een mooi overzicht van de functie en het belang van de wijn in de Bijbel, toch wel een beetje een must-read voor elke Europese wijnliefhebber. Immers, had het niet aan de Middeleeuwse clerus gelegen, dan was er waarschijnlijk nog maar bedroevend weinig wijn te bespeuren geweest in hedendaags Europa. Dat vergeten we soms wel wat al te gemakkelijk.
Wat een wijnboek allemaal niet kan doen ... .
LAST_UPDATED2
 

Révolution Bio 2.0

E-mail Print PDF
Een eerste episode van een veelbelovende documentaire over natuurlijke wijnen. In dit eerste deel wordt al degelijk en genuanceerd uiteengezet vanwaar die 'nieuwe' beweging van natuurlijke wijnbouwers plots komt en wat het verschil is met bio- en biodynamische wijn. Sfeervol in beeld gebracht, knappe muziek, goede informatie, ... ik kan al niet wachten tot de tweede episode online komt.


Veuillez installer Flash Player pour lire la vidéo
LAST_UPDATED2
 

Vlaamse Wijnblogdagen XII: "Call me bubbles ... everybody does"

E-mail Print PDF
Ik gruwel er altijd een beetje van. Met 'er' bedoel ik de koopjesgekte die vanaf begin december weer om zich heen grijpt op zowat elke straathoek. Grote plastic zakken, tot barstens toe gevuld, worden vanuit winkels naar autokoffers gesleept alsof er een massale volksverhuizing aan de gang is. Onze medemens vecht met uitpuilende ogen om dat laatste artikel te bemachtigen dat aan dumping-prijs tussen goedzakkig glimlachende kerstmannen op de eerste pagina van reclamblaadjes prijkt. En, als het ons goed uitkomt, doneren we ook nog wat voor de rammelende collectebussen die posteren aan de poorten van de Heilige Marketainment-hallen die klein Vlaanderen rijk is ... . Kan het iemand nog ontgaan? Binnen dit en drie weken is het Kerstmis. De eindejaarsfeesten komen eraan! Hoezee! Hoezee?

1. Obligaat gebroebel.
Breughel - BoerenbruiloftJaja, ik weet het wel: het is misschien een beetje blasé om weer eens met enig ennui te beginnen zagen over de jaarlijkse koophysterie. Maar, geef nu zelf toe, het neemt toch regelmatig absurde vormen aan. Zo absurd dat je er alleen maar om kan lachen of - en dat is erger - zo voorspelbaar absurd dat het ronduit irritant wordt. Hebt u de recente weekendbijlagen van onze vaderlandse roddelblaadjes eens doorbladerd? Nee? Wel, dan zal ik u even een kort overzicht geven: bubbels, bubbels en nog bubbels. Bubbels aan de kerstboom, bubbels onder de kerstboom, bubbels rond de kerstboom, bubbels in de kerstboom ... . Je kan geen weekendgazet openslaan of er staat wel een artikel in over Champagne, Cava of Prosecco. Vooral die twee eerste dan. Het lijken wel de obligate party-crackers. Zonder plop van een bubbelfles geen jolig feestje. Zonder knallen geen huichelige vrolijkheid.
Ik zou zo ondertussen - gewoon om dwars te liggen - de bubbels mijlenver verbannen van de jaarlijkse feestdis. Al dat obligate gebubbel en gebroebel, 't doet me terugdenken aan de verplichte zuipgelagen die we wel eens hielden om toch minstens al wat aangeschoten op een saaie fuif aan te komen. Dan had je er toch nog wat aan. Van die saaiheid merkte je dan immers niets meer omdat je zelf in een idioot lacherige stemming was. Het lijkt wel alsof die bubbels erbij moeten om net dezelfde reden: de gevreesde saaiheid van onze familiefeestjes te vergeten. Een glas Champagne Brut op het beleggersgezaag van nonkel Pier, een glas Cava naast de spataderjeremiade van Tante Georgette of een glas Champagne Demi-Sec bij het beurse geneut over 'dien goeie ouwen tijd' van heeroom Evarest ... . Stijgen de bubbeltjes naar ons hoofd - en dat gebeurt doorgaans nogal snel - dan kunnen we pas echt aan tafel gaan. Erfeniskwesties zijn vergeten, de minachting van de oudste pilaarbijter voor dat jong schoelie van een vuile sos is allicht vergeven en de kleinkinderwens van omoe en opoe wordt er alsmaar roziger op. De gemoedelijke elleboogafstand aan de feesttafel wordt plots best draaglijk. Er is wat nodig om een doorsnee Vlaamse Kerstkermis te doorstaan.

2. Call me bubbles, everybody does ... .


Ja, dat is wat bubbeltjes doen: de stemming zetten zonder dat we er vervaarlijk beschonken van worden. Daar kan je pas echt op rekenen. Geen één zal het laten afweten, want het zijn net die gasbelletjes die verantwoordelijk zijn voor het knallende startschot van alle feestgedruis, het plechtig tinkelend geluid in je kristallen flûte en het blijmoedige gevoel dat je vult na een half glas licht bruisend druivensap. Belletjes. Het gaat allemaal om de bubbels! Bubbels, what's in a name? Welke idiote wijnscribent heeft dat zeemzoeterige koosnaampje eigenlijk bedacht? Weer karakteriserend origineel natuurlijk: een platte leenvertaling regelrecht uit het Engels. Het zal vast wel op Frank Van der Auwera's palmares te schrijven zijn. Prosecco, Champagne, Cava, Crémant, Vonkelwijn, ... call me Bubbles, everybody does ... lekker eenvoudig: alles bijeengedraaid in een nietszeggende eenheidsworst. En toch zijn het inderdaad die zo vluchtige gasbelletjes die schuimwijnen organoleptisch onderscheiden van gelijk welk ander type wijn.
De opstijgende gasbelletjes bevatten namelijk koolzuur dat tijdens het gistingsproces werd gevormd. Afhankelijk van het vinificatieprocédé dat gevolgd werd, zijn die belletjes afkomstig van een eerste of een tweede gisting. Bij wijnen als Champagne, Prosecco en Cava zijn ze afkomstig van een tweede gisting, afhankelijk van het soort wijn op de fles (méthode traditionelle) of in een druktank (méthode charmat / cuve close). Het koolzuurgas dat door de gistcelletjes als een soort afvalproduct gevormd wordt, blijft nu gevangen in de wijn onder een redelijk hoge druk van 5 à 6 bar (vgl. de gemiddelde atmosferische druk is ongeveer 1,013 bar). Vandaar de knal en het gas dat net na het openen van de fles langzaam opstijgt uit de hals. Het koolzuur ontsnapt relatief snel aan de wijn, maar blijft even zichtbaar omdat het zwaarder is dan lucht en omdat het door de snelle gasexpansie extreem afgekoeld wordt (tot -100 °C!). Net die eigenschappen van het in de wijn opgeloste koolzuur (één fles Champagne bevat gemiddeld 5 liter CO2) bepaalt de zo typische aromatische kwaliteit van een schuimwijn.
De belletjes koolzuur die ontsnappen aan de Champagne doen dat immers niet zonder meer. Er is wel wat voor nodig. Ooit vertelde een wijnvriend me eens tijdens een degustatie dat hij vroeger, vroeger, in een ver en grijs verleden als beginnende wijnliefhebber gelezen had dat wijnglazen onberispelijk schoon moeten zijn, want dat elk microscopisch kleine vuiltje de smaak van een wijn contamineert. Zoals dat gaat met beginnende wijnliefhebbers volgde hij die raad scrupuleus op. Enkele uren voor zijn eerste Champagne-proeverij aanvatte, waste hij zijn glazen nog eens grondig af - met bijna kokend heet water, zonder detergent, natuurlijk - en spoelde hij de hete glazen nog eens na met azijn om ze vervolgens onaangeroerd te laten drogen. Het resultaat was er naar: zijn wijnkameraden complimenteerden hem ampel met zijn brandschone, fonkelende proefglazen ... tot de eerste geut Champagne in het glas kwam. Haast geen belletjes, geen schuim en al helemaal geen mooie schuimkraag. Een ramp. Want hoe wil je nu Champagne proeven zonder belletjes? Of andersom: hoe komt dat nu dat er in net zo propere glazen praktisch helemaal geen geschuim en gebruis te bespeuren valt?


3. "Ober, een vuil glas graag!"

BubbelsWel, omdat een schuimwijn eigenlijk graag een vuil glas heeft. Ja, u leest dat goed: die elitaire champagne mag best in een smerige kuip. Nu moet u bij het volgende familiefeest uw glazen wel niet even buiten in de modder gaan rollen. Dat zou wat van het goede teveel zijn. Maar een paar stofjes in je mooie glazen mogen best blijven zitten tot ze in vloeibaar goud gedrenkt worden. Die kleine oneffenheden zorgen er namelijk voor dat de koolzuurbelletjes zich kunnen vormen en hun magie aan het werk kan. Denk maar aan de gegraveerde ring onderaan in een Duvel-glas: die heeft net hetzelfde effect. Om mooie bubbeltjes te krijgen boen je je glazen zelfs best nog eens even op met een schone, katoenen vaatdoek voor je het feest laat beginnen. Je gasten tevreden, want ze kunnen goedkeurend aanschouwen hoe proper jij je glazen wel op tafel zet. Jij tevreden, omdat je weet dat je schuimwijn mooi zal parelen. Het katoen laat immers microscopisch kleine vezeltjes achter die fungeren als een soort minuscuul kleine buisjes waarin de koolzuurbelletjes als op een lopende band aangemaakt worden. Dat heeft te maken met de vorm van de vezeltjes en processen die scheikundigen capilairwerking en het omzeilen van Van der Waalskrachten noemen. In feite komt het erop neer dat die vezeltjes de ideale broedkamers voor gasbelltjes vormen. Eens een belletje groot genoeg is, kan het ontsnappen aan het minibuisje en als de wiedeweerga opstijgen naar het oppervlak van de wijn. En zo gaat dat maar door, het één na het ander bubbeltje komt aan een razende snelheid tevoorschijn, zodat je van die mooie belletjeskettingen krijgt die opstijgen van de bodem tot bijna aan de rand van het glas. Pure magie.
De belletjes die opstijgen doorheen de schuimwijn in kwestie bevatten weliswaar niet alleen koolzuurgas. Als dat zo was, zou Champagne eigenlijk alleen maar een zurige CO2-geur hebben. Een glas Champagne zou dan niet echt veel meer verschillen van een glas Spa Barisart. Maar, zeg nu zelf, dat is niet bepaald het geval, toch? Van de koolzuurbelletjes die opstijgen doorheen het vergiste druivensap wordt immers geen klein beetje geprofiteerd door een ander soort moleculen die chemici groeperen in de wat oppervlakkige klasse van de surfactanten, 'oppervlakte-actieve moleculen' in het schoon Nederlands. Deze moleculen hebben met elkaar gemeen dat ze spontaan de oppervlakte van een vloeistof, of toch alleszins de grens tussen een vloeistof en een gas opzoeken. Dat doen ze vanzelf omdat het kopje van de molecule in kwestie hydrofiel, waterminnend, is, maar het staartje helemaal niks van vloeistoffen moet weten. Het is zo hydrofoob als de pest. Zulke moleculen voelen zich dus niet bepaald als een vis in het water wanneer ze doorheen ons glas Champagne warrelen, ware het niet voor die aanlokkelijke koolzuurbelletjes die met de regelmaat van de klok aan hen voorbijsuizen. Daar klampen ze zich gretig aan vast zodat ze kunnen meeliften naar het oppervlak van de Champagne. En daar gebeurt pas echt het wonder.
Wanneer zo'n belletje bovenaan aan de oppervlakte van de vloeistof komt, spat het open met een geweldige knal. Maar goed dat het om zo minuscuul kleine belletjes gaat - gemiddeld bereiken ze maar een diameter van één vijfduizendste van een millimeter -, want het drinken van een luid knallend goedje zou zefs de allerbeste wensen nogal onverstaanbaar maken, denk ik zo. We horen ze wel heel fijntjes tinkelen, zeker als we ze uit een kristallen glas tot onze neus laten opstijgen. Een feestelijk geluid. Door de grote kracht waarmee zo'n opstijgend belletje openspat aan het vloeistofoppervlak worden er kleine drupjes vloeistof met een snelheid van enkele meters per seconde kort de lucht in geslingerd. Dat hebben we allemaal wel al eens gevoeld als we onze neus wat te dicht bij de rand van het glas brachten. Bij het in de lucht slingeren van die minidrupjes worden echter ook die surfactanten aan de lucht blootgesteld en worden ze dus waarneembaar voor ons reukorgaan. De openspattende belletjes catapulteren zo onder meer bepaalde vluchtige thiolen, andere complexe alcoholen, aldehyden en enkele organische zuren centimeters hoog de lucht in. En het is net dat wat schuimwijnen zo uniek maakt: je moet er niet mee walsen of geweldig aan zitten snuiven om hun aroma waar te nemen. Dat komt eenvoudigweg vanzelf naar jou toe. Appel- of citroenzurige aroma's (zuren), broodgistige geurtjes (thiolen), noterige aroma's (aldehyden), ... je zegt het maar, ze vullen je neusholte wel vanzelf. Meer nog, doordat het koolzuur zowel snel opgenomen wordt als redelijk gemakkelijk oplost in ons bloed, en net zoals elk gas, opborrelt naar de hogere regionen van een vloeistof bereikt het snel en uitbundig de hersenen. Dat ervaren we als een aangename, verfrissende prikkel in onze bovenkamer. Er is niet veel meer nodig om ons in een feestelijke stemming te krijgen ... .

4. Niet voor iedereen.

Vitteaut-Alberti RoséIk moet zeggen dat ik blij was te zien dat Bruno Vanspauwen in dezelfde weekendbijlage van De Standaard, waarin weer eens een breed uitgesmeerd artikel over Cava en Champagne te vinden was, het had over zijn eerste ontmoeting met Pierre Overnoy. Toch één wijnjournalist die eens niet schrijft over al dat geborrel en gebroebel dat we de komende feestdagen mogen doorstaan. Het was ook verfrissend te horen dat die geestesverwant waarmee ik er vrijdag op uit trok, dit jaar bij zijn oesters niet de gedoodverfde Champagne plande, maar wel een lekker flesje van Marc Pesnots Gros Plant, een verguisde cépage uit de Loire Atlantique. Er zijn toch nog mensen die niet met voddenkranten in hun kop drinken.
Ik was dus wel iets minder onverdeeld gelukkig met het blogthema van deze eindejaarseditie van de wijnblogdagen: de gevreesde bubbels. Niet dat ik wat tegen schuimwijnen heb, helemaal niet, maar ik haal ze zelden zelf uit de kelder. Cabernette is in ons huishouden eerder schuimdame van dienst. Ik ben er dan ook niet zo beslagen in (of het moest Vouvray zijn) en besloot dus wijselijk mijn flesje niet zonder de nodige begeleiding te proeven. Ik troonde het mee naar mijn schoonvader, die best een schuimwijnfreak mag genoemd worden: hij heeft er toch al een stevig aantal met de nodige kennis van zaken achterovergeklokt. Flesje ingepakt in zilverpapier en meegetroond richting N. in een druilerige trein en de klassieke NMBS-chaos van vertragingen, afschaffingen en omleidingen. Het flesje dat ik van Wim toegestuurd kreeg was een Crémant de Bourgogne Rosé van Vitteaut-Alberti, een aangename verrassing, want voor onze trouwlunch koos ik de Blanc de Blancs van hetzelfde huis als aperitief. Ik was dus wel eens benieuwd naar deze rosé die voor de volle 100% uit Pinot Noir bestaat.
We ontkurkten de fles bij enkele stevige aperitiefhapjes. Geen slechte keuze, want bij de eerste snuif aan het glas was al duidelijk dat het om een nogal vineuze schuimwijn ging. Mooi dieproze van kleur, als van ouderwetse rozenblaadjes en in onze - vuile! - glazen degelijk parelend. In het begin nog wat gedomineerd door prikkend koolzuur ontwikkelde zich een eerder timide neus van broodgist, cassisblad en kleine rode vruchtjes. Zelfs met walsen - wat je met een schuimwijn helemaal niet hoeft te doen, zie §3 - kwam ze niet echt los. Misschien had mijn bewogen treinreis haar wat nukkig gemaakt? In de mond liet ze zich anders ook niet van haar meest gewillige kant zien. Mooi strak droog, dat zeker, maar weer wat gesloten op de tong. Rode besjes en broodgist. Een beetje bang in de finale: als met de staart tussen de benen afdruipend. Een zeer degelijk gemaakte wijn, met de typische strakke stijl van het huis, maar ik mistte er toch wat de panache in die ik zo kon bewonderen in de Blanc de Blancs. Mijn schoonvader kon het alleen maar beamen - hij proefde blind - : "mooi gemaakt, maar een beetje teruggetrokken". Iets aangenaams voor liefhebbers van strak, licht en droog in rosé. Geen bubbels à la everyone can call me bubbles, that's for sure.

Voor wie dorst naar meer over de scheikunde van bubbels: een artikel uit American Scientist door de experts in kwestie.

Andere bruisende schrijfsels vind u op de volgende blogs:

  • foodfan met een marriage tussen een Moscato d'Asti en een sappige zabaglione.
  • disaster over een roze bébé Ruinart - wijnmens over ene 733 - wijngerd over koppige bubbels en ikwilwijn over de schuimprijzenslag in de supermarkten, allemaal op webstek Ikwilwijn.be!
  • bart op haveanicewinetoday over een droge Angelina Jolie uit de bakermat van alle schuimwijn.
  • kaat op haar nieuwste webstek Wine Itch over womenpower in Champagne.
  • St-Etienne over het gaswatertje van een andere Etienne uit de Jura.
  • vinama over de Cuvée Rufus van - jaja! - het Belgische Vignoble des Agaises.
  • karl sjeest een Ferrari op Wine Jockey.
  • pvo over een bruisje van de andere kant van de aardbol.
  • wim op Wijnkennis over het flesje dat hij van mij toegestuurd kreeg.
LAST_UPDATED2
 

Hersentjes met Turbiana - Deel III: de draad van Ariadne door het trebbiano-labyrint

E-mail Print PDF
Waar waren we gebleven? Een beestig zware fles, juist ja. In die beestig zware fles zat dus een allerminst alledaagse wijn: vol, rijk, krachtig, ... . Zoals ik al zei: niet meteen het beeld dat we voor ogen krijgen bij het zien van het woordje trebbiano op een fles. Is dat niet het platte, weinig tot de verbeelding sprekende slobberwijntje dat je bij de Italiaan om de hoek bij je pizza Bolognese krijgt, wanneer je een half litertje wit van het huis bestelt? Niet meteen om over naar huis te schrijven. In het beste geval is het een eenvoudige dorstlesser, maar zelfs op die roem kunnen de meeste exemplaren niet bogen.

1. Trebbiano di Minos?
TrebbianoEerlijk gezegd, toen ik deze fles van Teresa cadeau kreeg, dacht ik: “ai, een trebbiano en dan nog wel in zo’n monsterlijke fles, daar gaat het mens vast en zeker veel teveel van haar geliefde lires aan neergeteld hebben (Teresa kon het niet laten van nog steeds met vele duizenden te tellen).” Nu ja, ik had beter kunnen weten. Dit was niet zomaar een trebbiano d’abruzzo, de klassieke trebbiano die je tot vervelens toe steeds weer in de karaf gegoten krijgt. Het leek wel alsof er een heel andere druif gebruikt was. Wanneer ik het aroma en het mondgevoel trachtte te vergelijken met druivenrassen waar ik wat beter mee bekend was, kwam ik niet veel verder dan een chardonnay die vreemdging met een pinot blanc. Een nogal knullige vergelijking vond ik zelf, dus kamde ik mijn wijngeheugen verder uit naar wat beters. De enige trebbiano die ik me nog herinnerde was een trebbiano spoletino van het Umbrische Perticaia: een heel nerveuze, vinnige wijn, met een prachtige mineraliteit en koele zuren. Het tegenovergestelde van deze wijn dus. Wat mij betreft was een Verdicchio dei Castelli di Jesi Riserva – denk maar aan de Pier delle Vigne van Zaccagnini – zowat de enige Italiaanse witte die een beetje in de buurt kwam, alhoewel daar de aroma’s van exotisch fruit altijd minder duidelijk op aanwezig zijn. Nu ja, het kon in dit geval ook de nogal frappante houtlagering zijn die me deed denken aan een Verdicchio Riserva.
Met wat gegoogel kwam ik erachter dat de blend waaruit deze Filo di Arianna gemaakt was, zoals ik eerst dacht, geen chardonnay bevatte, wat die geslaagde respons op  houtlagering wel meteen verklaard had, maar voor 100% uit trebbiano di lugana bestond. Ha, nog een andere trebbiano ... want er zijn er maar –tig verschillende trebbiano’s in Italië! Als je het lijstje erop naslaat, lijkt zowat elke streek, of misschien zelfs elk dorp een patent te hebben op zijn eigen type trebbiano. Trebbiano di soave, trebbiano d’abruzzo, trebbiano toscano, trebbiano di spagna, trebbiano romagnolo, ... en zo kan ik nog wel een paragraaf of wat verder gaan. Volgens de gevestigde waarden in de wijnschrijverij is het allemaal één pot nat. Het zijn alleen die chauvinistische Italianen die tegen heug en meug in volhouden dat die trebbiano van hun dorp toch anders – versta: beter – is dan die van buur- en overbuurlief. Tja, dat zijn alleen dingen die je als rasechte Italiaanse wijnboer kan begrijpen.

2. DNA, mysterieuze Etrusken en Sevillaans etymologees.

Plinius de OudereIk ben dan wel geen wijnboer, en al helemaal geen Italiaan, maar als ik zulke dingen lees, dan begint er wat te jeuken achter mijn voorhoofd. Het kan toch niet dat er zoveel verschillende types trebbiano bestaan en er nog nooit iemand op het idee gekomen is die eens deftig te vergelijken om eens en voorgoed te bewijzen dat het allemaal één en hetzelfde banale druivenras is? Op de site van Tenuta Roveglia werd ik over die trebbiano di lugana niet veel wijzer. Wat graven in de wijnboekenberg boven op zolder levert ook niet veel op. Zelfs het evangelie van Galet weet me deze keer niet echt te overtuigen. Er rest ons nog maar één optie: gaan grasduinen in de elektronische databases van gespecialiseerde literatuur. Met twee kliks is het al bingo: een artikeltje uit het tijdschrift Vitis van een team Milanese biologen en bio-ingenieurs1 waarin verslag wordt gedaan van een genetisch onderzoek naar trebbiano en andere verwante druivenrassen of -variëteiten. Gegoochel met DNA, AFLPs, dNTPs, PCRs, PTC, SSRs, ... het staat, zoals zoveel van die gespecialiseerde artikelen bol van de obscure afkortingen, maar gelukkig is het besluit van het onderzoek zo klaar als een glas platgefilterde Muscadet: de zogenaamde trebbiano di lugana waarvan de Lugana-wijnen gemaakt worden, is helemaal geen trebbiano ofte ugni blanc. Meer nog, de hele reeks trebbiano's van hier en ginderachter zijn niet eens zo nauw verwant. Pardon? Even herlezen: "The high degree of variability among the cultivars of Trebbiano [...] indicates that they are of various origin", zo concludeert Dottore Labra2 samen met zijn team. Het staat er echt.
Laten we eerst eens even kijken naar de etymologie van de naam trebbiano, want het is net die etymologie die door onze geliefde wijnschrijvers nog steeds op z'n Isidorus van Sevilla's gebruikt wordt om te verklaren waar een druif vandaan komt en met welke andere druivenrassen ze synoniem is. Niet meteen een betrouwbare bewijspiste als je 't mij vraagt. Zeker niet als we het over trebbiano hebben, want daar blijkt het etymologische gezwam meer droesem dan klare wijn in het glas op te leveren. De eerste vermelding van trebbiano, zo wil de etymologische traditie, is terug te vinden in het alom bekende Naturalis Historia van ene meneer Plinius, Plinius de Oudere wel te verstaan. U weet wel, de koene wetenschapper die de uitbarsting van de Vesuvius, zoals dat hoort, door nauwgezette observatie wilde bestuderen, maar er jammer genoeg gelijk zijn kees bij inschoot. Hij ging letterlijk en figuurlijk in rook op, die Plinius. Plinius sprak over vinum trebulanum3, een gerenommeerde wijn uit de Oudheid, afkomstig uit Campania. U hoort het al trebulanum, trebbiano, de klik is gauw gemaakt ... . Niet dus. Wat later is er een andere wetenschapper die het vanzelfsprekend beter weet: ene meneer Bacci, die in 1596 een boek publiceert met de plechtige titel De naturali vinorum historia waarin hij laat blijken dat die goede oude Plinius de bal missloeg. De naam trebbiano zou afkomstig zijn van een Etruskische stad niet ver van Luni in Italië. Volgens Bacci waren het blijkbaar die mysterieuze Etrusken die de uitvinding van de Italiaanse slobberwijn op hun geweten hadden. Toch niet, zegt nog een andere: trebbiano is afkomstig van de oevers van de rivier Trebbia, vandaar de naam trebbiano, weet u wel. En zo kunnen we nog wel even verder breien aan een kluwen van gelijkenissen en koosnaampjes allerhande.

3. Turbiana.
Bacci - De Naturali Vinorum historiaDe klassieke morfologische studie waarbij men vormelijke karakteristieken van rassen en variëteiten met elkaar gaat vergelijken om zo synonieme en verwante druivenrassen op te sporen, blijkt al evenmin een grote hulp. Sommige trebbiano's trekken op elkaar als twee druppels zwalpwijn, andere lijken in de verste verte niets, maar dan ook niets met elkaar gemeen te hebben. Of toch? Er werd immers al langer gedacht dat de druiven waarmee Lugana traditioneel gemaakt werd, dezelfde waren als de trebbiano di soave, zogenaamd één van de betere onderrassen van de trebbiano, die - u raadt het al - voornamelijk in Soave gebruikt wordt samen met pinot blanc en chardonnay als blendpartner voor garganega, de hoofddruif van Soave. Nu wil de ironie dat die trebbiano di soave eveneens helemaal geen trebbiano is. Trebbiano di soave blijkt volgens het genetisch onderzoek van meneer Labra en zijn team identiek aan verdicchio: "A dendrogram of the results shows that Trebbiano di Soave and Trebbiano di Lugana were almost identical, sharing 97% of bands. Interestingly, cv. Verdicchio is almost identical with Trebbiano di Soave (99% band sharing)."4
De zurige, frisse witte druif met haar appel- en perzikachtige aroma's die de basis vormt voor de potentieel knappe witte wijnen uit Le Marche (Verdicchio dei castelli di Jesi en Verdicchio di Matelica) blijkt dus wijder verspreid te zijn over Italië. Net als zijn synonieme Noordervariant blijkt verdicchio ook heel mooi te reageren op een voorzichtige houtlagering. Aroma's van gedroogd fruit, balsem, honing, stro, met wat camille of zelfs iets licht anijsachtig zijn geen uitzondering. Dat klinkt allemaal nogal bekend in de oren, want zoiets zat wel in die beestig zware fles. Trebbiano di lugana blijkt bij benadering dus ongeveer hetzelfde druivenras te zijn als verdicchio. Bij benadering zeg ik wel, al laten we over die 97% maar niet te moeilijk doen: met wat minieme variatie gaat het toch om één en dezelfde druif.
Alhoewel ... , dat is buiten de trots van de Italiaanse wijnboer gerekend. Die 2% afwijking is genoeg - zo lijkt het wel - om toch te claimen dat zij hier, de wijnboeren van Lugana, een ander druivenras in de kuip hebben. Een uniek druivenras, dat nergens anders ter wereld, en al zeker niet in Italië, geteeld wordt. En zo'n uniek druivenras moet natuurlijk een eigen naam hebben. Dat werd 'turbiana'. Geen trebbiano di lugana meer, laat staan verdicchio, maar 'turbiana', u hebt het goed begrepen. Ga nu alstublieft niet gaan beweren in de één of andere Luganese wijnkelder dat turbiana gewoon verdicchio is. Er zijn er al voor minder verzopen in een gistingsvat. Mocht u toch de onweerstaanbare drang voelen om op te scheppen met uw pas opgedane wijnkennis, vernoem dan mijn naam liever niet. Teresa wil ik liever niet op m'n dak. Ik dank u.

4. Sterke slobberscheut.
PizzawijnEr blijft echter nog één vraag onbeantwoord. Waarom noemen die Italianen dan zowat elke druif waarvan men witte wijn kan puren trebbiano? Is trebbiano dan ooit ergens een synoniem voor kwaliteitswijn geweest? Pikten andere wijnbouwers elders in het land ook graag wat van de hype mee en noemden ze hun eigens druivensappig goedje dan ook maar trebbiano? Nee, niets van dat alles. De reden waarom deze naam zo wijd verspreid is, blijkt toch in de etymologie van de naam terug te vinden. Praktisch al deze rassen of cultivars blijken vigoureuze groeiers te zijn die niet malen om een trosje meer of minder. Je moet ze heel sterk terugsnoeien, want anders krijg je ... slobberwijn, juist ja. Nu heeft de naam trebbiano wel niets met het werkwoord 'slobberen' te maken. Dat ware te mooi geweest. Trebbiano zou daarentegen (volgens een zekere mevr. Hohnerlein-Buchinger5) afgeleid zijn van het Frankische 'draibio' wat niets anders betekent dan 'sterke scheut', een sterke groeier dus. En vermits al die druivenrassen zo sterk groeiden, noemde men ze dan maar allemaal hetzelfde. Efficiënt, niet? Spijtig genoeg maakte men er dan ook overal dezelfde wijn van: slobberwijn, pizza mit würstel-wijn, toeristenwijn, terrasjeswijn, ... bij Jupiter, what's in a name?

1 Labra, M. et al., "Genetic studies on Trebbiano and morphologically related varieties by SSR and AFPL markers", in: Vitis. 40 (2001), 4: 187-190.
2 Ibidem, 189-190.
3 Plinius de Oudere vermeldt nergens letterlijk de frase 'vinum trebulanum' in zijn tekst. Hij vernoemt [Boek 14, Hfdst. 6; we volgen hier de  overzetting van Mayhoff 1906 online hier te vinden] de wijnen van Trebula samen met de andere wijnen van Campania als wijnen die recentelijk aan geloofdwaardigheid hebben gewonnen door "omzichtige teeltwijze of andere voorspoedige omstandigheden" (sive cura sive casu), alhoewel zij toch "dikwijls van het alledaagse soort zijn" (semper inter plebeia). In zijn context luidt dat: "Campania nuper excitavit novis nominibus auctoritatem sive cura sive casu ad quartum a Neapoli lapidem Trebellicis, iuxta Capuam Caulinis et in suo agro Trebulanis, alioqui semper inter plebeia et Trifolinis gloriata."
Het lijkt er dus wel op alsof de frase 'vinum trebulanum' van latere origine is. Vermoedelijk stamt ze uit een mij niet bekende 16de eeuwse commentaar op Plinius' Naturalis Historia en is ze in de latere wijnliteratuur tot op de dag van vandaag een eigen leven gaan lijden. Een reden te meer om zulke etymologische verklaringen te mijden of toch minstens kritisch te benaderen.
4 Labra, M. et al., "Genetic studies on Trebbiano and morphologically related varieties by SSR and AFPL markers", in: Vitis. 40 (2001), 4: 189.
5 Hohnerbein-Buchinger, T., Per un sublessico vitivinicolo: La stora materile e linguistica di alcuni nomi diviti e vini italiani. Tübingen: Max Niemeyer,  1996. 247 p.

 

LAST_UPDATED2
 


JPAGE_CURRENT_OF_TOTAL

Welkom op de webstek van 'The Orbis of Wine'

Toekomstige activiteiten

Geen evenementen