We lopen wat achter deze week. Iedereen kent dat: een concert, een dag naar het leger van Xi’an, teveel werk onder de week, een lezing voorbereiden, wat teveel avondlijke activiteiten diezelfde week, een formidabel etentje bij foodfan (daarover later zeker meer) en dan de slag van de moker: twee dagen zo ziek als een hond en om de vijf voet een lusteloos sprintje naar het wc met als enige drijfveer … juist ja. Edoch, er is licht aan den einder. Mijn eerste glas Prosecco blijft nog steeds waar het moet zijn en ik had eindelijk honger bij het zien van de receptiehapjes … .
1. Tasting apart together.
Waar is de tijd dat flessen wijn alleen bij de grote feesten op tafel kwamen? Ik kan het niet zeggen, want ik heb hem nooit echt gekend. Thuis en bij mijn grootouders was gewoon elk moment waarop er wat volk over de vloer kwam of we gewoon samen rond tafel zaten een gelegenheid om een fles soldaat te maken. Chance? Zeker! Ik heb zo ongeveer de borst ingeruild voor de wijnfles (gelukkig heb ik nooit aan die vieze speen moeten sabbelen). Ik heb er niet alleen de passie voor wijn aan overgehouden, maar ik heb er vooral van geleerd dat wijn zoiets is dat je samen drinkt, en compagnie. Zelden of nooit trek ik een fles open wanneer ik alleen thuis ben, net zomin als ik zin heb om te eten als ik alleen ben. Naar de ruitjes van het tafellaken zitten staren terwijl je onverschillig wat boterhammen binnenstompt, ’t is nooit wat voor mij geweest.
Wijn is niet alleen een leuke tafelpartner omdat hij – zoals het cliché wil – de tongen losser maakt, ik vind het ook altijd aangenaam om met gelijk wie wat van gedachten te wisselen over een fles, over het eten dat je er bij eet of misschien zelfs over de mariage. Heel wat mensen durven de eerste keer dat ze bij ons over de vloer komen bijna met geen woord reppen over wijn. Vind ik altijd een beetje vervelend. Ik mag er dan misschien wel wat vanaf weten, toch kan ik nog enorm veel leren, zelfs en misschien zelfs zeker van iemand die ‘alleen eens een glas drinkt voor het plezier’. Een onbevangen commentaar doet mij soms nadenken, leert me een geur memoriseren die ik zelf niet zou herkend hebben, enz.
Dat is evenzeer één van de redenen waarom ik wijn liefst in gezelschap drink. Alleen al het besef dat elke mens fysiologisch gezien anders proeft (niet iedereen kan alles proeven – sommige smaakreceptoren hebben we gewoon niet of in veel mindere mate en anderen hebben die dan weer wel), maakt samen een wijn drinken interessant. Wat je samen proeft, proef je gewoon beter. Al was het maar omdat je soms wel eens een slechte dag kan hebben. Dat is ook de reden waarom ik me zelden of nooit laat leiden door deze of gene wijncriticus en al zeker niet door de verlichte despoten van de wijnkritiek. Iemand blindelings volgen is immers een garantie voor het nillens willens negeren van bepaalde wijnsmaken en bepaalde wijnstijlen. Het gezegde dat bv. Robert Parker een bepaalde wijnstijl opdrong aan zowat de hele wijndrinkende wereldbevolking is dus niet zomaar een uit de lucht gegrepen verwijt. ’t Blijft anders wel de vraag of je het hem voor dat genetisch bepaalde gedeelte van zijn smaak kan kwalijk nemen … .
Paneltastings zijn doorgaans dan ook heel wat betrouwbaarder (één van de vele redenen waarom ik Decanter en Bourgogne Aujourd’hui zulke goede tijdschriften vind): wanneer er in consensus besloten wordt dat je met een erg goede wijn te maken hebt, dan is dat meestal ook zo. Er zullen altijd wel een paar mensen zijn die gevoeliger zijn voor dat ene type aan smaak. Als er een paar proevers tussen zitten die gevoeliger zijn aan zuren en de wijn dus wat sneller onevenwichtig zullen vinden, dan compenseren de anderen voor die outliers, de afwijkende proevers. Niet zo heel lang geleden maakte ik het nog eens mee op een proeverij: ik had een Menetou-Salon Clos des Blanchais Morogues 2006 bij van Henri Pellé. Een fantastische wijn wat mij betreft: levendig op het knisperige af door de vinnige, zelfs een beetje kristalijne zuren. Ik had er zo een beetje het ‘diamantgevoel’ bij, een beeld dat altijd bij me opgeroepen wordt wanneer ik een briljante wijn proef, die zo af en tegelijkertijd zo zuiver is dat het lijkt alsof hij licht geeft in de mond. De wijn ging de tafel rond en er steeg langzaamaan meer goedkeurend gebrom op, tot plotseling iemand – die ik thans een heel goede proever vind en waarvan ik zelf erg veel geleerd heb – stellig beweerde dat de wijn te zuur was en dus onevenwichtig. Ik denk dat ik hem even in stomme verbazing met de mond open zat aan te staren. Hoe kon nu zoiets? Gelukkig moest ik de wijn niet verdedigen (iets wat ik overigens nooit doe, zeker niet als er ervaren proevers rond de tafel zitten): dat deed de rest van de compagnie wel. Ook zij waren ondersteboven van de fonkelende structuur, de fraîcheur en de betoverende mineraliteit van de wijn. Misschien had die ene proever in het gezelschap gewoon een slechte dag … .
2. Trojaans paard versus Zuiderse spierbal met zijn Grès des Vosges.
De Orbis gaat zo ongeveer op dezelfde manier te werk: heel wat wijnen die hier gereviewed worden, werden door verschillende mensen geproefd en er wordt over gepraat (soms zelfs heftig gebakkeleid). Wijnen die we in eenzame afzonderingen proefden, proberen we door middel van een tweede of een derde proefnota een zoveelste kans op slagen of falen te geven. Dat is veel eerlijker ten opzichte van de andere wijnen en het levert een betrouwbaarder beeld op voor de lezer.
Als ikzelf wijnen beschrijf, zijn dat wijnen die we minstens met z’n tweeën hebben geproefd, d.i. Cabernette en ik. We vullen mekaar tamelijk goed aan (als we met meer proeven is het vanzelfsprekend nog beter): zij vindt wijnen die aromatisch (fenolisch) erg krachtig of geëxtraheerd overkomen, algauw een gemis aan structuur hebben om dat aromatische te dragen, terwijl ik daar iets beter mee om kan. Ze proeft ook vooral goed in duidelijk op eik opgevoede droge witte wijnen die een zekere rondeur hebben, terwijl ik gewoon beter ben met wijnen die het eerder moeten hebben van mineralige, op hun zuren gedragen glasharde wijnen.
Deze week zaten we dan ook met een patstelling: een moeilijk keuze tussen twee echt mooie en absoluut niet overdreven geprijsde Chardonnays. Dat we uiteindelijk voor één van de twee kozen, heeft te maken met één van de twee gasten die we tijdens het weekend ontvingen. Ook zij vond de wijn die Cabernette verkoos de beste. Een eerder vrouwelijke smaak? Misschien wel, maar ik denk niet graag in stereotypen. Doorheen de jaren heb ik zelf ondervonden en bij anderen opgemerkt dat als je iets minder vaak wijn drinkt of er iets minder in geïnitieerd bent, je de ronde, soepele en rijke stijl van houtgelagerde Chardonnays dikwijls zal verkiezen boven een ontoegeeflijke, pittige mineralige wijn. In de hele reeks flessen zat anderzijds ook een witte Priorat, ‘Akyles’ van Viñedos de Ithaca, met een niet al te onaangenaam etiket en een mooie toespeling op het magnum opus van de klassieke Griekse literatuur. Die stelde echter bitter teleur, ondanks de rijke geschiedenis waarmee hij opgeladen zou zijn.
Het ex-aequo bestond uit twee witte Bourgognes van iets minder bekende appellaties: een Saint-Romain en een Saint-Veran. Alhoewel ik de La Perrière van Albert Bichot echt wist te appreciëren omwille van zijn elegant en sappig citrusfruit en het beetje koele groene appel doorspekt met krachtige flashes van natte kalk – echt wel een mooie expressie van Saint-Romain dus – , was mijn eega het daar niet mee eens: zij verkoos de rijpere, rondere en warmere Saint-Veran van Saumaize-Michelin, die met zijn rijpe Jonagold-in-goede-boter-gebakkensmaak echt wel mooi harmonieerde met een stukje Grès des Vosges. Wij kozen dus voor die tweede, Zuiderse kerel, met zijn geoliede spierballen één en al charme voor het Noordse vrouwenvolk. Want, zeg nu zelf, als er nu één stereotype is dat kan kloppen dan is het dit wel: vrouwen hebben toch altijd gelijk … .
1. Tasting apart together.
Waar is de tijd dat flessen wijn alleen bij de grote feesten op tafel kwamen? Ik kan het niet zeggen, want ik heb hem nooit echt gekend. Thuis en bij mijn grootouders was gewoon elk moment waarop er wat volk over de vloer kwam of we gewoon samen rond tafel zaten een gelegenheid om een fles soldaat te maken. Chance? Zeker! Ik heb zo ongeveer de borst ingeruild voor de wijnfles (gelukkig heb ik nooit aan die vieze speen moeten sabbelen). Ik heb er niet alleen de passie voor wijn aan overgehouden, maar ik heb er vooral van geleerd dat wijn zoiets is dat je samen drinkt, en compagnie. Zelden of nooit trek ik een fles open wanneer ik alleen thuis ben, net zomin als ik zin heb om te eten als ik alleen ben. Naar de ruitjes van het tafellaken zitten staren terwijl je onverschillig wat boterhammen binnenstompt, ’t is nooit wat voor mij geweest.
Wijn is niet alleen een leuke tafelpartner omdat hij – zoals het cliché wil – de tongen losser maakt, ik vind het ook altijd aangenaam om met gelijk wie wat van gedachten te wisselen over een fles, over het eten dat je er bij eet of misschien zelfs over de mariage. Heel wat mensen durven de eerste keer dat ze bij ons over de vloer komen bijna met geen woord reppen over wijn. Vind ik altijd een beetje vervelend. Ik mag er dan misschien wel wat vanaf weten, toch kan ik nog enorm veel leren, zelfs en misschien zelfs zeker van iemand die ‘alleen eens een glas drinkt voor het plezier’. Een onbevangen commentaar doet mij soms nadenken, leert me een geur memoriseren die ik zelf niet zou herkend hebben, enz.Dat is evenzeer één van de redenen waarom ik wijn liefst in gezelschap drink. Alleen al het besef dat elke mens fysiologisch gezien anders proeft (niet iedereen kan alles proeven – sommige smaakreceptoren hebben we gewoon niet of in veel mindere mate en anderen hebben die dan weer wel), maakt samen een wijn drinken interessant. Wat je samen proeft, proef je gewoon beter. Al was het maar omdat je soms wel eens een slechte dag kan hebben. Dat is ook de reden waarom ik me zelden of nooit laat leiden door deze of gene wijncriticus en al zeker niet door de verlichte despoten van de wijnkritiek. Iemand blindelings volgen is immers een garantie voor het nillens willens negeren van bepaalde wijnsmaken en bepaalde wijnstijlen. Het gezegde dat bv. Robert Parker een bepaalde wijnstijl opdrong aan zowat de hele wijndrinkende wereldbevolking is dus niet zomaar een uit de lucht gegrepen verwijt. ’t Blijft anders wel de vraag of je het hem voor dat genetisch bepaalde gedeelte van zijn smaak kan kwalijk nemen … .
Paneltastings zijn doorgaans dan ook heel wat betrouwbaarder (één van de vele redenen waarom ik Decanter en Bourgogne Aujourd’hui zulke goede tijdschriften vind): wanneer er in consensus besloten wordt dat je met een erg goede wijn te maken hebt, dan is dat meestal ook zo. Er zullen altijd wel een paar mensen zijn die gevoeliger zijn voor dat ene type aan smaak. Als er een paar proevers tussen zitten die gevoeliger zijn aan zuren en de wijn dus wat sneller onevenwichtig zullen vinden, dan compenseren de anderen voor die outliers, de afwijkende proevers. Niet zo heel lang geleden maakte ik het nog eens mee op een proeverij: ik had een Menetou-Salon Clos des Blanchais Morogues 2006 bij van Henri Pellé. Een fantastische wijn wat mij betreft: levendig op het knisperige af door de vinnige, zelfs een beetje kristalijne zuren. Ik had er zo een beetje het ‘diamantgevoel’ bij, een beeld dat altijd bij me opgeroepen wordt wanneer ik een briljante wijn proef, die zo af en tegelijkertijd zo zuiver is dat het lijkt alsof hij licht geeft in de mond. De wijn ging de tafel rond en er steeg langzaamaan meer goedkeurend gebrom op, tot plotseling iemand – die ik thans een heel goede proever vind en waarvan ik zelf erg veel geleerd heb – stellig beweerde dat de wijn te zuur was en dus onevenwichtig. Ik denk dat ik hem even in stomme verbazing met de mond open zat aan te staren. Hoe kon nu zoiets? Gelukkig moest ik de wijn niet verdedigen (iets wat ik overigens nooit doe, zeker niet als er ervaren proevers rond de tafel zitten): dat deed de rest van de compagnie wel. Ook zij waren ondersteboven van de fonkelende structuur, de fraîcheur en de betoverende mineraliteit van de wijn. Misschien had die ene proever in het gezelschap gewoon een slechte dag … .
2. Trojaans paard versus Zuiderse spierbal met zijn Grès des Vosges.
De Orbis gaat zo ongeveer op dezelfde manier te werk: heel wat wijnen die hier gereviewed worden, werden door verschillende mensen geproefd en er wordt over gepraat (soms zelfs heftig gebakkeleid). Wijnen die we in eenzame afzonderingen proefden, proberen we door middel van een tweede of een derde proefnota een zoveelste kans op slagen of falen te geven. Dat is veel eerlijker ten opzichte van de andere wijnen en het levert een betrouwbaarder beeld op voor de lezer.Als ikzelf wijnen beschrijf, zijn dat wijnen die we minstens met z’n tweeën hebben geproefd, d.i. Cabernette en ik. We vullen mekaar tamelijk goed aan (als we met meer proeven is het vanzelfsprekend nog beter): zij vindt wijnen die aromatisch (fenolisch) erg krachtig of geëxtraheerd overkomen, algauw een gemis aan structuur hebben om dat aromatische te dragen, terwijl ik daar iets beter mee om kan. Ze proeft ook vooral goed in duidelijk op eik opgevoede droge witte wijnen die een zekere rondeur hebben, terwijl ik gewoon beter ben met wijnen die het eerder moeten hebben van mineralige, op hun zuren gedragen glasharde wijnen.
Deze week zaten we dan ook met een patstelling: een moeilijk keuze tussen twee echt mooie en absoluut niet overdreven geprijsde Chardonnays. Dat we uiteindelijk voor één van de twee kozen, heeft te maken met één van de twee gasten die we tijdens het weekend ontvingen. Ook zij vond de wijn die Cabernette verkoos de beste. Een eerder vrouwelijke smaak? Misschien wel, maar ik denk niet graag in stereotypen. Doorheen de jaren heb ik zelf ondervonden en bij anderen opgemerkt dat als je iets minder vaak wijn drinkt of er iets minder in geïnitieerd bent, je de ronde, soepele en rijke stijl van houtgelagerde Chardonnays dikwijls zal verkiezen boven een ontoegeeflijke, pittige mineralige wijn. In de hele reeks flessen zat anderzijds ook een witte Priorat, ‘Akyles’ van Viñedos de Ithaca, met een niet al te onaangenaam etiket en een mooie toespeling op het magnum opus van de klassieke Griekse literatuur. Die stelde echter bitter teleur, ondanks de rijke geschiedenis waarmee hij opgeladen zou zijn.
Het ex-aequo bestond uit twee witte Bourgognes van iets minder bekende appellaties: een Saint-Romain en een Saint-Veran. Alhoewel ik de La Perrière van Albert Bichot echt wist te appreciëren omwille van zijn elegant en sappig citrusfruit en het beetje koele groene appel doorspekt met krachtige flashes van natte kalk – echt wel een mooie expressie van Saint-Romain dus – , was mijn eega het daar niet mee eens: zij verkoos de rijpere, rondere en warmere Saint-Veran van Saumaize-Michelin, die met zijn rijpe Jonagold-in-goede-boter-gebakkensmaak echt wel mooi harmonieerde met een stukje Grès des Vosges. Wij kozen dus voor die tweede, Zuiderse kerel, met zijn geoliede spierballen één en al charme voor het Noordse vrouwenvolk. Want, zeg nu zelf, als er nu één stereotype is dat kan kloppen dan is het dit wel: vrouwen hebben toch altijd gelijk … .
Proefnota's van deze en andere wijnen vind je hier.





