zaterdag, 26 september 2009 21:38
Amaronese
Artikels
Al eens een ossenoog gedronken? Nee? Nu ja, dat drink je niet bepaald elke dag ... zo'n ossenoog. Hetzelfde denken heel wat mensen ook als je het hebt over Turkse wijn. Die moet minstens aan de fantasie van de spreker ontsproten zijn, of uit een mysterieus toeval bestaan. "Je zal wel raki bedoelen", wordt er al gauw gezegd. "Nee, echt waar Turkse wijn. Heb ik met m'n eigen ogen gezien. Ik heb er zelfs gedronken". Rood, wit of rosé. Stil of bruisend, hij bestaat immers echt die Turkse wijn. Je kan er ondertussen eigenlijk zelfs niet meer naast kijken ... . 1. Na een Ilias hoort altijd een Odyssee.
 12 april 2009 ... Cabernette en ik checken nog een laatste maal of onze caddies niet te overladen zijn en of we echt wel alles meehebben. 't Was inpakken in race-tempo, want Cabernettes doctoraat was nog maar goed binnen of het geharrewar voor onze nakende trouw stond alweer volop op het programma en op het werk lieten ze ons ook niet bepaald gerust. Colloquiummetje organiseren hier, artikeltje afwerken daar, abstracts 1 schrijven, vliegtuigtickets boeken voor het volgende congres, ... en dat na een intense maandenlange durende periode van gezamenlijke stress. Cabernette, omdat ze - of all people!? - vreesde haar doctoraat toch niet op tijd gefinaliseerd te krijgen en, nog meer omdat ze nog niet wist hoe het beruchte 'zwarte gat' na het doctoraat ging worden ingevuld. Ikzelf natuurlijk simpelweg uit plaatsvervangende stress. Als ik onze agenda (Google-agenda, toch zo handig) er opnieuw op na sla, dan vraag ik we nog altijd af hoe we het laatste half jaar zonder al teveel kleerscheuren doorgekomen zijn ... . Nood aan een stressbreak dus. Maar die mocht niet teveel tijd in beslag nemen en vooral geen pecuniaire aderlating zijn. Wat rondgesnuisterd en dan maar gemikt op een last-minute all-in Turkije. Niet meteen ons idee van reizen, maar kom, er moest vooral platte rust op het programma staan. Natuurlijk, onszelf kennende was het te denken dat het niet al platte rust ging zijn wat de klok sloeg, maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen. We beginnen in stijl, zelfs in de irritante chaos van ons nationale luchtvaartjuweel, Zaventem. Wat doet een culinair koppel in een tax-free met een oesterbar? Juist, een schoteltje creuses bestellen met een glaasje witte wijn erbij. De één een glas Chablis (het was een William Fèvre, maar vraag me niet meer welke cuvée), de ander een glas Sancerre van Henri Bourgeois. Geen wijnen om stijl van achterover te vallen natuurlijk, maar soit, het was kiezen tussen wat het aanbod toeliet. De Sancerre ging er als vaneigens het best bij. De zilte mineraliteit en de pure, vegetatieve aroma's harmonieerden alleszins beter dan die van de - wat mij betreft - deftig overeikte en alleszins te waterige Chablis. Ons culinaire reisaperitiefje viel evenwel zo goed mee dat we het een paar maand later, bij het begin van onze huwelijksreis, nog eens zouden herhalen. Het lijkt zowat snobish, maar het is gewoon ideaal om in de stemming te geraken. Wij waren helemaal klaar voor de boarding: Na wat - zoals altijd in Zaventem - wel enkele eindeloze kilometers rolband door een jungle van blèrende jung en jolige Hollanders leek, konden we eindelijk onze gordels veilig vastklikken 2. Turkey, here we come!Ik moet bekennen: vliegen doe ik niet echt graag. Ik heb geen schrik om van te grond te gaan of zo (zeker niet in die betekenis  ), maar ik vind vliegreizen steeds vervelend. Vooral korte-afstandsvluchten: ik zit er nooit op mijn gemak. Zelfs als ik een goed boek zit te lezen, hetgeen deze keer wel echt het geval was: ik vond een heruitgave van Nicolaas Klei's Over de tong voor een prikje in een bookshop in de luchthaven. " Meetsjoepen, die handel", dacht ik meteen en ik heb het me - zoals te verwachten was - niet beklaagd (maar daarover later zeker meer). Ondanks het feit dat een vriendelijke juffrouw achter de incheckbalie, mij al taxerend, plaatsen aan de nooduitgang gaf, zodat ik wat meer beenruimte had, was het onbehaaglijke vlieggevoel er toch weer. Zit ik in zo'n onding van een A330 van Airbus, bijvoorbeeld het type waar Thomas Cook en dergelijke mee vliegen, dan bekruipt het me steeds weer: dat tunnelgevoel. Net alsof je in een rammelende sigaarvormige bus in the middle of nowhere zit. Die benauwdheid is nooit paniekerig of zo, maar ik krijg altijd barstende hoofdpijn van dat geraas van de airco's, het getetter van de Teletubbie-achtig vrolijke vakantiekoppels voor, achter en naast je en, meestal tot overmaat van ramp, het gedrins (zo noemen wij dat in Limburg - ik ken geen beter woord) van een verwend rotjoch dat niet in een stoel kan blijven zitten. Nu ja, dat laatste zou ik nog ergens kunnen begrijpen: ik heb ook altijd het gevoel dat ik mijn benen tegen de tweede helft van de vlucht ter afwisseling beter eens in mijn nek zou leggen.  Het ergst van al blijft dat gruwelijke voer dat je in een vliegtuig altijd opgesolferd krijgt. Van die opgewarmde prut die eruit zou moeten zien (en waarschijnlijk ook smaken?) als pasta met één of andere ondefinieerbare rode saus en iets wat op kaas moet lijken (en is dat dan wel kaas? Kijk maar eens wat Wijngerd er onlangs over schreef). Walgelijk gewoon. Soms denk ik dat het goed is dat het zo herkenbaar naar de plactic smaakt waarin het opgewarmd is. Dat is bijna een geruststelling. Alhoewel, ... misschien zou je dan beter de plastic opeten. Waarom kunnen er niet gewoon wat verse broodjes uitgedeeld worden in een vliegtuig? Kost evenveel als zulke bakjes prut en is heel wat smakelijker. Erger dan het eten is het feit dat je er zelfs nog niks fatsoenlijk bij te drinken kan krijgen. Laat alleen een glas degelijke wijn. Wat zou het toch fantastisch zijn als ik met wat petnat-bubbeltjes van bv. een Puzelat van de grond kon! Ik zou er spontaan meer van gaan vliegen, telkens weer op wolkjes zweven en zeker minder grumpy aankomen op onze bestemming. Ik heb (gelukkig) wel al lang geen wijn meer geprobeerd in een vliegtuig. Binnenkort moet ik weer eens naar Berlijn. Ik zal het er voor jullie nog eens op wagen à la Gary Vaynerchuk. Een reisepisode zonder wijn dus, maar daar zou gauw verandering in komen. Een wijnzot zoekt immers zelfs op de Noordpool nog naar drupje van zijn geliefd geestrijk nat ... . 3. Odyssee over de weg.Laat 's avonds kwamen we aan in de landelijke luchthaven van Dalaman. Alles donker, zwoele lucht met zware wolken aan de einder en een paarse avondschemering, onze vlucht de enige die aankwam ter plekke. Lege, kale, gloednieuwe luchthavengebouwen, slaperige snorren van Turkse politieagenten achter de douanebalie, ... . Bevreemdend. Ik kreeg zowaar het gevoel in een parallelle wereld beland te zijn, een beetje zoals die in Daisnes De trein der traagheid. Een vreemd herfstig gevoel leek ons te overspoelen: alsof er een deel van de zonnige kracht in ons leven stilaan aan het afsterven was. Tot op vandaag weet ik nog altijd niet waarvan dat gevoel kwam en ik kan het nog altijd niet duiden, maar ik weet - een glashard besef - dat er die dag wat onomkeerbaar veranderd is.  De bevreemding was evenwel snel gebroken: buiten stonden een viertal bussen met ronkende motoren te wachten op hun passagiers. Vandaar moest er immers nog een flink stuk gebust worden naar Marmaris, de mondaine badstad waar ons hotel gelegen was. We lieten ons inschepen en een goede vijf minuten later zwierden we de weg op. Letterlijk: 'zwierden we'. Turkse buschauffeurs zijn een begrip en die van ons was vast en zeker diegene die de trofee van dolste pedaalstamper van het jaar op zijn palmares had staan. In een razende vaart zetten we koers over lange, langs ravijnen en puinhellingen slingerende wegen naar de kust. Ik liet het aan me voorbijgaan en merkte het woedende gesjees alleen aan het voorbijflitsen van de wulps afgeronde contouren van het landschap, de ruwe bosschages en de her en der verloren gelegde cafeetjes waar Turkse mannen stilletjes voor zich uit zitten te staren bij een raki en een kop koffie in het blauwige neonlicht. Half duizelig en uitgehongerd kwamen we aan in ons hotel, het Mares Dolphin Palace, dat zo op het eerste gezicht veel Mares, maar weinig Dolphin en nog minder Palace was. Neckermann sloeg ons dan wel via een Frans verhakkelende, ronde Hollandse stewardess om de oren met allerlei pietluttige, onzinnige informatie en waarschuwingen over het niet te vertrouwen Turkse volk dat ons vast en zeker slechte excursies zou proberen aansmeren die we ongetwijfeld veel beter via hen deden (en dan meteen ook een reusachtige klad duurder betaalden), maar kwam er niet op dat toeristen die in de late namiddag vertrekken en dus pas rond half twaalf 's avonds uitgehongerd in hun hotel aankomen, misschien wel wat te eten wilden. Niets van dat alles. Gelukkig was er voor het personeel van het hotel - zo van dat onbetrouwbaar Turks volk, weet je wel - een maaltijdsoep voorzien, die broederlijk met ons gedeeld werd. Een ruwe, hartige soep, met allerlei peulvruchten, wat koriander en komijn. Neem daar wat onvergelijkelijk lekker Turks brood bij - aan een variatie die wel 'iets' ruimer is dan het zuurdesembrood dat je bij de Turkse/Koerdische bakkers hier te lande vindt - en je kan begrijpen dat wij meteen wel wat meer sympathie voelden en vertrouwen stelden in dat 'onbetrouwbare volk' dat blijkbaar beter de noden van een vermoeide toerist kon aanvoelen dan een ondertussen al -tig jaren bestaande touroperator ... . Wij kropen moe en een beetje verbouwereerd in ons bed en werden een achttal uren later wakker door de zonnestralen die de dag aankondigden waarop we voor het eerst kennis zouden maken met Turkse wijn. En ja, voor je je de vraag stelt, die bestaat wel degelijk! Wordt vervolgd.
1 Een abstract is een soort van korte samenvatting van een artikel of een lezing die je wil voorstellen op een congres. Lijkt je abstract de organisatoren interessant, dan mag je deelnemen aan het congres.
LAST_UPDATED2
|
maandag, 21 september 2009 21:48
Amaronese
Artikels

Jij was ons liefste katje. Klein, frêle en speels, als was je nooit volwassen geworden. Je keek altijd met die verwonderde, vrolijke blik in je grote kijkers naar de vreemde, maar voor jou toch zo interessante grote-mensenwereld. Wat die tweevoeters van je allemaal in hun hoofd haalden, je kon er soms echt niet bij en liet het dan ook maar met een diepe zucht, al snurkend in je knusse mandje aan je voorbijgaan. Je had ongetwijfeld een erg woelig leven achter de rug: achter die verwonderde kraaloogjes in dat pientere hoofdje van je scholen al minstens 13 lange jaren wijsheid, die af en toe eens met een ernstige frons naar boven kwam. We hadden je geen betere naam kunnen geven: door het leven gehard was je. Nooit deinsde je terug, of nam je de benen. Nooit was je bang. Dapper en onvervaard, zoals die eerste keer toen we je zagen: hoog verheven boven de andere asielkatten in je wijnkistje, niemand die over je heen keek. Zacht, knuffelig en aanhankelijk, maar tegelijkertijd trots en keihard. Een echte oerkat, dat was je. Zo sterk dat we j  e met z'n vieren moesten beetnemen als je wat moest wat niet je zin was. Zo wilskrachtig dat je de dag na je eerste zware operatie al terug op je favoriete plaatsje op de vensterbank zat. Zo trots dat je zelfs toen het echt niet meer ging, nog steeds kopjes uitdeelde, je favoriete brokjes bleef eten en met geheven staart door het huis paradeerde. Wij dronken op jou een Aux Temps d'Histoire 2004 van Domaine du Grand Arc. Een satijnzachte, fijn besnaarde, maar machtige Corbières van een ongeëvenaarde oerkracht. Net zoals jou heeft deze wijn ook het leven gezien: hij bevat de uitgepuurde wijsheid van tot voor kort nog verguisde en vergeten, door weer en wind gegeselde 130 jaar oude Carignan, ergens ver weg verscholen op een barre, onbereikbare heuveltop. Fabienne en Bruno Schenck verzorgen hem nu al meer dan 10 jaar met het grenzeloze respect dat alleen een verbeten passie kan opbrengen. Het resultaat is een door de jaren gepolijste, maar diep doorleefde, titanische wijn. Een oerwijn. Je bent met geheven hoofdje gegaan, Cariñena. We zullen je nooit vergeten, maar we zullen je missen; je huisdieren, Cabernette en Amaronese, en je brother in arms Pinot.
Slaap zacht.
LAST_UPDATED2
maandag, 14 september 2009 11:21
Amaronese
Artikels
Ha, je kent ze wel. Je bent ze vast wel al tegengekomen op beurzen, open-flesdagen, proeverijen, wijnmasterclasses: de pretentieuze proever. Het zijn telkens weer zo van die wijnkenners, die met veel omhaal en gegesticuleer duidelijk willen maken dat zij het toch allemaal beter weten dan die kudde wijnliefhebbers rondom hen, dat soort wijndrinkers waarvan zij, kenners, zich toch liefst mijlenver distantiëren ... . Ik erger me altijd blauw aan dat soort mensen. Telkens ik ze bezig zie, denk ik weer: "Hoe kan je mogelijk nog meer opvallen?" Ondertussen ben ik getraind. Na het bezoeken van -tig proeverijen haal je ze er al uit nog maar voor je goed en wel binnen bent en je proefglas in de hand hebt. Met het hoofd in de nek, een ernst over het gezicht alsof het een begrafenis betreft, schrijden zij omgeven door een aureool van goddelijk licht door de wijndrinkende meute die geacht wordt de blik naar hen om te wenden en dan nederig de ogen neer te slaan. Als een pastoor die naar het offeraltaar gaat, steken zij liefst een eigen proefglas ten teken van onderscheiding een forse meter voor zich uit, pal voor de borst op een 50-tal cm onder de kin, als betrof het het vieste stuk vaatwerk ooit dat men liefst zo ver mogelijk van zich af houdt. Die Heilige Ciborie van het degustatief genot moet dan ook gezien worden. In het beste geval gaat het om een reusachtige Riedel Sommelier, liefst zo'n voetenwasbak van een 4400/16 - de Barbaresco/Barolo/Bourgogne-kuip voor de mindere goden onder ons -, in het slechtste geval zo een miskleun van een Riedel-O of, erger nog, zo'n zilveren onding dat luistert naar de naam taste-vin. Als je denkt dat je het dan zowat allemaal gehad hebt, flasht daar plotseling een eigenaardig glanzend schijfje uit een broekzak dat met een elegante, zwierige boog een microseconde in de wijn gedoopt en al knikkend afgetikt wordt tegen de rand van het glas - jaja hoor 100% Barium-kristal, dat glas, dat hoor je meteen, niet? Middels enig driest, walrusachtig gesnuif wordt het hoog voor de ogen gehouden als was het de X-ray van 's mans prostaat waarop er wel of niet, onder begeleidend gesnuif, langzaam beginnend en exponentieel heviger wordend met het hoofd heen en weer geschommeld wordt op de uitgestoken gierennek. De clef du vin heeft zijn werk weer eens goed gedaan: dit is een bewaarwaardige wijn, denkt u ook niet?
Het kan nog erger: alsof dat nog niet genoeg is, heb je ook zo van die proevers die in groep komen en marcheren als de gevreesde bloedhonden van de SS. Ieder ander moet wijken. Ganse proeftafels worden Blitzkrieg-gewijze gemonopoliseerd en de wijnmaker - of in het zieligste geval iemand die uit liefhebberij gewoon komt helpen op de proeverij - wordt aan een gloeiend kruisverhoor onderworpen, waarvan zoniet zijn reputatie, dan toch het voortbestaan van zijn beide duimen zal afhangen. In heel wat gevallen gaat het hier zelfs over zo van die roze gepoederde, met kristal en parels behangen en naar heliotroop walmende slagschepen van 'Damiennes' der plaatselijke boerinnenbond, die als kwispelende chihuahuas hun in zwarte jekker en met hoed en bakkebaarden getooide proefmeester zelfs achtervolgen tot in het dichtstbijzijnde toilet. Als je dat nog niet gruwelijk genoeg vindt, heb je ook nog die hardnekkige éénlingen, die liefst al een kwartier na de opening, met rode neus en schonkige gang van proeftafel tot proeftafel waggelen om daar al luidkeels aan de wijnmaker te laten blijken dat zij eigenlijk diens wijn beter kennen dan hijzelf. Zo eentje zal tot in het einde der tijden in mijn wijnproeversgeheugen gegrift blijven. Zoals het cliché wil: Ik herinner het me nog alsof het gisteren gebeurde. Een tweetal jaren terug, op de jaarlijkse grote proeverij van Ad Bibendum in de magazijnen van het bedrijf te Sint-Truiden, was ik vooral verrast door hun Oostenrijkse wijnen: zowel Christine Nigl, met haar Grüner Veltliners en Rieslings, als de gebroeders Velich van de domeinen Moric en Velich met hun sappige Blaufrankisch en hemelbestormende Chardonnays waren (en zijn nog steeds, wat mij betreft) de sterren van het Europese aanbod van Ad Bibendum. Toen er niet teveel volk aan de tafel van Velich stond, waagde ik een praatje met Heinz Velich over die toch wel aparte Blaufrankisch. Ik kende de druif niet zo goed, en wilde dus wil eens van de expert in kwestie horen wat er nu net zo speciaal is aan dit druivenras. Een gezellige en interessante babbel die plots ruw onderbroken werd door een arm met een Riedel-O die al bibberend onder Heinz' neus verscheen. "Shiraz!", riep het rood aangelopen mannetje dat aan de andere kant van de arm hing. Heinz gezicht vertrok tot een totaal verbouwereerd vraagteken. "Bitte?", probeerde hij. "Shiraz!", ging het weer van de andere kant van de tafel. "Shiraz? Excuseer, maar ik heb geen Shiraz", zei Heinz vriendelijk. "Yes, yes, but Shiraz!" Een wanhopige blik mijn richting uit ... . Dat had het mannetje gezien. Hij verschuifelde even zodat ie pal voor me stond en herhaalde luidkeels: "Shiraz! Shiraz, red Shiraz, grmbl ... ." "Eh, ...", begon Heinz. "No, Shiraz! Austria?", wees hij naar het bordje op de tafelrand, en overdreven duidelijk articulerend "Shi-rrr-azzz!" "Aber, Austria, das bedeutet Österreich", glimlachte Heinz minzaam, blij dat hij het misverstand begrepen had. "No Shiraz, grmbl?", probeerde het mannetje nog eens. Heinz haalde de schouders op en schudde zijn hoofd van nee. Het knorrige mannetje droop dan maar schoorvoetend af. Gelukkig, want als ie nog wat langer had geprobeerd, had ik 'm een (ge)weldadige dood doen geworden in de dichtstbijzijnde spuwemmer ... . De proeverijen van Ad Bibendum zijn overigens meer dan eens erg de moeite. Hun aanbod concentreert zich vooral op de Nieuwe Wereld, maar volgens mij zitten hun meest uitgelezen wijnen in hun kleine Europese assortiment: Nigl, Velich, Moric, ... stuk voor stuk toppers uit Oostenrijk. Hun nieuwste aanwinst uit Duitsland, Schäffer & Zeter, is een pareltje qua prijs-kwaliteit, om nog maar van de ontelbare toppers uit Spanje in hun assortiment te zwijgen. Buiten Europa is vooral het Nieuw-Zeelandse Seresin de moeite: mooie Sauvignon, maar vooral schitterende Pinot Noirs. Het is misschien alleen wat te betreuren dat de prijszetting van de gebroeders Monard soms wel een beetje exorbitant aandoet. De eerstvolgende proeverij te Sint-Truiden heeft plaats op 27, 28 en 29.11.2009. Onder meer 15 wijnbouwers stellen zelf hun wijnen voor gedurende deze drie dagen. De moeite van een bezoekje waard, zou ik zo zeggen. En ... , geen paniek, er zijn steeds verzuipwaardige spuwemmers genoeg!
LAST_UPDATED2
donderdag, 10 september 2009 20:56
Amaronese
Artikels
Eindeloze types wijndruiven brachten mens en natuur in hun intense wisselwerking gedurende een eeuwenlange wijngeschiedenis voort. De natuur bood de mogelijkheden, de mens maakte zijn onverbiddellijke keuzes. Tijd deed de rest. Het resultaat: een cornucopia aan druivenrassen, duizenden bladzijden tellende ampelografische encyclopedieën en een formidabele verscheidenheid aan smaken en stijlen. Over de oorsprong van de formidabele verscheidenheid aan druivenrassen die onze wijncultuur rijk is, schreven we vorig weekend al. Deze keer hebben we het over de populaire sterren en de lelijke eendjes van de wijngaard.
1. Voor elk wat wils. Maar willen we elk wel wat anders? Nee, natuurlijk willen we niet elk wat anders ... . De doorsnee mens is immers een gewoontedier dat zachtjes aan voortschuifelt over een al ontelbare malen voor hem platgetreden pad, de blik vast op de voeten gericht en met beide handen op de balustrades die het pad omzomen. Doodsbang om te struikelen of, veel erger nog, te vallen. Het gebaande pad, de zekerheid, de gewoonte, de traditie, de routine, ... daar houden we ons graag aan. Het is dus misschien niet echt wonderbaarlijk dat in Bordeaux bijvoorbeeld, toch wel de ster onder de wijnen die zoveel zekerheid en herkenning bieden, steeds weer en zelfs tot vervelens toe gealludeerd wordt op de oeroude traditie, de door de zucht der tijd gelouterde eeuwenoude gebruiken, de in de stoffige kelders van de wijngeschiedenis gewortelde know-how. Wie een beetje de geschiedenis van Bordeaux kent, weet echter dat die eindeloos herhaalde claim belachelijk is, tot op het absurde af. Zeker wanneer we het hebben over de nu zo beroemde grote Médocains. Tot voor de 12de eeuw was er slechts sprake van een serieuze aanplant van wijngaarden in de tegenwoordig dikwijls verfoeide Entre-Deux-Mers en wat later ook in de Graves. St-Emilion komt pas volop op het voorplan na de 13de eeuw. Alhoewel de toen verbouwde wijnen toen al afzetmarkten vonden in Groot-Brittanië en Nederland, ging het toch nog vooral om een productie die haar basisafzet voornamelijk in de lokale consumptie vond. Pas in de 17de eeuw wordt er werk gemaakt van de drooglegging van de Médoc en vanaf dan gaat de wijnproductie stijl omhoog. Bordeaux zoals we hem nu kennen is zelfs nog maar een goede 120 jaar oud. De verwoestingen die Phylloxera vastatrix aanrichtte in haast alle Europese wijngaarden kwam de Bordelese traditie niet te boven. Het Bordelese terroir bleek namelijk een uitermate geschikte habitat voor de druifluis te bieden.
Traditie werd aangepast en hertaald naargelang de mogelijkheden om de wijnholocaust te overwinnen en natuurlijk ook naargelang de economische voorwaarden waarin de Bordelezen hun wijn kwijt moesten geraken (en dat is nu nog niet veel veranderd: doorblader de foldertjes van de supermarktwijnfestivals voor 2009 maar eens). Want, als Bordelezen ergens een traditie in hebben, dan zijn het wel sluwe handelspraktijken. Of zoals Edmund Penning-Rowsell fijntjes opmerkt in zijn standaard-Bordeauxboek: "Bordeaux certainly looked after its own and had a reputation for commercial shrewdness which it has by no means lost today". De hedendaagse Bordeaux trekt in nog slechts weinig op de Bordeaux van voor de tweede helft van de 19de eeuw. De dominerende druivenrassen waren toen (in volgorde), Malbec, Petit Verdot, Grand Verdot, Cabernet Franc en Carmenère. Merlot en Cabernet Sauvignon arriveerden pas laat: slechts vanaf het tweede kwart van de 19de eeuw werden ze stilaan (meer) aangeplant. Malbec, Petit Verdot, Grand Verdot en Carmenère vielen bijna af. Carmenère verdween zelfs praktisch helemaal (ze werd ook het zwaarst getroffen door Phylloxera). Cabernet Franc moest in haar areaal serieus inboeten ten opzichte van de nieuwlichters Merlot en vooral Cabernet Sauvignon. Niet zo rechtlijnig als men graag gelooft dus in Bordeaux, die traditie ... .
2. You cannot say, or guess, for you know only / A heap of broken images*.
Wat ik wilde illustreren met deze tackle op Bordeaux is dat druivenrassen dikwijls een heel belangrijke, maar ook totaal afhankelijke rol spelen in de geschiedenis, the making of een wijn. Een ras dat eens geprezen werd en haast tot aan het eind van de wereld aangeplant leek, kan als in een vingerknip plots praktisch volledig verdwijnen, in de vergetelheid sukkelen. Dat heeft niet altijd te maken met de veronderstelde kwaliteit van het ras. Integendeel zelfs. Denken we maar aan Gamay. Een ras dat in de afgelopen decennia niet bepaald aan populariteit won (tot De bende zonder zwavel van zich liet horen?) en zelfs enkele eeuwen terug het ook al moest ontgelden omwille van haar vermeende slechte kwaliteit. Filips de Stoute liet de "Gaamez déloyal" in 1395 zelfs verbannen in Bourgondië omdat ze, volgens hem, grotendeels wijn "de très grande er horrible dureté" voortbracht. Toch verdween ze niet: ze was te sterk en te zeker in opbrengst om haar zomaar te laten vallen. Er hoeven echter niet altijd economische factoren in het spel te zijn voor het wel of niet vergeten van een druif. Landbouwher- vormingspolitiek kan een reden zijn. Of fysiologische en ecologische redenen liggen soms ook aan de basis van de plotse verdwijning van een druivenras. Een prachtige illustratie daarvan is het geval van Casavecchia, een vermeend uitgestorven druivenras, een tiental jaar geleden teruggevonden nadat het al een tweetal eeuwen undercover aanwezig was in de (wel degelijk) duizenden jaren oude wijngaarden van Campania in het Zuiden van Italië. Het verhaal gaat dat dit druivenras rond 1800 ontdekt werd door een boer tijdens zijn siësta. Na een voormiddag werken onder brandende zomerzon in zijn wijngaarden, besloot hij even verderop voor een middagdutje de schaduw op te zoeken in een oude ruïne: vier muren, zonder dak, een compleet bouwvallige rest van wat eens een boerderijtje was, niet ver van Pontelatone. Daar aangekomen werd zijn aandacht meteen getrokken door een letterlijk reusachtige wijnstok, die daar schijnbaar al ontzettend lang tegen de binnenzijde van een muur stond. Niet alleen het feit dat de wijnstok zou oud was (de doormeter van de stam bedroeg ca. 40 cm!), trok zijn aandacht, maar ook de plaats waar hij stond: de binnenzijde van een huismuur. Die was daar dus niet geplant en achtergelaten, maar was waarschijnlijk zelf uit een ontkiemd zaadje gegroeid, wat absoluut uitzonderlijk is voor cultuurdruiven. Dat het om cultuurdruiven ging was voor zijn ontdekker echter wel duidelijk: zowel de vorm van de trossen, de bladeren als de groeiwijze deden dat sterk vermoeden. Hij besloot er een loot van mee te nemen en die - zoals dat in het pre-phylloxera tijdperk nog de gewoonte was - in de grond te stoppen. De stok reageerde zo goed, dat hij enkele van zijn kameraad-boeren in de omtrek ook aanraadde een kijkje te gaan nemen. Het herontdekte ras werd Casavecchia genoemd, naar zijn vindplaats. In de loop van de 19de eeuw raakte de stok echter in vergetelheid. Meer nog, men was er zelfs van overtuigd dat hij de gruwelijke druifluisplaag niet overleefd had, tot eind jaren tachtig een zekere Peppe Mancini de brui gaf aan zijn advocatencarrière en besloot de rest van zijn leven te wijden aan de wijnbouw, zoals zijn vader, zijn vaders vader, enz. vele generaties voor hem hadden gedaan. Om zich wat in te werken in een beroep dat niet meteen het zijne was, besloot hij in de eerste plaats de familiegeschiedenis wat nader te bestuderen. In wat documenten van rond het begin van de 19de eeuw werd door één van zijn bedovergrootvaders melding gemaakt van het aanplanten van een curieuze wijnstok die wat verderop in een dorpje was aangetroffen. Peppe was meteen gefascineerd door het verhaal en liet omliggende wijngaarden ampelografisch onderzoeken. Het was al gauw raak: men trof er een rood druivenras aan dat duidelijk geen Aglianico of Piedirosso was, maar naar alle waarschijnlijkheid de roemruchte, maar voordien uitgestorven gewaande Casavecchia kon zijn. Samen met Peppe onderzocht de wijnfaculteit van de universiteit van Napels de druif en in 1989 werd ze voor het eerst wetenschappelijk beschreven als Casavecchia. En, alsof deze ondertussen met een rijke geschiedenis beladen naam nog niet genoeg was, ontdekte men ook nog dat dit druivenras misschien wel hetzelfde ras is als hetgene dat door Plinius de Oudere (23-79 n.C.) in zijn Historia Naturalis werd beschreven als Trebulanum, één van de beste wijnen van het Italiaanse vasteland. Het zou dus wel eens goed kunnen dat dit oeroude druivenras de vreselijke uitbarsting van de Vesuvius in augustus 79 die Pompeij, Herculaneum, Oplontis en Stabia compleet in de as legde, mysterieus genoeg overleefde. Wij proefden een paar maanden terug Peppe's formidabele ontdekking in zijn Centomoggia een 100% Casavecchia-cru van zijn eigen domein, Terre del Principe. Een zwartpaarse, fluwelig aanvoelende mondvol wijn met rokerige aroma's van zwarte bessen, hopbitters en balsamicocrème. Gelijkend op Aglianico, maar met een lagere zuurtegraad en wat vriendelijker van karakter: een warme, duizendjarige reus die met milde wijsheid de jachtige wijnwereld aan zich voorbij laat gaan.
Dit artikel werd geschreven in het kader van de Vlaamse Wijnblogdagen. Dit is de 10de editie. Andere vergeten ontdekkingen kan je terugvinden op:
*De titel van deze post en de subtitel van paragraaf 2 zijn citaten uit The Waste Land van T.S.Eliot, een icoon uit de modernistische wereldliteratuur. Ik vond zowel de teneur, als de motieven in The Waste Land wel van toepassing op de plaats van druivenrassen in de hedendaagse wijnwereld. Hier vind je een volledig geannoteerde elektronische editie van dit formidabele gedicht.
LAST_UPDATED2
vrijdag, 04 september 2009 23:24
Amaronese
Artikels
Had u ook dat gevoel toen u voor het eerst enkele flessen Italiaanse wijn naast elkaar zag staan? U weet wel: dat gevoel van complete radeloosheid. Niet zozeer het radeloze en extatische gevoel van dankbaarheid aan een hedonistisch opperwezen dat u wel eens overvalt na het lustig legen van alle flessen, maar wel het gevoel van compleet verloren, zelfs verdwaald te zijn in een Minoïsch labyrinth van cryptische namen en codes op het griezelig volgekribbeld etiket. Zelfs als je met de nodige kennis van het Italiaans erachter gekomen bent waaraan je de naam van de producent of de appellatie kan herkennen, blijven er nog steeds enkele bevreemdende, dikwijls onuitspreekbare woorden over waarvoor zelfs je zakwoordenboekje geen uitkomst biedt. Het zijn vast eigennamen, want ze prijken doorgaans met hoofdletter op het buik- of rugetiket: Pecorino (is dat geen kaas?), Marzemino, Teroldego, Cortese, Freisa, Piedirosso, Durello, Tazzelenghe, Croatina, ... . Een waslijst wartaal, of de rode draad die ons uit de doolhof van de Italiaanse wijn leidt? 1. Een Chardonnay graag. Ja, die appelblauwzeegroene van vorige keer! Nu ja, waar maken we ons nu zorgen over? Om te weten te komen waar al dat geheimschrift voor staat, moeten we gelukkig niet meer de confrontatie aangaan met een rochelende, gebochelde bibliothecaris, uren en uren bladeren door zuur stinkende fichebakken tot onze vingertoppen zwart kleuren als pek, zuchtend en steunend ronddwalen door eindeloze rijen boekenrekken, ... , nee, niets van dat alles. Een beetje Googelen en het antwoord is enkele luttele muisklikken verder pasklaar opgediept. Deze vreemde eigennamen blijken al gauw niets anders te zijn dan de namen van druiven die gebruikt worden om wijn van te maken, de ene al bekender dan de andere. Merlot kennen we wel, Cabernet Sauvignon ook, Chardonnay zeker en Pinot Blanc ook. Je weet wel: de ene houdt van een rode Chardonnay, de andere van een witte en een enkeling vindt die rosé eigenlijk nog beter. Of toch maar niet? Als u nu fronst komt het allemaal wel goed; Nee, een rode Chardonnay en zelfs een rosé Chardonnay bestaan niet. Chardonnay is immers eeuwig en altijd een witte druif. Punt. Geen discussie mogelijk. En toch gaan sommige druivennamen een eigen leven leiden. Neem nu Chardonnay. Rood, wit of rosé, voor heel wat mensen maakt het niet uit, want die Chardonnay is gewoon de lekkerste. Zelfs als hij paars, indigo of appelblauwzeegroen was geweest, was hij gewoon de beste: Chardonnay is bijna een merknaam geworden. Een merk, dat alleen de lekkerste wijn maakt. Een beetje zoals 'cola': vragen we een cola, dan willen we in 99% van de gevallen een Coca-Cola. Krijgen we een Pepsi-, River- of Mecca-Cola voor de neus, dan voelen we ons afgezet: dat is niet de echte, niet de lekkerste. Roept men in Nederland de ober na voor een 'Sjardonneitje', dan verwacht men dat die met een verduiveld lekkere witte wijn komt aandraven. Niets meer, maar zeker niets minder. De realiteit zit evenwel wat anders in elkaar. Chardonnay is helemaal geen merknaam, verre van zelfs. De Chardonnay is maar één van de ontelbaar vele druiven die gebruikt worden om wijn van te maken. Lekkere wijn in heel wat gevallen, maar ook vieze wijn in minstens evenveel gevallen. De Chardonnay-druif is tussen die ontelbaar vele druiven wel een heel populaire druif. Ze werd zowat overal ter wereld - net niet voorbij de poolcirkel - aangeplant en wordt door de kenners geprezen als de bron van zowat de beste witte wijnen ter wereld: witte Bourgognes, en dan vooral van die peperdure, zeldzame cru's uit deze wijnstreek, à la Montrachet en co. Samen met de cru's die de druif voortbracht werd zij een wereldster. De topwijnen die zij voortbrengen kan, gelden voor een reusachtige schare wijnliefhebbers als dé toetssteen voor wat een uitstekende witte wijn zou moeten zijn. Geen wonder dat Chardonnay dus overal aangeplant werd: overal hoopt men een graantje mee te pikken van de onwrikbare reputatie die de druif door deze enkele uitzonderlijke cru's verwierf. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de naam van deze druif haast tot merknaam werd. Zoals de reclame van Coca-Cola haast op elke cafégevel prijkt, is zij opgetild tot het boegbeeld van de wittewijnkaart. 2. Doe maar van 't zelfde. Maar, hoe zit dat nu met die reusachtige waslijst aan Italiaanse druiven die zo trots op elk Italiaans wijnetiket vermeld worden? Wordt niet elke Italiaanse wijn gemaakt van Sangiovese, Nebbiolo, Barbera of Trebbiano? Helemaal niet. Gelukkig niet, zou ik zelfs durven zeggen. Naast de incontournables heeft zowat elke Italiaanse subregio zijn eigen legertje aan typische druiven die gebruikt worden om wijn van te maken. Italië spant zelfs - op de voet gevolgd door Duitsland en Turkije - de kroon qua hoeveelheid eigen wijndruiven. Je komt handen en voeten te kort om ze allemaal op een rijtje te zetten. Het zijn er zelfs zoveel (men schat minstens een 400-tal) dat zelfs doorwinterde Italiëkenners geregeld nieuwe ontdekkingen doen. Je kan je evenwel terecht afvragen waarom er zoveel verschillende wijndruiven nodig zijn. Waarom planten we niet gewoon allemaal Chardonnay aan voor wit (die overleeft toch overal) en Cabernet Sauvignon voor rood? Degelijk en oersterk zijn ze. Bovendien genieten ze nog eens een ijzersterke reputatie op de markt, dus verkopen loopt gegarandeerd van een leien dakje ... . De geschiedenis besliste er evenwel anders over. Archeologische vondtsen wijzen immers uit dat zeker de Romeinen en waarschijnlijk daarvoor zelfs de Etrusken al experimenteerden met het uitselecteren van druiven en druivenstokken die het best presteerden en de beste (of de grootste hoeveelheid) wijn opleverden binnen de gegeven omstandigheden (vnl. klimaat en bodem, maar ook de regionale smaak). Alleen met die wijnstokken werd verder gekweekt. Loten werden afgelegd (een manier van enten door een lange scheut tegen de grond te houden en opnieuw te doen wortelen) en de beste stokken werden vermenigvuldigd. Er werd met andere woorden aan kunstmatige selectie gedaan. Later - vanaf de late Middeleeuwen - werd ook geprobeerd goede kwaliteiten van verschillende wijnstokken te verenigen door ze met elkaar te kruisen. Lukte dat, dan verkreeg men een wijnstok die nog beter presteerde dan zijn twee voorouders. Soorten die sterker en betrouwbaarder bleken wonnen het dan logischerwijze van hun zwakkere neefjes en nichtjes. Heel wat streken in Europa bouwden op die manier langzaam maar zeker een traditie op in het kweken van bepaalde types wijndruiven. Elke streek had met andere woorden eigen wijntypes en wijnsoorten, lang voor er sprake was van appellaties of originebenamingen. Het duurde echter tot in de late 18de eeuw eer daar wat systematiek in gebracht werd. De natuurlijke historie - de voorloper van de huidige natuurwetenschappen, vnl. biologie, plantkunde en zoölogie - die zich gedurende 17de en 18de eeuw stilaan ontwikkelde, hield zich in haar studie voor een groot gedeelte immers bezig met het klasseren en groeperen van levende wezens op basis van kenmerken die zij gemeenschappelijk zouden hebben. De verschillende types wijndruiven en hun onderlinge verschillen en gelijkenissen bleken daarin natuurlijk een uitermate interessant, maar moeilijk studieobject. Een eerste doorbraak werd geforceerd door Carl Linnaeus, een Zweedse natuurvorser, die in feite de basis legde voor de huidige taxonomie - de tak van de biologie die de verwantschappen tussen verschillende levende wezens bestudeert - met iets ogenschijnlijk doodeenvoudige als de door hem in 1735 geïntroduceerde binominale nomenclatuur, een manier van naamgeven waarbij elke levend wezen benoemd werd met twee Latijnse of verlatijnste woorden. De eerste naam, de genusnaam of de geslachtsnaam duidt aan tot welk familiaal geslacht een levend wezen behoort. De tweede naam, de soortnaam of de speciesnaam, duidt aan om welke soort het binnen dat geslacht gaat. Linnaeus noemde de wijnstok Vitis en groepeerde alle verschillende gekweekte wijndruiftypes onder één en dezelfde soortnaam: vinifera, de druifdragende wijnstok met andere woorden. Ondanks de verschillen behoorden ze volgens Linnaeus tot één en dezelfde druivensoort en dat had hij best goed gezien. Later werden er nog andere Vitis-soorten benoemd, zoals Vitis rugosa, Vitis labrusca, Vitis rupestris, enz. Geen van die andere soorten bleek echter geschikt voor de druivenkweek, laat staan voor wijndruivenkweek. 3. Eugenetica in de wijnwereld. Chardonnay, Pinot Noir, Muscat d'Alexandrie, Ortega of Plavac mali, het maakt niet uit, ze behoren allemaal tot dezelfde soort. Ja, dezelde soort. Niks verschil, noppes, nada, ... . Enfin, tot op zekere hoogte toch, want, niemand zal het ontkennen: een Chardonnay is geen Zinfandel en omgekeerd. Dat wisten natuurvorsers in de 19de eeuw natuurlijk ook wel. De langzame en aanhoudende selectie gedurende honderden jaren had er immers voor gezorgd dat verschillende types wijndruiven erg van elkaar waren gaan verschillen en dus moeilijk zomaar met elkaar konden gelijkgesteld worden. Anderzijds kon men ook moeilijk gaan beweren dat elk type wijndruif een aparte soortnaam behoefde. Maar, wat lag nu aan de basis van die onmiskenbare gelijkenissen en tegelijkertijd ook die kleine verschillen die de ene druif blauw deden kleuren en de andere groen of de ene druif beter op arme zandgrond deden vrucht dragen en de andere eerder op vochtige kiezelgrond? En, hoe kwam het dat na slechts eeuwenlange selectie of na ontelbare kruisingen er pas een type druif ontstond dat wel goed tierde in de gegeven omstandigheden? Onafhankelijk van elkaar en vanuit een totaal andere invalshoek ontdekten Gregor Mendel en Charles Darwin het antwoord op die vraag. Gregor Mendel, een Silezische monnik die wat graag met reukerwten experimenteerde, ontdekte dat de kenmerken van een plant blijkbaar van de ene op de andere generatie doorgegeven werden door een specifiek soort dragers. De kenmerken (allelen) op die dragers (genen) bleken mekaar te versterken of net mekaar weg te concurreren. Als je twee planten met rode bloemetjes in plaats van de gebruikelijke witte elkaar liet bestuiven dan was afhankelijk van de sterkte van de kenmerken (de dominantie) de uitkomst verschillend. Was de rode kleur dominant, dan werd het merendeel van de nakomelingen rood, in het andere geval was het merendeel witbloemig. Door gericht te kweken konden zo bepaalde kenmerken in een bepaalde kweeklijn behouden en zelfs uitvergroot worden. Men kon zelfs verschillende kenmerken met elkaar combineren op dezelfde drager door juist te selecteren en juist te kruisen (bv. roodbloemige én ruwbladige plantjes). Aan de andere kant van de aardbol, zwalpend over de Pacifische Oceaan dacht Charles Darwin na over de tientallen vinken die hij op de Galapagoseilanden observeerde. Ze leken allemaal bijzonder sterk op elkaar, maar de ene soort had een dikke kegelvormige bek, de andere een smalle, pincetvormige bek, nog een andere soort had een gekruiste bek, enz. Op zulk een kleine oppervalkte, zo een groot aantal verschillende soorten, dat was toch maar al te eigenaardig. Darwin ontdekte evenwel snel waaraan dat lag: de vorm van de bek stelde de vinkjes in staat aan specifieke plantzaden te geraken. Waar de ene vink bij kon, kon de andere niet aan. Meer nog: op sommige eilandjes kwam maar één vinkensoort voor. Slechts één soort bleek in staat te overleven op die eilandjes. Darwin kwam tot de vaststelling dat de onderlinge concurrentie tussen de vinkjes en het feit dat bepaalde kenmerken die van de ene op de andere generatie werden doorgegeven lichtjes konden veranderen, aan de basis lagen voor die eigenaardige diversiteit. Die enkele vinkjes die in staat bleken andere zaden te bemachtigen als het gros van de soort waartoe ze behoorden, verhoogden immers hun overlevingskans omdat ze simpelweg gemakkelijker aan voedsel geraakten waar de anderen niet bij konden. Naast de reeds bestaande vinkensoort ontwikkelde zich zo - door succesvolle voortplanting en verdere ontwikkeling van dat afwijkende kenmerk - langzaam maar zeker een andere vinkensoort. Met wijnstokken is het niet anders. Zelfs de Romeinen - die met de technische achtergrond van natuurlijke selectie en de hedendaagse genetica nog lang niet bekend waren - merkten dat sommige planten sterker en beter bleken dan andere van dezelfde soort. Men ging steeds opnieuw de sterke planten uitselecteren en vooral met hun (afgelegde) nakomelingen verderwerken. Later ging men planten met specifieke kenmerken kruisen om zo hopelijk nakomelingen met net die twee kenmerken samen te bekomen. De mens speelde met andere woorden in op de kleine metamorfoses die van de ene tot de andere wijnstok voortkwamen en hielp daarmee schijnbaar de natuurlijke selectie een stapje vooruit. Het uiteindelijke resultaat is de enorme hoeveelheid aan verschillende types druivenstokken die we vandaag overal ter wereld tot zelfs in de meeste extreme levensomstandigheden aantreffen. Elk zijn ze een unieke verzameling van kenmerken die hen net in staat stelt op die specifieke plaats, in die streek het beste van zichzelf te geven. De mens bedreef met andere woorden een soort van kunstmatige selectie, een vroege vorm van eugenetica, gedurende de oudste geschiedenis van de wijnbouw. Het resultaat van die vele onophoudelijke selecties zijn druivenrassen, duizenden specifieke types zoals Chardonnay, Tazzelenghe, Frühburgunder, Grüner Veltliner, Ögözgulu, Pinotage, enz., die tot één en dezelfde druivensoort, Vitis vinifera behoren.
Wordt vervolgd.
LAST_UPDATED2
|
|