zondag, 14 maart 2010 00:00
Amaronese
Artikels
Het moest weer eens lukken. Je hebt net weer eens artikeltje afgewerkt tussen de soep en de patatten – of toepasselijker: tussen een Chenin en een Riesling – waaraan je nog enkele foto’s moet toevoegen zodat het de avond zelf nog op de blog kan gezwierd worden en lap! Vergeet het publiceren maar, want enkele Vlaamse Wijnblogs verderop werd de dag voordien een post gepubliceerd over net hetzelfde onderwerp. Om de kriebels van de krijgen, zoiets. Meer nog, het wordt een beetje griezelig, want St-Etienne en ik blijken wel meer gemeen te hebben dan die telepathische wijnlink. Enfin, er zit dan maar één ding op: je materiaal niet laten verloren gaan en er een andere draai aan geven, zodat je je lezers alsnog wat origineels kan bezorgen. Van mekaar afschrijven heeft immers geen zin, dat doet onze gevestigde wijnpers al meer dan genoeg.
1. Objectiviteit en corporate strategies.
Als je over het fenomeen ‘blindproeven’ wat wil schrijven, kan je eigenlijk niet buiten de incontournables van het hedendaagse wijndiscours. Aan de ene zijde vind je Robert Parker met zijn rijke schare acolieten, aan de andere zijde, diametraal daartegenover vind je Kermit Lynch, aanvoerder van een ongeorganiseerde bende ketters die het niet zo begrepen hebben op de corporate strategies in de wijnbizz en de wijnkritiek.Kort samengevat kan je hun beide argumentaties als volgt begrijpen: Parker, de club achter Winespectator en bijvoorbeeld de tastingpanelleden van heel wat internationale tijdschriften zweren bij het blindproeven. Volgens hen is proeven zonder dat je eigenlijk echt weet wat er in je glas gaat de enige manier om te verzekeren dat je onbevooroordeeld oordeelt over de wijn in je proefglas. Dat onbevooroordeeld proeven wordt in hun denktrant ook rechtstreeks verbonden met objectief proeven. Het valt er in de meeste gevallen zelfs mee samen (dat is absoluut niet zo en zegt meer over het hun discours dan over hun proefmethodologie; maar, dat is stof voor een ander artikel). Het is voor hen bovendien het argument bij uitstek om de bekomen proefresultaten in cijfers te gieten, op 20, of, met de meeste navolgers, op 100. Die zijn eenduidig te interpreteren, zo redeneert men, en weerspiegelen nauwkeurig de kwaliteit van de besproken wijn in kwestie. Ook hier speelt het objectieve aura dat rond cijfers hangt een legitimerende rol. De proef- en evaluatiemethodolgie van Parker en co. blijkt daarenboven nog eens met gretigheid onthaald in de wijnbizz. En terecht, want cijfers worden inderdaad als objectief opgevat door koper en verkoper en blijken en plus een snelle, handige manier van communiceren in een wereld waar er – meer dan de idylle dat zou willen – belang gehecht wordt aan getalletjes en cijfers (of die nu uit de titratiepipet van de oenoloog, het Excelsheet van de kasteelboekhouder of de pen van de wijncriticus komen). Kunnen we Parker dat verwijten? Nee. Alhoewel hij met de vinger gewezen wordt voor het debiliseren van het wijndiscours door het invoeren van zijn sterk objectief overkomende 100-puntensysteem, ligt het succes en de uiteindelijke gevolgen van deze efficiënte manier van communiceren niet zozeer bij hem, maar wel bij de vele actoren in de business en een ontzagwekkende horde wijn(ver)kopers (ik spreek met opzet niet over proevers) die het puntensysteem aanwenden als een marketingstrategie of als een objectieve, oncontesteerbare vorm van prijsverzekering. 2. Fast wine.
Aan de andere zijde van het spectrum staat Lynch, die met zijn common sense-benadering (Parker gelooft opvallend genoeg ook dat hij de common sense terugbracht in de wijnkritiek, maar vult dat toch heel anders in – ook stof voor een ander artikel!) en zijn meer op context gebaseerde omgang met wijn. Lynch’ Inspiring Thirst, een vuistdikke bundel proefnota’s leest als een roman, simpelweg omdat niet elke wijn beschreven wordt in termen van fruitkorven, snoepwinkels en wegenwerken. Blind proeven is voor Lynch dan ook even erg uit den boze als het voor zijn goeroe Richard Olney was. Puntenscores ook al. Volgens Lynch kan je een wijn ook maar appreciëren wanneer je weet door wie, hoe en waar hij gemaakt is. Of nog beter: wat de context is waarin een wijn ontstaat. Een wijn objectief willen beoordelen komt op hetzelfde neer als een boek willen bespreken en focussen op de dikte van de kaft, de flaptekst, de coverprent en de bladspiegel. De inhoud en de verwijzingen naar de tekstuele en buitentekstuele werkelijkheid worden buiten beschouwing gelaten. Je gaat met andere woorden volledig voorbij aan de verder liggende kwaliteiten van een wijn of de achtergrond van die kwaliteiten. Wijnen die in een blindproeverij opvallen, zijn, volgens Lynch, dan ook dikwijls de stereotype geblondeerde dellen met grote nepborsten. Vrouwen die bij een eerste blik opvallen, charmeren en opwindend overkomen, maar wat later inhoudsloos en oppervlakkig blijken. Snelle seks, een korte, handenvullende indruk, of, anders gezegd, fast wine, een korte, mondvullende impressie. Waar Parker de grens tussen slechte of goede wijnen laat samenvallen met de grens van zijn systeem (70/100) is dat voor Lynch niet zo. Tussen de Botox-wijnen die Lynch zo verafschuwt zitten volgens hem ook best degelijke wijnen. Wijnen die degelijk gemaakt zijn, correct zijn, maar eigenlijk niets te vertellen hebben. Wijnen op steroïden mogen dan wel indrukwekkend blijken in een blindproeverij, doorgaans gaan ze na een tweede glas al meteen onderuit: boeien doen ze niet meer. Maar, op hoeveel blindproeverijen heb je al eens een tweede glas van elke wijn genoten? Ik kan ze op één vinger tellen. Vooraleer je een wijn beoordeelt hoor je hem echter tijd te gunnen, volgens Olney en Lynch. Je moet niet alleen weten wat je proeft, je moet de wijn in kwestie zich ook laten proeven. Ikzelf beoordeel een wijn thuis ook nooit op basis van één of twee slokken. Dat zou op hetzelfde neerkomen als het snel scannen van een gedicht. Je hebt de woorden en de structuur wel beet, d.w.z. de verpakking, maar de betekenis en de interactie van de woorden onderling en de rol die de vorm van het gedicht daarin speelt, zijn je volkomen ontgaan. Een wijn die me na een glas niet bevalt, daar gaat de kurk terug op en hij gaat een nachtje de koelkast in. Dan zien we wel verder. Fouten en een niet te verhelpen onevenwicht proef je meteen. Dat is wat anders. Maar, lichtjes droogtrekkende zuren, een niet gevulde kern, een vegetale bolster rond het sap, ... dat zijn stuk voor stuk voorbeelden van kenmerken die in een blindproeverij rotslecht scoren, maar een dag later – of zelfs een uur later – al verdwenen kunnen zijn.Als je Lynch’ redeneerwijze op die manier volgt, dan begrijp je ook dat voor Lynch blindproeven een uitwas van de hedendaagse fast forward-cultuur is. Tijd nemen we jammer genoeg niet meer in een cultuur waar alles in vijfde versnelling voortraast, menselijke omgang op eerste indrukken gebaseerd is en communicatie alleen nog kwantipulatief mag zijn. Neen dank u, ik kom liever tot rust achter het fornuis, aan tafel, bij een glas wijn. Slow food, en ook slow wine, please!
Wordt vervolgd.
LAST_UPDATED2
|
maandag, 01 maart 2010 09:44
Amaronese
Artikels
LAST_UPDATED2
vrijdag, 26 februari 2010 00:00
Amaronese
Artikels
Nee, dit is echt niet mijn eerste poging tot het schrijven van een heus horrorartikel (alhoewel sommige lezers elk artikel op deze site wel griezelig moeten vinden). Nee, dit is eerder een oprechte bekentenis, recht uit het hart van een prettig gestoorde wine- and foodaddict. Soms kan ik immers bij het koken of bij het verorberen van wat lekkers compleet wegdromen of vreemde associaties beginnen maken. Zij die me kennen, hebben het al eens meegemaakt. Vreemd op het eerste gezicht, maar gelukkig niet gevaarlijk, althans voor diegene die verder wil kijken dan de gemiddelde McDonalds drive-in lang is ... .1. Culinaire frats. Eén van mijn meest excentrieke collega's, J. - ofte Jousjouphi voor de vrienden - maakt me dikwijls uit voor barbaar, omdat ik me van zowat alles wat er op deze aardkloot rondwandelt, -kruipt, -vliegt of -zwemt, afvraag hoe het op mijn bord zou smaken. Ik moet eerlijk gezegd ook bekennen dat ik al echt vreemde dingen gegeten heb. Noem maar op: wormen, wildebeest, ezel, lijsters, kwallen, ... ik heb het allemaal wel al eens geprobeerd. Niet altijd met evenveel succes weliswaar. Ik wil er anderzijds ook geen obsessie van maken. Mij gaat het eerder om de lokroep van het nieuwe, het onbekende. Als er wat op een menu staat dat ik niet ken, dan wordt het dat. Simpel, geen geparlementeer, geen gepalaver. Restaurantkaarten waar teveel klassiekers opstaan stellen me soms zelfs voor existentiële problemen: wat moet ik nu weer nemen? Meestal wil ik ook pas achteraf weten wat ik gegeten heb. Kwestie van onbevooroordeeld te oordelen. Ik heb die drang altijd gehad. Ook als klein kind was ik al nieuwsgierig naar nieuwe en andere smaken. Ik herinner me nog levendig hoe ik samen met mijn moeder in een etablissement te Vilvoorde een kwart potje witte peper mengde door ons mosterdpotje (zo'n blauwgrijs aardewerken potje) en dat slinks verwisselde met dat van de tafel ernaast, waar een arme, onwetende man het praktisch voor de helft uitsmeerde over zijn biefstuk en die, niet goed wetende wat hem overkwam, met de nodige grimassen toch wist binnen te werken. Daar, in de zaak waar ik mijn eerste culinaire frats uithaalde, at ik voor de eerste keer paardenbiefstuk ... en lekker dat ik dat vond! Je kon er ook praktisch alleen paard krijgen: het was een ouderwetse verbruikzaal bij een paardenslagerij. Paard met friet en daarmee was de kous af. Ik ben sindsdien altijd verzot gebleven op de typische smaak van paardenvlees. Lichtjes bitter, zelfs een beetje wrang van smaak, stevig van structuur, maar zeker lekker sappig als het van goede kwaliteit is. 2. Pjeirefretters.Mensen vinden het nu dikwijls barbaars wanneer je paard eet. Dat is wel begrijpelijk als je weet waar de speciale status vandaan komt die het paard geniet ten opzichte van de overige leden van het viervoetige dierenrijk. Paarden worden al sinds lang beschouwd als dieren die dicht bij de mens staan. Intelligente dieren. Dieren die je met het nodige respect behandelt tot aan het einde van hun dagen. Ze werden doorgaans zelfs net buiten de stadsmuren op een paardenkerkhof begraven. Paarden waren voor de Kelten heilige dieren en ook bij de Grieken en de Romeinen hadden zij een plaats in de mythologie. Later, tijdens de Middeleeuwen en tot ver in de 19de eeuw bleven paarden dat verheven aura behouden. Misschien niet zozeer omdat ze nog steeds als heilig beschouwd werden, maar wel omdat het onmisbare dieren waren op het land, voor het transport, zelfs voor de kleine industrie. Bij de opkomst van de stoomkracht werd het paard stilaan vervangen door mechanische, door stoom aangedreven voertuigen en machines.  Het is pas echter vanaf het begin van de 20ste eeuw dat het paard op ons bord terecht komt en wel in een streek met een economisch erg beladen verleden: de Rupelstreek, de streek van de steenbakkerijen en het Brussel-Rupelkanaal. Het werk daar was bikkelhard. De ellende en de mensonterende toestanden die bestonden in de baksteenmanufacturen zijn nu nog steeds stof voor schrijnende verhalen en trieste legendes. Slechts het paard verlichtte hier en daar het eindeloze zwoegen in de kleiputten. Paarden waren immers van nut bij het door de drassige paadjes vooruittrekken van kleine karretjes beladen met klei of bakstenen. Veldspoorwegjes kon men simpelweg niet overal gebruiken. Locomotiefjes waren te zwaar en te duur. Waar het paard niet helpen kon, werden de karretjes voorgeduwd door kinderen. Daarnaast waren paarden ook onmisbaar langs het kanaal: samen met hun drijver trokken ze zwaar beladen schepen op en af tussen Brussel en de Schelde. Sterke boerenpaarden, zoals de prachtige Brabander, hielden het gemiddeld 7 jaar uit in een steenbakkerij. Zwakke knolletjes werden na één jaar al afgeschreven, of beter gezegd, in de pot gestopt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat je tot ver na de Tweede Wereldoorlog nog heel wat paardenlagerijen vond rond de Rupel. Van Boom tot in de huidige voorsteden van Brussel, zoals Vilvoorde, werden mensen Pjeirefretters genoemd. 'Paardenvleeseters', zoals hen schamper achterna geroepen werd (denk aan de gelijknamige roman van Ward Ruyslinck), waren inwoners van de streek die het niet al te breed hadden. Als er dan al eens vlees op tafel kwam, dan was dat goedkoop paardenvlees. Maar geen huismoeder zo vindingrijk, of ze deed er wel haar eigen ding mee. Eén van de populaire gerechten was 'schep', of 'schup', paardenstoofvlees met friet. Elke familie had er wel een eigen recept voor dat onder strikte geheimhouding van moeder op dochter werd doorgegeven. Schep werd een traditioneel streekgerecht rond de Rupel en de Noordrand van Brussel. Nu is het een curiositeit, maar een goede 40 jaar geleden was het nog heel alledaags om in een frietkot 'schep met friet' te vragen. Mijn vader moest even terugdenken aan zijn kindertijd toen ik hem vertelde dat ik 'schep' gemaakt had. 3. Wintergerecht.Ik houd wel van stoverijen: rustieke, hartige wintergerechten zijn het meestal, met mooi versmolten smaken ontstaan uit het samenvoegen van eenvoudige streekgebonden ingrediënten. Die waren vroeger goedkoop en gemakkelijk te verkrijgen. Je houden aan die streekgebonden ingrediënten, je stoofpot op een heel laag vuurtje stilletjes en langzaam laten garen en hem nooit de dag zelf eten zijn de truken om een mooie gebonden en complexe smaak te krijgen. Paardenstofvlees is er een mooi voorbeeld van: bruin bier, ruw bruin brood met wat mosterd en wat bessengelei, uien en eenvoudige kruiden. Ik gebruik het volgende recept: 1 kg veulenstoofvlees (dat is wat fijner van structuur en wordt doorgaans minder draderig) 4 uien boter 2 eetlepels traditionele mosterd 2 eetlepels zwarte of rode bessenconfituur 1 flesje amberkleurig of bruin bier (bv. Een Klinkaert, gebrouwen door de Troetsel in Niel) 2 sneden bruin boerenbrood zwarte chocolade (hoort natuurlijk niet traditioneel in het gerecht, maar het geeft wat extra pit aan de saus) takje tijm, blaadjes laurier, 1 kruidnagel peper, zout en muskaatnootSmelt voldoende boter in een braadpan en braad het vlees aan. Laat de boter echter niet te heet worden, want anders wordt je vlees achteraf taai en droog. Haal het vlees uit de pan en houd het warm. Laat de in halve ringen gesneden uien glazig worden in een stoofpan, blus met het bier (let op dat je de gistrest niet meegiet). Laat terug op temperatuur komen en voeg het vlees toe. Kruid met peper, zout en muskaatnoot (wees niet te kwistig, smaken versterken in een stoofpot). Voeg het kruidentuiltje en de kruidnagel toe. Besmeer de boterhammen met een dikke laag mosterd en confituur. Leg ze bovenop het vlees. Dek af en breng op een zacht vuur aan het pruttelen. Houd het vuur op een zo laag mogelijke constante warmte. Roer af en toe eens om en controleer de textuur van het vlees. Dat moet stevig blijven en niet uiteenvallen in draadjes (als je stooftemperatuur te hoog is, zal dat altijd gebeuren). Voeg naar het einde toe de bittere chocolade toe (een klein stukje is al voldoende). Controleer de dikte van de saus. Als alles goed verlopen is, zullen je brood en je uien volledig weggestoofd zijn en een mooie, gladde saus vormen. Haal van het vuur en laat minstens een nacht rusten. 4. Vee met friet en een stalgeurtje.Traditioneel worden hier frieten bij gegeten. Ik bak die nooit zelf, simpelweg omdat ik ze nooit zo goed kan krijgen als die van de plaatselijke frituur, waarvan de uitbater elke dag nog vroeg uit de veren is om zelf zijn frieten te snijden en op tijd te beginnen met voorbakken. Resultaat: mooie goudgeel gebakken, dikke frieten, met een knapperige buitenkant en een smeuïge, lekker naar aardappel en grond smakende binnenkant. Ik mag van geluk spreken dat er nog zo'n frituur in de buurt is, want ze zijn ondertussen zeldzaam geworden, de frietkoten waar niet met van die te dunne, voorgesneden frieten uit een plastic zak vol water gewerkt wordt, waar frieten nog genoeg tijd krijgen om te rusten tussen het voorbakken en het afbakken en waar elke beet uit het zakje/bakje gelukkig niet smaakt naar vuil vet in plaats van aardappel.  Dat heeft misschien ook weer wat te maken - ik ben weer aan het mijmeren - met paarden en/of ander vee. Sint-Truiden was vroeger immers bekend voor zijn veemarkt. Die ging wekelijks door en startte eigenlijk al rond twee uur 's nachts. Op dat moment kwamen de eerste boeren al toe. Veel dieren wisselden al van eigenaar nog maar goed voor de markt begon om zes uur 's morgens. Op haar hoogtepunt stonden er gemiddeld een 5 à 6000 dieren in de markthallen en op het aanpalende terrein: stieren, kalveren, geiten, biggen, ... zelfs paarden. Traditioneel gingen de boeren die wat vee verkocht hadden met een beetje van het verdiende geld op zak de dag zelf nog eens goed doorzakken in de vele caféetjes die de stad rijk is, maar daarvoor moest er natuurlijk een goede 'fond' gelegd worden. En wat is er dan beter dan een goede friet? Vandaar de vele frituren in Sint-Truiden. De veemarkt is ondertussen verdwenen, maar de frituren houden stand en gelukkig zijn er nog enkele echte aanraders. Natuurlijk drinken we daar wat bij. Bier is een vanzelfsprekende optie. Heel wat 'wijnkenners' vinden het ook not done om een fles wijn open te trekken bij frieten, laat staan bij frieten met een boerenstoofpot. Daar is hun strikjes- Bordeaux veel te nifty voor. Wel, een Bordeaux zou ik er ook niet bij opentrekken - hoe dikwijls trek ik trouwens ook een fles Bordeaux open? -, maar een goede Corbières mag hier altijd naast staan. Het was mijn grootvaders klassieker bij zulke gerechten. Logisch, want deze betaalbare wijnen die vooral eind jaren zeventig, begin jaren tachtig aan populariteit wonnen, passen met hun rustieke aplomb wel mooi bij een stevig gerecht als schep met friet. (Waarom moet een wijn trouwens altijd 'fijn' of 'complex' zijn?) De beste ruiken meestal wat naar de stal bij het ontkurken en hebben een hartig, warm karakter. Ik dronk er een Château Meunier-Saint-Louis A Capella 2001 bij. Een wijn die al wat op zijn retour was, maar met zijn ongecompliceerd, eerlijk karakter het niet nodig vindt zijn afkomst achter hoek en kant te verschuilen. Wat stalgeur (reductie en Brett), zwarte bessen, kruidnagel en zwarte chocolade (misschien zelfs orangette). Geen overextractie, geen geknoei en geen gepruts, dat proef je. Sappig, wat ruwe grippige tannine en best nog wel wat vinnige zuren. Een wat snel wegebbende afdronk. Niet de perfectie, maar gewoon simpel en lekker, een wijn om vlot weg te drinken bij mijn bord geschiedenis aan tafel. De wijnen van Château Meunier-Saint-Louis kan je krijgen bij Credo 1893, in - jawel! - Vilvoorde.
LAST_UPDATED2
zondag, 14 februari 2010 00:00
Amaronese
Artikels
Net als collegablogger St. Etienne vind ook ik het almaar moeilijker ergens een eerlijke hap te vinden. Authentieke kost, zonder de tegenwoordig voorgeschreven espuma's, sorbets, infusies en wat dies meer zij. Niet dat we wat hebben tegen een moderne keuken, maar de ervaring leert dat moderne technieken, net zoals de rijke sausen in vroegere tijden, vaak gebruikt worden als dekmantel. Slordig fornuiswerk, een mangelende basiskwaliteit van de ingrediënten of gebrek aan inspiratie worden er nogal graag mee verdoezeld. Maar gelukkig is het niet altijd kommer en kwel. Als je goed zoekt en - in mijn geval toch - op je neus af gaat, kom je wel eens wat deftigs tegen, zelfs in het Leuvense.1.Visioen in Leuven.Januari 2009: er was wat buzz op de werkvloer rond een nieuw restaurantje vlakbij. Waar zich vroeger het nogal pretentieuze en navenant peperdure TR3S bevond, en een blijkbaar niet van de grond gekomen eetzaak Lavendel de handdoek in de ring had moeten gooien, was blijkbaar een nieuwe eetgelegenheid geopend. Ere wie ere toekomt, het was mijn collega J. - Jérôme voor de vrienden - die het ontdekte. We moesten er toch eens met ons tweeën de sfeer gaan opsnuiven. Je weet wel: zo een middagje lekker gaan eten, een simpele lunch die altijd veel uitgebreider dan eenvoudig wordt. Daar waren wij met zijn tweeën ondertussen al deftig in getraind. Ik liep er op een morgen voor ik mijn als vanouds duffe kantoor ging opzoeken maar eens langs: 'Per Tutti, Mangiare Italiano', zei de banner die boven de voordeur de windvlagen trotseerde. Dat klonk al niet slecht. Geen nep-Italiaans. Geen Tonio of Silvio, geen Giardino X of Y, want zo heten blijkbaar alle nep-Italianen in het Vlaanderenland. Grote kans dat hier geen spaghetti carbonara met vette room of pasta bolognaise met gruyère werd geserveerd. Nieuwsgierig en een beetje slinks gluurde ik naar binnen: afgemeten, strak en eenvoudig. Geen tralala. Wie weet was Per Tutti wel een restaurantje waar alles om het eten draaide en niet om de fiorituren buiten het bord? Hmm. Met moeite rukte ik mijn aandacht los van de etalage en plaste maar verder door het grijze regenweer richting een al even grijs betonblok. Visioenen van ochtendlijke, naar Bougainvillia geurende marktpleintjes met rinkelende mama's op de fiets en enkele onmisbare oudjes op een bankje naast een plantsoen,genietend van de eerste zonnestralen, deden me zuchtend het ijskoude neonlicht aanknippen in mijn nog donkere kantoor. Welkom laatste werkdag van de week. 2. Sober en authentiek. Het vlotte Cabernette blijkbaar ook niet al te wel. Met Bougainvillia's en besnorde, zingende werklui zat ze vast niet in haar hoofd. Daar zorgden de laatste loodjes van het doctoraat wel voor. Schrijven, schrijven en nog eens schrijven. Je hebt echter zo van die dagen dat het teksten breien echt niet wil lukken en wat doe je dan in godsnaam om te voorkomen dat je je daar mateloos in zit te enerveren? Wel, haar grootvaders oplossing voor elk probleem dat de man zaliger tegenkwam, bood hier wellicht uitkomst: " een stukje eten". Dat gingen we dan ook maar doen. Licht uit, trap af, paraplu open, vloekend plensen door de stortregen en twee minuten later stonden we te dampen in het kleine inkomhalletje van Per Tutti. Ik was al meteen verkocht. Vanaf de eerste snuif vermoedde ik dat er niet veel mis kon gaan: ik rook Italië, ik rook die trattoria in Todi langs de Via della Storta. Ik rook het terras, overgroeid met wijnranken, dat, wankel boven de afgrond, een paradijselijk zicht gaf op de omliggende valei. Een sleffende chef die vanuit een donker gangetje met zijn handen in de zij naast het tafeltje kwam staan en pufte: " Fa caldo, no?". Visioenen van betere oorden. Geen sleffende chef hier, wel een springerige ober die ons begroette met een grijnzend " Goedemiddag". Hij liep ons voor naar een tafeltje vanwaar we recht de keuken in konden kijken, draaide de glazen met een elegante zwier om en maande ons aan plaats te nemen. Ik hou van restaurants waar ik recht de keuken in kan kijken. Die hebben meestal niet al teveel te verbergen. Achterin stond al iemand druk te rammelen met zijn pannen. Een sober menu. 4 kantjes A5. Van bruschette, over insalate, risotti en een hele reeks pasta's tot aan het dessert allemaal geruststellend echt. Zelfs piadine - een typisch voorgerecht of een middaghap uit Emilia - staan hier op de kaart. Handenwrijvend openden we de wijnkaart: een bescheiden selectie minder bekende Italiaanse wijnen, met de nadruk op het Zuiden. Geen obligate Antinori's, geen peperdure cru's die door enkele Limburgse wijnsjacheraars verpatst worden, geen misspelde referenties. Wel bijvoorbeeld de lichtjes gemoderniseerde, maar eerlijke wijnen van Zaccagnini, dat beloofde al. Misschien mogen alleen de voorradige jaartallen er wel eens in potlood bijgeschreven worden, dat kan al wat helpen tijdens het kiezen. Wij gingen voor een Kerres 2003 van I Pentri die geserveerd werd in mooie, grote glazen. Een donkere, hartverwarmende wijn van de locale, sterk ondergewaardeerde Piedirosso, een vriendelijke reus die ons al vanaf de eerste slok even deed geloven dat we ergens koel, achter de getaande houten luiken in La Puglia, weg van de brandende zon, onze namiddag zaten door te brengen. Wij kozen voor een piadina Genovese met frisse tomaten, rucola en een heerlijke crema di balsamico en knapperige, evenwichtig gekruide bruschette tradizionale met weer eens die lekkere tomaten. Er volgde een risotto ai carciofi en een bord penne contadine. Beide knappe combinaties, waarin vooral het subtiele evenwicht tussen verschillende expressieve mediterrane smaken en bovenal de sublieme versheid en kwaliteit van de ingrediënten opviel. Hier draaide alles duidelijk om wat op het bord kwam, niet om wat er rondom gebeurde of om wat de geplogenheden van de hedendaagse eetmodes voorschreven. Wij knikten heftig en nog met de mond vol toen de chef even achter het fornuis uitkwam om te vragen of het ons smaakte. " Zeker!", beaamden wij, waarop de chef tevreden en met vertrouwen glimlachend terug de keuken in wandelde. 3. Onvermoeibare terroirkok.Dat was meteen ook onze eerste ontmoeting met Oreste Condo, de eigenaar en chef van Per Tutti. Oreste trok samen met zijn vriendin Cristina begin vorig jaar vanuit Zonhoven naar Leuven met de bedoeling een nieuwe zaak te starten. Het was niet aan zijn eerste probeerseltje toe en wist dus goed wat hij wilde: Per Tutti moest een restaurantje voor iedereen worden. Een zaak waar je voor een schappelijk bedrag kan genieten van een lekker bord pasta met een glas wijn erbij, maar tegelijkertijd ook een plek waar echte gourmands zich op hun plaats voelen. Want dat is het eerste wat je opvalt als je bij Oreste aan tafel schuift: de coherentie van zijn concept en de onwaarschijnlijke prijskwaliteitverhouding van hetgeen op je bord verschijnt.  Dat heeft alles te maken met Oreste's ideeën over hoe je een goede zaak uitbaat - de dingen niet te groots zien, zodat je alles zelf onder controle houdt - , zijn keihard werkethos en vooral zijn vroegere ervaring in de voedingssector. Wanneer je van zijn ontzettend lekkere tomatensaus proeft (niet zomaar een rode saus, dus) of een beet neemt van een perfect gekruide en ontroerend goed gebakken Ierse entrecôte, dan weet je meteen dat er iemand in de keuken staat die met hart en nieren kookt, maar er ook zijn verstand bij weet te houden. Oreste's achtergrond in de voedingstechnologie in combinatie met zijn passie voor authenticiteit en versheid van kwaliteitsproducten geven hem een streepje voor op zoveel andere chefs die met dezelfde ideeën over koken en eten aan de slag gaan. Dat merk je aan heel wat dingen die soms maar kleine details lijken: de keuze van het espressomerk ( Più), het goed uitgeruste glasservies, de grappa, de schitterende huiswijnen, Oreste's kennis van de overige wijnen op de kaart, de kwaliteit van de pasta, ... . Er wordt hier ook nooit geknoeid met minderwaardige ingrediënten. Als een ingrediënt niet aan voldoende kwaliteit voorradig is, dan wordt de gasten gewoon vriendelijk gevraagd iets anders te kiezen. Anderzijds betekent dat ook dat Oreste openstaat voor gegronde kritiek (niet voor pedant gezaag weliswaar!). Als er bijvoorbeeld wat scheelt aan je gerecht en je maakt Oreste daar vriendelijk op attent, dan zal hij altijd proeven en indien nodig het gerecht zonder gebrom opnieuw maken. Een, wat ons betreft, nogal uniek gegeven in het eigengereide Vlaamse horeca-landschap. De keuken van Per Tutti is in zekere zin een terroirkeuken. Dat wil zeggen dat je aan de gerechten en de bereidingswijzen duidelijk merkt dat Oreste af en toe terug naar la mama in Calabria trekt om daar weer wat te herbronnen. Zuiderse ingrediënten als aubergines, tomaten, paprika, look, pepers en champignons vormen dan ook de basis van zijn hartige keuken. Het loont ook altijd de moeite een blik te werpen op zijn suggestiebord, want naast het dagelijkse vleesgerecht zijn de gevulde pasta's in alle mogelijke vormen en maten (ravioloni, caudastelle, mezzalune, ... ) en met de meest verbeeldingrijke vullingen van everzwijn, over kikkerbilletjes tot de klassieke combinatie van ricotta en spinazie absolute aanraders. Je zal ver mogen zoeken om even verfijnde pastabereidingen elders terug te vinden en je kan er telkens weer wat anders mee ontdekken. Daarmee raken we overigens nog aan een laatste punt dat ons zo goed bevalt in Oreste's filosofie: hij staat nooit stil, wil steeds verbeteren, sleutelt bijvoorbeeld nog steeds aan zijn wijnkaart en probeert altijd wel een nieuwe suggestie uit zijn koksmouw te toveren. Per Tutti, uitmuntende eenvoud, voor iedereen, maar enig in zijn soort ... .
     Per Tutti, Mangiare Italiano Ravenstraat 38, 3000 LEUVEN Tel. 016/43 58 36 Zaterdag en zondagmiddag gesloten. Reserveren aangewezen.
LAST_UPDATED2
zaterdag, 06 februari 2010 14:36
Amaronese
Artikels
Wie deze website af en toe bezoekt, nieuwe artikelen leest en/of wat gedachteloos er doorheen scrollt, zal in enkele zinnen vast wel kunnen vertellen wat de kern van onze benadering is tot wijn en alles wat daarmee te maken heeft. Wijn is voor ons veel meer dan alleen een kostbaar goedje in het juiste glas, een fles met een pocherig etiket erop of een obligate stemmingmaker op een feestje. Nee, wijn is voor ons één van de meest intrigerende cultuurobjecten die de mensheid voortbrengt. 1. Zet die fles al maar aan uw hoofd. Hoezeer ik mijn hersens ook pijnig, hoezeer ik ze ook relaxerend baad in edel en geestrijk druivennat, ik kan me echt niet meer herinneren welke wijnblogger er op die laatste bijeenkomst in Per Tutti te Leuven met het geschifte idee kwam aandraven eens een reeks posts te versieren rond een letter. Ik moet die avond teveel genoten hebben van Maule's sappige Sassaia, Schuellers knappende Pinot Noir of Brignots onvergelijkelijk waanzinnige Savagnin. De reden waarom er uit hoofde van één onder ons snoodaards altegader het idee ontstond maar wat te posten rond de letter "V" zal voor mij waarschijnlijk altijd in de eeuwige nevels van vergetelheid gehuld blijven. Wie het ook zij: deze post heb jij op je geweten, collega! Een post waarvan ik nu al met vooruitzicht zit te genieten, maar waarbij ik eigenlijk ook heel goed zou kunnen begrijpen dat u, lezer, na deze paragraaf compleet het Noorden kwijtraakt en zich met gefronste wenkbrauwen hardop afvraagt: "Waar heeft die het nu in godsnaam weer over?" Wel, ik wil u al een tip geven, vooraleer u het helemaal voor bekeken houdt: gewoon doorlezen, deze post en dan dat andere waarover u in deze post leest, ook eens vastnemen en doorlezen, om het daarna nog eens te lezen en nog eens te lezen. Een beproeving misschien, maar dan één zoals u nog nooit tevoren genoten hebt. Een tweede tip: neem er een glas of zelfs een fles wijn bij. Nip af en toe, en als het u echt teveel wordt, zet ze dan gewoon aan uw hoofd en klok haar gulzig achterover. Lach verlegen om uw nooit eerder geziene gedrag naar een u verbouwereerd aanstarende echtgenote/echtgenoot en beweer met stelligheid dat uw bedprestatie vannacht er alleen maar wel bij zal varen. Vrouw- of manlief zal begrijpend knikken, van opluchting even zuchten en in het beste geval al maar vast het bed gaan voorverwarmen. Wel, een boekengek als ik vragen wat te schrijven over of rondom de letter "V" is zoveel als aan een Bourgogne-boer vragen welke de beste rode druif ter wereld is. Er is namelijk maar één en ook werkelijk maar één item dat zo door de geest flitst als een op hol geslagen stroboscoop wanneer je mensen die dag in dag uit leven met literatuur vraagt wat over een "V" te zeggen. Nee, als u gedacht had dat ik het hier gingen hebben over Viognier, Vin de Table, Vitovska of een hele resem Vitis-soorten, dan had u het mis. Ik ga het hebben over "V" en niets meer dan "V". Maar vooral niets minder dan "V" ... een vijfhonderd dicht bedrukte pagina's tellende turf die de wereldliteratuur in één veeg op zijn kop zette. "V", het boek dat in 1963 het postmodernisme landde in de VS en sindsdien nog steeds schokgolven zendt door de hedendaagse literatuur. 2. Dort, Wo man Bücher verbrennt ... . Snobistisch, hè, zo beginnen tetteren over moeilijke postmoderne boeken, terwijl u, beste lezer, een streepje wijn verwacht had; een zachte penseelstreek ví, vin, vino, vinum. Snobistisch ... of zal ik zeggen pseudo-intellectueel? Jaja, dat moet het zijn: pseudo-intellectueel, met de neus in de lucht, een vermanend vingertje wiegend en het hoofd in de nek. Met de lippen naar voren getuit uitgesproken alsof het om een uitspuwensklaar zuur tafelwijntje gaat. Een gemeen 'wijntje' dat ons fruitig en gevanilleerd Bordelees gezalfd mondepitheel niet verdraagt en dus net als kokhalsreflex, een tuitreflex oproept. Spuwen maar op die pseudo-intellectueel! Een boekenlezer voorwaar! Stenigt hem, verbrandt hem. Lasst die Bücher brennen! Een laaiend vuur waarrond wild gedanst wordt door de nieuwe godjes van onze netjes in het gelid marcherende wijncultus met de onderpastoors van de Vlaamse wijnkerk voorop. "V", van Churchills 'Victory', natuurlijk, maar ook van beide triomfantelijk in de lucht gestoken vingers: "onze boogschutters hebben nog steeds twee vingers, kom maar op", maar eveneens de "V" van de Valkyrie, de valkyrja, Noorse oorlogsgodinnen, die de grootste helden meevoerden naar het Walhalla, of simpelweg de "V" van V., het nooit onthulde personage waarnaar Herbert Stencil eeuwig op zoek blijft in Thomas Pynchons "V", een postmoderne bom die de Amerikaanse literatuurscène vanbinnenuit hervormde. "V" is geen boek als een ander, geen boek als de boeken die we allemaal zo graag lezen. Boeken met een nette plotstructuur, een steeds weer geëtaleerde samenhang van begin tot eind, een rode draad waaraan de lezer zich veilig kan vasthouden. "V" is geen Aspe of geen - voor de zelfgeavoueerde avontuiurlijke kenners onder ons - Dimitri Verhulst. "V" lijkt op het eerste gezicht een totaal achronologisch samenraapsel van verhaalfragmenten waarin hier en daar tussen een stortvloed andere personages steeds weer dezelfde personages op de meest onmogelijke tijdstippen en plaatsen terugkeren. "V" is een kaleidoskoop, en zoektocht naar V., de revolterende kracht die in vrouwengedaante telkens weer opnieuw lijkt te verschijnen in tijden van revolutie en omwenteling. "V" is de zoektocht naar de breuk aanééngelijmd door de tragische strappatsen van Billy Profane, profane, ketterse Willy, de schlemiel die de wereld als een gladde bol had willen vatten, maar tegelijkerijd ook in zijn doen en laten beseft dat dat pure projectie, illusie, fata morgana van de bovenste plank is. "V" is de etalering van het eindeloze web verwijzingen, die klevende context die geen enkele tekst op zichzelf laat bestaan, geen individu strak en veilig omlijnd weet en boven alles elke betekenis in ontelbare splinters doet uiteenspatten. "V" is het boek van de eeuwige zoektocht, het eindeloze 'en verder'. 3. De V van 'Vuck you!' Was Pynchon ook maar wijnmaker. Had hij hier en daar ook maar eens een wijnbom gedropt, liefst in Maryland, in Firenze, op de kaaien van Bordeaux, ... , of liever nog langs de terrassen van het heilige wijngemaak en het bewierrokende holle wijngeschrijf. Pynchon had een wijnmaker kunnen zijn die geen enkel stofje terroir, geen minuut wijnmakerstraditie, geen inch moderne techniek, geen letter vineuze filosofie of geen celletje ampelografische eigenheid onbekeken zou laten. Nuance, oneindigheid, links naar het ontstaan en de geschiedenis van een wijn, je zou ze allemaal zonder problemen kunnen herkennen in het complexe web dat in de tranen van je glas hangt. Je zou er wel heel wat tijd voor nodig hebben natuurlijk, een fles of zoveel en vooral heel wat degelijke wijnliteratuur en een tot de nok volgestouwd wijngeheugen binnen handbereik. Dat mag wijn wel voor ons zijn. Geen zoveelste post-’90 Lagrange, die misschien wel onberispelijk gecomponeerd is en feilloos van aanzet over kern en finale tot retronasale flux verknoopt blijkt, of mooi zoveel soorten bessen in het fruitmandje deponeert en ook nog wat houtimpressies evoceert. Nee, dat soort wijnen hoeft voor mij niet meer. Het zijn de Dan Browns en de Pieter Aspes van de wijnwereld. Goed gemaakt en straf geschreven, maar oeverloos saai, wat tot in het kleinste detail voorspelbaar. Meer nog, het is het type wijnen dat je kan vergelijken met die zogenaamd realistische literatuur ... het type literatuur dat we allemaal zo graag lezen omdat het herkenning teweeg brengt, voorspiegelt een authentieke blauwprint van de werkelijkheid in lettertjes tot de lezer te brengen. ‘Voorspiegelt’ zeggen we wel, want ze behoren tot dat type boeken dat werkelijkheid construeert als geen ander en dus in alle opzichten meer fake aan de dag legt dan gelijk welk ander boek zonder authenticiteitspretenties. U begrijpt vast waar ik heen wil: ik ben in mijn korte carrière als wijnliefhebber of wijnzot het soort flessen dat beweert alle authenticiteit in het glas te brengen met een passie gaan haten die haar gelijke niet kent. Je kent ze wel: die flessen die op het achteretiket beweren ontsproten te zijn aan een eeuwenoude traditie, aan een familiestamboom die terugloopt tot de verbanning uit het aards paradijs, aan kastelen en logebroeders die met hun holle kastesymboliek pretenderen de gebottelde waarheid te legitimeren. Die ergernis om holle frasen en grootst-gemene-deler-larie die verkocht wordt op zowat 90% van de wijnflessen in omloop, zorgt er van de wederomstuit voor dat ik me alleen maar uitzinnig kan verkneukelen - tot op het giechelige af - wanneer ik een fles Grand Q Glacé van Alonso's Château Gonfalble ophaal of Bonny Doons groteske sapjes op tafel zet.
Heerlijk, zo van die wijnmakers die gewoon wijn maken in plaats van allerhande stroperige nonsens te verzinnen om op een fles af te draaien. Wat een verademing, na al die lamlendige fabriekssurrogaten met een jaarlijkse smaakconsistentie die niet erg moet onderdoen voor Coca-Cola, eindelijk echte wijnen, wijnen met een ziel. Wijnen waarvan de wijnmakers in hun constante zoektocht naar de beste expressie van een bepaalde druif, van een bepaald terroir, van een bepaald soort wijn de grenzen van de waarheid, Verity aftasten, zoeken datgene waarvan maar af en toe een glimp op te vangen is. Een glimp met een verschroeiend effect, want wie kan de waarheid recht in de ogen kijken? Met dit balanceren op het scherp van de snee, het tot het uiterste uitrekken van de mogelijkheden leveren deze wijnmakers wel iedere keer explosieve staaltjes kunst af. Wijnmakers als Alonso of Grahm slagen er telkens weer in unieke kunstwerkjes af te leveren die een complexe getuigenis zijn van hun gepassioneerde zoektocht naar kennis. Het zijn stuk voor stuk wijnen die de onmetelijke context waarin ze tot ontstaan kwamen laten meevibreren in elke slok, elke drup die je ervan op de tong laat glijden. Wijn met een 'sense of place' - of dat nu terroir moge heten of niet. Ik wil hierbij dan ook hulde brengen al die wijnmakers die hun intelligentie, hun visie, hun kennis en hun passie onbaatzuchtig onder kurk trekken en zo ontelbaar veel wijnliefhebbers de kans geven die ervaring mee te beleven, te koesteren en te herinneren. Noem ze maar: Charly Thévenet, Pierre Overnoy, Dard & Ribo, Markus Schneider, Randal Grahm, Eva Clüsserath, Clive Dougall, Marcel Lapierre, Matthieu Cosse & Cathérine Maisonneuve, Yvonne Métras, Erich Pfifferling, Marc Brignot, Pascal Simonutti, de Bruniers, Yann & Loïc Lechartier, Gérard Schueller, Ugo Bing, Pierre & Cathérine Breton, Fred Cossard, Emidio Pepe, Marc Pesnot, Ulysse Colin, Dario Princic, Loris Follador, Maria Theresa Mascarello, ... en nog zovele anderen. Gelukkig maar, want zij heffen de dam tegen de vernichtende smaakvervlakking, de betuttelende commodificatie en de manicheïstische marketingspelletjes die onze globaliserende wijnmarkt tot treurens toe blijven regeren.
Een welgemeende "V" in uw gezicht, mijn beste wijnapparatsjik!
LAST_UPDATED2
|
|